Egeltje

De egel zat bovenop het schoteltje met egelvoer. Ik keek uit het raam en was heel dichtbij het smakkende beest. Ik maakte een reis achteruit in de tijd. Het was een koude avond in september. Vlak voor mijn fietsband stak een beestje over. Het meisje dat naast me fietste riep: ‘Stop! Een egel!’ Ik wilde nog roepen dat zulke dieren op herfstige avonden op stap gaan om zich een boulimie te eten, maar ik hield mijn lippen op elkaar. Zij was al afgestapt en pakte het dier. “Wat is hij mooi,’ zei ze en ik keek bezorgd naar de opgerichte stekeltjes. Hij vond het niet zo leuk. ‘Ja,’ zei ik zacht,  ‘hij is prachtig.’ ‘Neem jij mijn fiets,’ fluisterde ze,  ‘dan brengen we hem naar mijn huis.’ In de keuken stond de gehele familie over het schepsel gebogen. Het  knorde: ‘Ik ben niet ziek, ik moet aan het werk, laat me gaan.’  De vader van het gezin merkte iets op over de relatie tussen autobanden en egels, maar de moeder was concreter: ‘Zet hem maar in de schuur,’ wees ze. Het onfortuinlijke scharrelwezen werd in een schoenendoos gedaan en ik nam afscheid. Bij de achterdeur stond mijn vader te wachten. Hij zei niets, wees op zijn horloge. Ik wist het: het was vreselijk laat. Zijn gezicht stond op een uitdiepende stormdepressie. ‘Sorry,’ zuchtte ik, ‘ik moest helpen een egel te redden. Het zal niet meer gebeuren.’  “Egels redden zichzelf prima,’ zei mijn oude heer. Toen ik vertelde over het meisje, een groot dierenliefhebber en haar familie, leek hij iets in te binden. Ik maakte het verhaal groter en verzon dat de egel in het water had gedreven en zwemles had gekregen. Vanaf die dag vroeg mijn pa regelmatig naar het egeltje en ik maakte uit zijn toon op dat hij mijn egelverhaal maar voor een deel geloofde. De volgende dag na de reddingsactie sprak ik het meisje op onze school. Ze zei: ‘De egel heeft een zooitje gemaakt in onze schuur. Hij heeft de doos en het dekentje aan flinters gescheurd en een paar fietsbanden doorgeknaagd. ’Ik zou het ook gedaan hebben, dacht ik. Maar ik zei het niet. ‘We hebben hem vanmorgen vrijgelaten,’ ging ze verder. Ik lachte. Ik was blij voor de freedom van de egel en ik vertelde haar nooit hoe mijn vader haar had genoemd. Ik vond het ook niet kloppen;  ze was een zacht meisje dat van schapenwol haar eigen truien breide en haar stekels nooit opzette.  

Zo had het kunnen zijn, als Johan tenminste niet zo stom was geweest

We hadden kampioen kunnen zijn, kampioen van de 25e klasse der voetbalamateurs van Nederland. Maar het is niet gebeurd. Het is anders gelopen. Dat is de schuld van Johan, onze regelneef. Johan regelt alles voor ons team, maar de laatste tijd gaat het niet zo goed met Johan. Laatst had hij de kleding van het dameselftal bij zich. Hij begint kinderachtige grappen te maken. Tijdens de voorlaatste wedstrijd liep hij zomaar het veld op en zei tegen de scheidsrechter: ‘Weet jij waarom een Engelsman zijn paraplu wegdoet als hij een Duitser tegenkomt? Omdat die Duitser telt: eins, zwei, drei..’ Nou, van dat soort grappen. Voetbalhumor is best flauw, maar dit.

En het is niks voor Johan. Vroeger was hij rechter, hij was zeer geleerd, wel een tikkie vreemd was hij toen. Maar dankzij hem zijn we geen kampioen, want hij regelde de spelersbus naar de kampioenswedstrijd. We hadden nog maar 1 punt nodig om FC Buitenspel de baas te blijven in de competitie. Een gelijkspelletje, meer niet!

