En we bleven lachen…

Toen we getrouwd waren, tien jaar geleden, reisden we naar Italië, want daar zou het altijd mooi weer zijn. En dat klopt ook. We kregen mooi weer. Per bus lieten we ons vervoeren door het Toscaanse landschap en dat zag er prachtig uit. Ik herinner me een mooi moment op een olijfgaard waar we wijn en Italiaans eten genoten onder de olijfbomen.

Uiteindelijk kwamen we bij Cinque Terra. Dat zijn een aantal dorpjes als in de Zaanse schans, maar dan toch wat sierlijker dan molens en molenhuisjes. Ze staan op de rotsen en de kleuren zijn oogverblindend. Tenminste, als de zon schijnt. We namen de Via d’Amore, de liefdesweg, een pad dat al eeuwenlang voor de geliefden door de bergen slingert. Hoe toepasselijk als je een paar dagen eerder in het huwelijksbootje bent gestapt.

Heel romantisch, maar toen begon het te regenen en harder en steeds harder. Het water op de Via d’Amore steeg. Op een zeker moment moest ik over een hele diepe plas heen en stapte er volledig in. We lachten er hard om. In het hotel heb ik geprobeerd de schoenen te drogen met een haarföhn, maar dat werkte niet goed.

Nou ja, we hadden er plezier om. Op een zeker moment hebben we ook hard gelachen om onze medereiziger, een man van eind 50, die een parapluverkoper van zich afschudde door stug vol te houden dat hij toch echt real Chinese was. Hoofdschuddend droop de verkoper af.

En we bleven lachen.   

Anja op de Via d’ Amore Cinque Terra, april 2010

Hilde

Hilde, een verhaal over hoe haar leven geweest zou kunnen zijn

door 

Sjoerd van Berkel

Juli 2015

In 1996 werden de resten van een jonge vrouw opgegraven die leefde ongeveer rond het jaar 400. De archeologen noemden haar Hilde. Hilde kreeg een gezicht en kleding en je kunt haar bekijken in het Huis van Hilde, in Castricum.

Sjoerd van Berkel, tekst en tekeningen 2015

Allereerst

Hilde heeft echt geleefd, wel ongeveer 1700 jaar geleden. Dat is heel lang geleden en dus weten we niet veel over haar. We weten waar ze leefde, en waar ze vandaan kwam, maar we weten niet wie ze was, want onze voorouders konden nog niet schrijven. Onderzoekers vonden haar stoffelijke resten vlakbij Castricum.

Wat ik heb gedaan, en wat jij ook kunt, is fantaseren over wie Hilde is geweest, met wie ze leefde en waarom ze op haar buik in een greppel lag. Op die vragen zullen we nooit een zeker antwoord krijgen. Het enige wat we kunnen doen is onze fantasie gebruiken en proberen haar daarmee tot leven te wekken.

Ik heb voor mijn versie van haar verhaal, feiten gebruikt uit onderzoeken en daarnaast heb ik heel veel uit mijn grote duim gezogen. Als jij ook iets verzonnen hebt, mag je dat best naar me e-mailen. Ik zet het adres onder het verhaal.

Ik wens je veel verbeelding toe en laten we snel 1700 jaar terug gaan. Het woord is aan Hidulf, 15 jaar oud, en de oudste zoon van Hilde. Hij zal je haar verhaal vertellen.     

Hilde

 ‘Ik ben Hidulf, mama, de oudste zoon van Gerhelm en zijn twee andere zonen, Everbald en Hildgard. Ik wilde je dit nog zeggen, mama: je zong altijd, een liedje over de lente, een liedje over de zomer, de herfst en de winter. Als ik bij je op schoot zat, zong je:

Vogeltje, vogeltje in het riet, zing nog eens vrolijk voor mij een lied.

Altijd zong je voor ons, soms in een vreemde taal, uit het land waar je vandaan kwam. Je had een hoge stem en je liep als een man, rechtop, met stevige passen. Je was ons moeder en ons vader tegelijk. Je leerde ons koken, een koe slachten, een konijn villen, spinnen, huiden bewerken en vlees, gezout, in potten in de grond stoppen. En je noemde ons Berenkopje, Wolvenstaart en Hazenkeutel.

Ook vissen leerden we van jou. We renden met jou door de lage duinen, sprongen in de kreken en sloten, die stroomden in het zoete, natte land. We speelden spelletjes die jij verzon. Je had een hertengewei en dan moesten wij ringen van hout om die hoorns mikken. Je was de grappigste moeder van het dorp, maar je leerde me ook dat ik nooit mocht liegen en dat doe ik nu toch een beetje, mama. Vergeef me.

Ik wist niet dat je ziek was mama, dat je tovenaars bezocht die kruiden voor je maakten en bloedsappen voor je kookten. Ik wist niet dat je bij Volle Maan naar de Heilige Eik ging in Baduhenna, het Heilige Bos, helemaal alleen, om de machtige boom aan te raken, of een konijn te offeren. Soms zag ik wel dat je naar adem hapte en je hand op je borst legde. Nu pas weet ik dat je ziek was. Heel ziek.