We reden weg en onderweg zagen we plotseling veel water naast ons stromen. En daarna koeien en veel weilanden. En toen zei  Karel, onze spits: ‘Hee jongens, dit is Friesland!’  Maar toen waren we al bij het knusse stadionnetje van Hardegaryp. Het was er verlaten, de fans stonden er niet. Frank, de doelman, zocht op internet waar de wedstrijd stond gepland: in Venlo! We hadden nog 10 minuten. Zelfs met een straaljager zouden we niet op tijd komen. En niet verschijnen bij een wedstrijd betekende verloren punten en dus geen kampioensschaal. Die ging gewoon naar de bierbuiken van de FC Buitenspel. Iedereen was woedend.

We sloopten de bus tot er alleen nog wielen stonden en Johan bonden we met een touw om zijn nek aan een Friese eik. De hond. Toch hebben we deze week zijn 95e verjaardag  gevierd, want je moet kunnen vergeten en vergeven. Hij heeft een taart gekregen met een foto van het hele kampioenselftal. Hij is in de veronderstelling dat we the champions zijn en dat hebben we maar zo gelaten.  Ja, het had zo kunnen zijn, als Johan tenminste niet zo stom was  geweest. Onze vrouwen zeggen dat we voortaan zelf ook beter op moeten letten. En dat is een goeie les.  

Uit: 333 dingen om te schrijven: Schrijf een verhaal dat eindigt met de zin: Zo had het kunnen zijn, als Johan tenminste niet zo stom was geweest.

Het kaasplankje

Ik ontmoet een dame die mijn jas aanneemt en me verzoekt te blijven staan. Een andere dame controleert mijn kaartje. Weer een andere mevrouw loopt mee naar een tafeltje in een hoek van een enorme hal met marmeren vloertegels en  metershoge zuilen.  Op die zuilen liggen honderden bloemstukken, grote witte lelies, paarse bloemen, ik weet niet hoe ze allemaal heten.

Ik ben uitgenodigd omdat ik meegeholpen heb mijnheer zijn studeerkamer te herbouwen, om het zomaar eens te zeggen. Mijnheer, dat is mijnheer Willem-Alexander. Yes, de koning. Vandaag ga ik, Ab Timman, de hand van de koning schudden. Er zitten nog meer jongens hier met hun Marietje. Maar dat zijn argitekten en zo. Ik ben de enige die echt heeft gebouwd. Om 20 uur nul nul gaat het gebeuren. Dan gaan we aan tafel.

Aan het hoofd van de tafel zie ik al een Koninklijke stoel staan met WA erop. Daarop zal hij gaan zitten en aan de overkant natuurlijk de mooiste vrouw van het hof, koningin Máxima. Ik ben wel nerveus, moet eigenlijk nog even roken. Ik ben een diehard verslaafde, ik schaam me er niet voor dat te zeggen, ik heb alles al geprobeerd. Ik ga een deur door, nog een deur door, ik ken de weg hier. Daar is de keuken. Die heeft twee klapdeuren die naar buiten openslaan. Ik ga erdoor en pak mijn sigaretten. Het is vijf voor 8, zegt mijn Seiko kwarts. Tijd genoeg voor een shot. Ik sta op een soort bordes, met uitzicht op de warme stralen van de zon, over de groene bomen van dit prachtige park.

Wat een feest hier te wonen. Vooral in deze mooie zomer. Ik inhaleer en hoor achter me een zoemend geluid. Draai me om en zie een rolluik naar beneden gaan. Ik trap de peuk uit en bemerk dat de deuren dicht zijn. Ik klop op het raam, daar moet toch iemand zijn. Of zou dit automatisch gaan? Ik geef een schreeuw, maar dat is hier kansloos. Mijn echo komt  hard terug van de hoge wanden. De keuken is onder de slaapvertrekken en daar is niemand. Die zijn aan het werk of zitten aan de dis. Ik loop het bordes af, het gras op, naar links. Het bordes is aan de linkerkant afgeschermd met een metershoog hek.

Op enige afstand daarachter, ik schat een meter of tien, zie ik een bewaker lopen, hij heeft een hond aan de lijn. Ik roep hem, maar hij hoort me niet. Potverdomme, het is al vijf over 8. Dan naar rechts. Dat gedeelte is voorzien van een ongeveer vier meter hoge muur met ijzeren punten er bovenop. De muur is extra glad gemaakt omdat er een stalen voorkant tegenaan is gemetseld. Voor klimmers dus onmogelijk. De enige mogelijkheid is het park in te vluchten. Maar dat is met al die bewaking hier een gevaarlijk idee. Ze zouden een hond op me af kunnen sturen of een schot kunnen lossen. Het is niet verstandig daar zomaar rond te gaan dwalen.

Beter is het hier te blijven en een telefoontje te plegen. Dat is het, gewoon even bellen. Ik pak mijn telefoon en merk meteen dat het niet lukt. De wifi is geblokkeerd, ook weer security voor alles. Ik ga op mijn kont op het bordes zitten en denk na. Iemand  zal me toch wel missen? Mijn jas heb ik afgegeven. Ook mijn tas met autopapieren en sleutels moest ik overhandigen. De veiligheid gaat hier echt voor alles. Ik kijk naar het langzaam donker wordende bos. Plotseling staat er iemand naast me.

Het is een grote, forse kerel. Nou zal je het hebben. Nou gaat Adje in het bakje. Maar de stem die ik hoor is vriendelijk en komt me bekend voor. ‘Goedenavond,’ zegt de man. Het lijkt verdomme wel de koning. Of het is zijn broer. ‘Hoe maakt u het?’  Ik zeg: ‘Goed, wel een beetje vervelend, want ik zou hier dineren, maar ja, toen was ik buiten en kon ik niet meer naar binnen.’ De man zegt niets, maar pakt een sigaret. Hij biedt me er eentje aan. Met zijn aansteker zet hij die van mij ook in de vlam. We roken zonder iets te zeggen.

‘Weet u,’ zegt de man. ‘U heeft niet veel gemist. Een hoop gebabbel. Je wordt er eigenlijk niet wijzer van.’ Ik haal mijn schouders op. ‘Ja maar toch,’ zeg ik. ‘Het is wel het feessie van de koning. Dat vind ik toch wel dikke pech. ‘ Hij zucht. Ik hoor hem diep inhaleren. Hij loopt naar het park en zegt: ‘Komt u even mee.’  Ik volg hem gedwee.

We lopen door het donkere park en komen bij een huis, het is een soort villa met een veranda. Met een sleutel opent hij een deur. We gaan binnen. Het is een ruimte van 3 bij 4, met een bureau, een schemerlamp en een kast. Aan de muren hangen minstens duizend foto’s van al zijn familieleden, vrienden en vriendinnen. Er staat in een hoek ook een oude computer en daarop liggen een paar schaatsen, hoge Noren.   ‘Hier werk ik graag,’ zegt hij. ‘Maar deze kastdeur,‘ hij wijst op een antieke houten kast, ‘die sluit niet goed. Vind ik heel vervelend. Kunt u daar naar kijken voor me?’  Hij knipt een lamp aan en ik bekijk de deur. ‘Heeft u een hamertje?’ vraag ik. Hij geeft het. Waar hij het zo snel vandaan haalt, weet ik niet.

Ik klop op de scharnieren, niet recht genoeg. Maar ik heb het zo voor elkaar. Deuren hebben geen geheimen voor me. De man lacht en klopt me op de schouder. ‘Heel fijn,’ zegt hij. ‘Heel fijn.’  Hij loopt naar de kast en opent hem. Daarin staan allemaal schilderijen. ‘Oud en duur,’ mompelt hij. ‘Van mijn grootmoeder geweest. Echte meesterwerken, maar niet mijn smaak. Hier, neem deze. ‘ Hij drukt me een oud bord in handen. Het is rond en van hout, er staan bomen op, een beek en een paar mensen. ‘Veel waard,’ mompelt hij. ‘Maar wat moet ik er mee, ik heb liever een poster met een Feijenoord-voetballer erop.’  ‘Dat meent u niet,’ zeg ik. ‘Grapje,’zegt hij. ‘Nee, maar neemt u rustig dit schilderij mee, geloof me, het is peperduur, maar ik wil er van af. ‘ ‘Kunt u dat niet naar de veiling brengen?’  