Op een avond, in het Heilige Bos, ontmoette je Wibald, de hertenjager. Een vrolijke man, heel anders dan onze vader. Hij deed je hart smelten. Hij sneed zelfs een stukje uit de bast van de boom, een heel klein stukje, want op snijden uit de boom staat de doodstraf. Hij maakte een koord aan het stuk en hing het om je nek. Altijd zagen jullie elkaar bij de eik en daar zoenden jullie. En niemand mocht jullie ooit zien.

Je vertelde het mij, vlak voordat je werd weggestuurd. Vlak voor het Midzomerfeest. Daar danste je nog vrolijk, wild, en wij, je zoons ramden op de trommels. Je armen zwiepten door de lucht, je strogele haar en je rode mond werden verlicht door de maangodin. En alle mannen van het dorp keken, gehuld in hun dierenhuiden, naar je, behalve Gerhelm, onze vader; die zat tandenknarsend van jaloezie, in het vuur te poken. Ik heb hem nooit zien lachen, mama. Hij is mijn vader, maar ik mis een echte vader. Een man die me laat zien hoe je een huis bouwt. Altijd was hij ver weg. Zelfs als hij dichtbij was. Ook tijdens de laatste zomeroptocht voor het Joelfeest. En als ik aan jou vroeg, waar hij dan was zei jij: ‘O, hij is lulletjes vangen in het bos,’ je lachte en haalde je schouders op.

Weet je nog, de optocht met alle mensen van Udorp, naar de Dunne Kreek. We zongen offerliedjes voor Frigga en we plaatsten een paardenkop op een paal. Zo zal dit paard niet vergeten, ons op zijn rug, en vliegend langs de sterren, naar de toppen van Yggdrasil te brengen, de Heilige Eik. Daar vandaan zullen wij naar het Walhalla klimmen, mama. Als de tijd daarvoor is.

Goed, wij kwamen bij de kreek, jij had de mand met jasmijnblaadjes bij je en papa droeg potten, een schoen en een glazen ketting. Die zouden wij in het water gooien, als offer voor de watergeesten.

Wij stonden bij de kreek, toen plotseling een pijl voor onze voeten plofte. Wij schrokken erg. Het was Wibald de hertenjager. Hij stond aan de overkant. Een brede kerel. Maar altijd met lappen voor zijn gezicht, zodat niemand weet wie hij is. Hij lachte stoer. Pakte een stok, nam een aanloop, plantte de stok in het water, klom erin en ..jep.. hij floepte neer aan onze kant. Wij klapten van verbazing in onze handen. ‘Geef die

Het offeren

ketting,’ zei hij tegen mij. Het klonk vriendelijk. Vader werd razend. Pakte een stok. Wilde de kerel slaan. Die pakte een mes, zo lang als een koe, en vader ging terug. De hertenjager nam de ketting uit mijn handen. ‘Die is voor je moeder,’ zei hij en legde het sieraad om haar nek. Het ging zo plechtig en snel dat wij, en onze buren en de andere buren, niets durfden te doen of te zeggen.

Die glazen ketting nam Redulf, onze oom, broer van vader, lang geleden mee uit het verre oosten. Tegelijk met jou. Hij vond je ergens langs de kant van de weg, huilend, op blote voeten. Je ouders waren meegenomen door de Romeinen. Toen ben je opgenomen in de familie van Saxger, de vader van Redulf en Gerhelm. En toen je net dertien jaar oud was vond hij dat je moest trouwen met Gerhelm. Dat wilde je niet, je hield niet van Gerhelm en je was woest. De ketting bleek een duur ding, met goud erin, en Redulf gaf hem als huwelijksgeschenk aan jou. Hij was dol op jou. Hij vertelde hoe dapper je was, dat je eens een klein katje uit de klauwen van een zeearend sloeg, en dat je ook eens oog in oog stond met een beer, en die wegjoeg door te gaan stampen en schreeuwen.

Hilde, zijn grappige oogappel, de grootste flirt,  die ook ganzen kon dresseren en die een optocht van jonge ganzen achter haar aan had; Hilde, de ganzenmoeder. Die niet bang was van wolven, elanden, en van het moeras, waarin onze zus Igga is verdronken. Die dagen kon zwerven over de uitgestrekte graslanden en dan met een mand kruiden thuiskwam, om de mensen van ons dorp beter te maken. 

Maar om verder te gaan: de hertenjager  was net zo snel weg, als hij gekomen was. Over het water gleed een dunne nevel toen wij de potten en schoenen in de diepte wierpen, om de watergoden tevreden te maken. Onze vader heeft daarna nooit meer met jou gesproken. Hij wist dat jij je hart aan de hertenjager had geschonken.