De man gaat zitten achter zijn notenhouten lievelingsbureau. ‘Een probleem,’ zucht hij. ‘Als ik dat doe, denkt iedereen dat ik op geld uit ben. Het is niet goed voor mijn imago. Ik ben geen geldwolf, maar de mensen denken het al gauw.’  ‘En uw vrouw, wat vindt die ervan?’

Hij lacht, maar zegt niets en staat op. ‘Kom, we gaan een biertje drinken. ‘ We lopen terug naar het paleis en ik heb het schilderij in een plastic tasje van de Albert Heijn, onder mijn arm. Ik vraag me af hoe hij daar aan  is gekomen. De keukendeur wordt geopend en in die keuken drinken we nog een glas. Hij vertelt over zijn meiden en dat ze het goed doen op school en dat ze gele Ninjasokken voor hem hebben gekocht en dat ze vaak verstoppertje spelen.

Dan begint hij over Feijenoord. Dat is ook mijn grote liefde. Ik sta op met de club en ik ga ermee naar bed. Hij vraagt me of Kenneth Vermeer in het doel blijft en of de trainer Van Bronckhorst nog een toekomst heeft in Rotterdam. Ik raak enthousiast, vertel dat ik nog samen met Robin van Persie heb gespeeld in de F-jes. De koning en ik worden goede maten vanavond, dat is duidelijk.  ‘Ik moet naar huis,’ zeg ik.

‘Bedankt voor deze bijzondere avond. ‘ ‘U ook bedankt,’ zegt hij, schudt mijn hand en laat me uit. Ik krijg mijn jas en tas terug en wandel met het bordschilderij naar mijn auto. Zou het echt zoveel waard zijn?

Ik rij naar Kralingen, naar mijn flat en groet mijn zieke vrouw, die in haar versleten duster loopt. Ze vraagt hoe het was. Ik vertel haar alles en toon het bord. Er staat iets met Breug of Breugel opgeschreven, linksonder. We bekijken het in het keukenlicht.

‘Zullen we nog een wijntje nemen?’ vraagt ze. Ze pakt het houten schilderij en zegt: ‘Leuk kaasplankje.’ Ze stopt hem in de keukenlade. Handig voor het boterhammetje snijden.

En we eten en drinken en zijn luidruchtig. ‘Wij zijn toch ook gelukkig zo,’ zegt ze plotseling. ‘Wij wonen toch ook in een paleis?’ Ik knik. We kussen of we weer net verliefd zijn en storten door onze oude bank.  

Rogbewoner Oceanium dient klacht in

Het mooiste aan diergaarde Blijdorp Rotterdam is het Oceanium, een aquarium van ongekende afmetingen. De vissen, schildpadden en haaien  zwemmen naast je, met je mee, en boven je hoofd. Je wordt er zowat duizelig van.Maar deze tunnel van water is een ervaring om nooit te vergeten. Tenzij je gaat diepzeeduiken, dan wen je eraan, zoals alles op den duur gewoon wordt.
Een rog, een platte, driehoekige vis met een venijnige angel, bleef boven me hangen en opende zijn mond. Het was alsof het beest iets zeggen wilde. Dat was natuurlijk onzin. Een rog en ik hebben elkaar niet veel te zeggen. Wel vinden we elkaar heel vreemd: ik hem met zijn bluppende bek en zwiepende staart en hij mij met die neus, die bril erop, die achterlijke regenboogkleurenpet, die blanke benen in dat krappe korte broekje, en dan dat fototoestel op die welvarende buik.
‘Je kan niet zwemmen, stuk zeewier,’ lacht hij tandeloos. ‘Dat kan ik wel monster,’ playback ik terug, ‘ik heb een A en een B-diploma, stomme rog.’
We kijken elkaar aan,‘Nee hoor, grapje,’ liplees ik, ‘ik vind je best aardig. Hoe vind  je mij?’Ik maak een foto van hem, met behulp van flitslicht. Hij zwemt verblind weg om zijn beklag hierover te gaan doen bij de directie van Blijdorp.  Want ook dierentuinbewoners gaan mee in de emancipatie van verdrukte minderheden. Maar hoe kan ik nou weten dat zulke wezens ogen hebben? Heb je toch niks aan in het donker?

 Diergaarde Blijdorp:
 Blijdorplaan 8, 3041 JG Rotterdam
 0900 1857 

Dit is Juan

‘Dit is Juan,’ zei ze,  ‘ik heb hem net leren kennen, in zee..’ Ik richtte mij op van het Spaanse zand en zag een zongebruinde ober, of een profvoetballer. ‘Wij gaan vanavond uit samen..’  Ik ging achterover liggen en slikte het ‘nice to meet you,’ in. Hij zei ook niets. Zijn ogen vertelden mij dat hij mij een Hollandse gehaktbal vond. ‘Zo, wat zeg je daarvan, hè?’

Ik zuchtte en bedacht een plan voor de avond. Flink de bloemen buiten zetten, genieten van de vakantie, van de Spaanse avond, misschien kon ik in de branding ook wel een signorita vinden, een zeemeermin.

De avond viel. De zon zakte sissend in de Middellandse zee. We aten als lome koeien. ‘Ik ga,’zei ze plotseling en schoof haar bord opzij. “Nou misschien tot vanavond en anders tot morgen.’ De deur sloeg dicht. Ik waste me en ging naar buiten. In het dorp had ik een superavond met drie lelijke Duitse meiden. Toch zoenden ze heerlijk, hoewel ze roken naar knoflook en taaie calamares. Met de trofee van lipstick op mijn T-shirt toog ik walmend naar bier en fluitend van geluk naar het hotel.

‘Kom gauw!’ riep een stem van boven. Zij was het. Ze stond op het balkon. ‘Kom gauw, hij komt eraan!’ Ik haastte me de trappen op. Zij had mascarastrepen op haar wangen. ‘Hij,’ snikte ze, ‘hij deed zijn deur open en liet gelijk zijn broek zakken. Toen ben ik weggerend. Ik keek nog eens om en toen, toen kwam hij achter me aan en..’

We hoorden een stem, een diepe, donkere stem van  Romeo die Julia zocht. Ik knikte dat ze uit de kamer moest gaan en gluurde over de rand van het balkon naar beneden. Daar stond de kalende Adonis. Hij had een telefoon aan zijn oor. ‘Dat is ‘m,’ riep ze, ‘hij gaat ons vermoorden!’ Ook dat nog, dacht ik. Ik ga in de Spaanse pepers. Hij maakt sangria van me of stuurt alle stieren uit de arena op me af. De man pakte iets uit zijn zwembroek. Het leek op een pistool. Plotseling viel een schilderijtje achter ons in diggelen op de witte tegels. Een knal galmde.

De rest van de nacht hebben we naast elkaar op de vloer van het appartement gelegen. Toen het licht werd, zag ze me en zei zuinig: ‘Wat heb jij nou op je truitje, lipstick, gadsie, wat voor een vriend ben jij? Viezerik, ga je schamen!’ 

Ik haalde mijn schouders op en pakte het schilderijtje. Op de neus van een huilend zigeurinnetje zat een gaatje. Bij de tafelpoot vond ik een kogeltje, van een buks. ‘Laten we gaan zwemmen,’ zei ik en ik lachte. Zij lachte ook.
En toen gingen we naar het zwembad. En we hadden verder een prachtige, hedonistische vakantie.                       

IJmuiden: Sleepbootfilm Holland

25-2-2016:
Mijn vader sleept me mee naar het kleine café aan de haven. Het bestaat echt. IJmuiden. Bonkige, oudroestige mannen met gouden oorbellen zuipen er hectoliters bier en verslinden er kisten haring. Ook ’s avonds laat en ’s morgens en daarna gulpen ze weer bier. Ik heb het zelf gezien. Mijn vader liet me de inspiratiebron van Vader Abraham zien. Daar zijn de mensen gelijk en tevree. En inderdaad de mensen zijn daar erg gelijk. En tevree. Het zijn kerels die boeren en winden laten en door de film heen toeteren als de boeien naast de pier. En niemand die dat een probleem vindt. Ik kom voor een film in dat café. Een film over sleepboten. Het is een fascinerende film in zwart-wit, in het Duits, zonder ondertiteling, maar niemand die dat een probleem vindt. Welnee, auf das Meer iedereen gleich. Pis je over de reling, flikker je in het zoute nat, maakt de zee dan niet uit of je Duitser of Hollander bent. De zee verzwelgt je zoals jij je haring altijd binnenslokt. Bij de staart. De film is een grote lofzang op de helden van de kabels en de lieren en de stoom uit hun schoorsteen. Zij roken hun sjekkie in het nog warme bed van hun maat, ze roken hun sjekkie bij de kok, het belangrijkste personage na God, ze roken hun sjekkie bij het broodje jam en ze roken hun sjekkie in het holst van de nacht als er een boortoren achter de kont van hun ijzeren doodskist hangt te slingeren. Ze zijn trots op hun no cure-no pay en hun sjekkie. Ze lachen en ze glunderen, deze sjorrende tabaksfabrieken. Op het dek heerst een ijzeren discipline, hard als het staal van hun lijnen, maar niet dat zij daar onder lijden. Integendeel, het leven is als schuim in een storm en soms verdwijnt er wel eens een Arie met het afgaand getijde. Pech? Nee, erger is het als tijdens de tombola, na de pauze, blijkt dat je nummer steeds maar niet uit die verdomde hoed komt. Heb je een duit neergelegd dan is het wel de bedoeling dat je er iets voor terug krijgt. Een molen voor je werphengel, een visstoeltje, een zakmes, het maakt niet uit, maar je hebt er recht op. Je loert nog eens naar je buurman. Hij heeft godgloeiende al drie gewonnen dobbers onder zijn stoel liggen.Een klein mannetje met bolle makrelenogen en een scheve pet zegt me dat hij dagelijks nog 7 haringen naar binnen laat glijden. Het kleine café aan de haven, ik heb geconsteerd: het bestaat echt. Deze is wel een mannenversie. Dat is het manco aan het liedje. Want vrouwen gaan zo’n café niet binnen. De zee en alle sentimenten zijn voor mannen die thuis heeeel ziek zijn, als ze een griepje hebben.
Sjoerd, in de haven van IJmuiden
25-2-2016

Dit is een foto van sleepboot de Holland, ik weet niet van wie de foto is, hoop dat ik hem mag gebruiken..?

Poepregen

De Anloup was een recreatiecentrum aan zee, bestuurd door een aantal kerkjes uit de kop van Noord-Holland. ’s Zomers werd het centrum gerund door jongeren om vakantiegangers, jong en oud, een luisterend oor te bieden.

Ik weet nog dat wij met een aantal jonge vrijwilligers van het recreatiecentrum naar het uitzuigen van de beerput stonden te kijken. Een beerput was een voorziening uit vroeger dagen toen nog niet iedereen op het riool was aangesloten. Daarin werden alle uitwerpselen opgevangen tot dat de put vol was. Zoiets zie je niet elke dag,  in onze tijden van moderne riolering. Er kwam een gemeentewagentje over het gras achter het gebouwtje aangereden, met twee medewerkers en één slang. De ene man deed de slang in de put en de ander diende de knop op ‘zuigen’ te zetten. Zo eenvoudig was het. Waarom hij derhalve op de knop  ‘blazen’ drukte, die ernaast zat, kan ik nog steeds niet begrijpen. Misschien kon hij niet lezen. Twee seconden na het indrukken was er een zacht suizen van regen van zanderige, korrelige smurrie en werd de zon verduisterd. Daarna zakte de hemelse modder en zat ik helemaal onder. Van top tot teen veranderd in een zandsculptuur, in een paar seconden. En daarna drong het tot me door wat het voor zand was. Shitzand. Het rook nergens naar. Shit van jaren en jaren misschien, wie zou het zeggen. Ik rende naar de enige douche, maar die was al bezet door een andere zandalien. Naast me  stond een ontkleed baggermonster. Ik vind het nog steeds een vreselijke vieze gebeurtenis. Maar vertellen over vies heeft ook wel iets gezelligs. Poep en seks hè? Het verkoopt, zeggen ze. Nee, er zijn geen foto’s van.

Mijnheer de Jager

Bij een illustratie van Fleur de Mylle, een Vlaamse kunstenares, heb ik het onderstaande verhaal gemaakt.

Mijnheer de Jager wacht zijn hele leven op de tram die hem naar Atlantis zal brengen. Hij is er klaar voor en alles in hem, van zijn tenen tot zijn kruin zegt dat het nu niet lang meer zal duren. Moeder heeft op haar sterfbed tegen hem gezegd dat de tram naar de Verzonken Stad bij paal 6 zal stoppen. Op een dag, als er drie wolken aan de hemel zijn, dan zal het nog precies 3 minuten en 20 seconden duren en dan zal de tram arriveren. ‘Ga daar staan jongen,’ zuchtte ze, ’op de derde maandagmorgen in mei en neem die kans. Het zal je al het geluk brengen.’  En toen zweeg ze voor eeuwig. 

Voor de zekerheid heeft hij zijn baan opgezegd- toch niet veel meer dan paperclipsen in een doosje doen- en oranje zwemvliezen aangetrokken. In het zand heeft hij sporen gevonden van een tram, die uit zee zou komen en naar zee zou leiden. Het zand is zacht en warm en er is verder niemand. De halte is niet voorzien van een dienstregeling. Had wel handig geweest. Hij vroeg zich af hoeveel het zou kosten. Voor de zekerheid heeft hij al zijn spaargeld, dat in een grote wollen sok onder zijn bed lag, in een koffertje gedaan. Maar misschien betalen ze daar beneden wel met schelpen. Hij heeft een groen kostuum aangetrokken. Daar heeft hij nog eens mee langs de deuren gelopen om plastic zee-egels te verkopen. 

Drie wolken verschijnen in de lucht. Mijnheer de Jager kijkt op zijn horloge. Drie minuten en 20 seconden. De zee wijkt. Het water komt omhoog. Een roestige bak met wielen glijdt op het zand. Overal alg, zeewier, botten van omgekomen zeelieden, en een smerige lucht uit het diepste der diepten. ‘Stap in!’ 

De zoete stem van een zeemeermin? Een mooie vrouw, ze wenkt. De lichten van de tram gaan aan. Hij stapt in. De tram klingelt en knarst achteruit het zoute gewelf van de oceaan in. Eindelijk, daar gaat hij! Maar als ze onder zijn en hij zich gelukkig waant, zakt zijn hart. Op het bord boven zijn hoofd leest hij de dag van de week: zondag.        

Met kleine Thijs in de kinderwagen (2013)

‘Poep!’ riep de medewerkster van de natuurwinkel in mijn richting. Eerst dacht ik nog dat ze het over natuurlijke mest had, het zou niet raar zijn in zo’n natuurlijke productenwinkel, echter dit op deze manier duidelijk maken zou wel een vreemde manier van reclame maken zijn. ‘Poep!’ riep ze nogmaals en ze wees naar de kinderwagen. Ze moest een goeie neus hebben dat ze kon ruiken wat Thijsje had gedaan. Ze kwam op ons af en wees op de banden. Ik zag daar eigenlijk niets, er zaten wel blaadjes aangeplakt. Nou zij wel dus. Ze doodde me met een blik en pakte plastic om de banden te reinigen. ‘Het is wat modder!’ stamelde ik. ‘Het is poep!’ riep ze nogmaals. Thijsje probeerde haar nu ook te kalmeren door een allerliefste brede glimlach van oor tot oor naar haar te zenden, maar zelfs dat kon haar vermurwen. Wij waren boeven en verdienden dat ze ons met een rot ei uit de biologische ren konden bekogelen, of met een tomaat zonder insecticide. We kochten nog wel een natuurlijk papje dat door een collega zakelijk en streng werd afgerekend. Als ze kinderen heeft dan is ze zo’n moeder die de hele dag loopt te zwabberen en te mopperen dat ze met hun baggerpoten op de Chesterfield staan te springen. Thijs is blij dat ie bij ons woont, zegt ie. Mama dweilt weleens fanatiek met de Hara, maar ze gaat er daarna makkelijker mee om.