En na die zomer lag je op een ochtend op het stro, achter ons huis. Je gilde het uit, van de pijn. Je arm was gebroken. Je wilde niet zeggen wat er was gebeurd die nacht, maar ik kan er wel naar raden. Hoe heeft hij jou zo’n pijn kunnen doen?  Wat heb je verkeerd gedaan mama? Niets.  Drie zoons schonk je hem: Hidulf, Everbald en de kleine Hildgard,  net vier jaar, maar al een stoer kereltje. Drie zoons, hij had gelukkig moeten zijn, maar hij mishandelde ons, mama, net zoals hij jou heeft mishandeld. Hij heeft mij met een mes in mijn hand gestoken, omdat ik niet lang genoeg ‘s nachts bij de dieren had gezeten, in het schuurtje. ‘Wij boeren blijven ’s nachts altijd bij ons vee in de hut, wie denk je dat je bent, dat je weg mag gaan?’ Hij schreeuwde zo hard, dat ik nog last van mijn oor heb gehad. Hildgard heeft hij vastgebonden aan een houten paal, in de boerderij en hem geslagen met een ijzeren schild. Een jongen van nog geen vier jaar!                          

Het was een koude dag,  je moest weg, zo had onze vader besloten. We zagen jou met hem weglopen. Het sneeuwde. Aan de horizon, aan de rand van het bos, bleven jullie staan. Twee donkere silhouetten. De sneeuw plakte in onze haren. Het werd donker. Gerhelm kwam terug. Hij zei niets, gebaarde streng dat we moesten gaan slapen. Verdrietig, en vol zorgen, lagen we op ons stro. We hoorden de wind kwade dingen roepen in de schoorsteen van ons huis. Liep jij daar nu alleen mama, in de kou, in het bos? De hele lange winter hoorden we niets van je.

Ik nam als oudste zoon je taken over. Ik kookte, maakte schoon, ik spon de wol en had het druk, erg druk, want ik moest ook de twee jongens helpen en Gerhelm met het vee.    

Op een dag in de lente, het was een frisse ochtend, zag ik je zwaaien aan de horizon. Ik keek om me heen, Gerhelm was vissen, de jongens waren hout aan het hakken. Ik waarschuwde ze en samen renden we naar je toe. We sprongen in je armen, we lachten en we knuffelden. Jij rende voor ons uit, naar je huis, dat op een heuvel lag. Het was een klein huis, laag en donker en het stonk er verschrikkelijk naar bedorven vlees. ‘Ik deel dit huis met een oude vrouw,’ zei je. ‘Zij is ziek. Ik offer en ik geef haar kruidendrank. Ga nu snel weg. Voor hij het ontdekt.’ Ik stond op, ging het huisje uit. Een vuist raakte me hard in mijn gezicht. De ijzeren vuist van Gerhelm. Vanaf die dag waakte hij over ons en

mochten wij niet meer bij ons huis vandaan. Dat was de laatste keer dat ik je sprak, mama.

En toen gebeurde het. Vannacht. Ik lag te slapen, het was een donkere nacht, zonder maan. Plotseling voelde ik dat er iemand boven me stond. Een schaduw. Het was de hertenjager. Hij fluisterde in mijn oor. “Hidulf, ik heb je moeder gesproken. Ze is heel ziek. Ze wil jou nog zien en je broers. Kom snel mee.’

En net toen hij dat gezegd had, hoorde ik gestommel en zag ik Gerhelm binnenkomen. In zijn linkerhand droeg hij een fakkel en in zijn rechterhand een groot mes.

Ik zie Gerhelm op de hertenjager afkomen, hij strekt zijn armen uit, hij grijpt de arm van mijn vader. De fakkel valt. In het stro. Het begint direct te branden. Het mes vliegt op de keel van Wibald af. Die duikt weg, raakt met zijn hoofd de buik van Gerhelm. Ze vallen allebei tegen een ijzeren schild aan de wand. Mijn broers gillen. De twee mannen rollen over elkaar. Ik pak Hildgard en ren door de rook naar buiten. Everbald volgt ons. We zien de boerderij achter ons branden. We rennen naar de kano. Ook de hertenjager is er plots. We hebben geen tijd om hem te vragen wat er is gebeurd. We springen met zijn allen in de boot. Ik pak de spanen en begin te roeien. We zijn net twee meter weg, als Gerhelm op de oever verschijnt. Hij zwaait, hij schreeuwt, hij wil in de boot springen. Hij heeft nog steeds dat mes. Hij wil ons vermoorden. Hij rent, ik roei zo hard als ik kan. Gerhelm maakt een sprong. Hij springt verkeerd. Hij komt naast de kano terecht. Het water golft ons omhoog. We roeien verder. We stoppen vlak bij het Heilige Woud, daarin wacht onze moeder, zegt de hertenjager.

We gaan het bos in. Het is een duistere cirkel met eeuwenoude bomen.

Het is een gevaarlijke plek, velen zijn er niet uit teruggekomen vanwege boze geesten en wolven. Maar voor wie het overleeft is ereen magische plek, met een reusachtige boom in het midden, die tot in de hemel groeit. Bij die boom, de Heilige Eik, had de hertenjager jou achtergelaten. Maar jij was er niet meer.       

We besloten aan de heilige boom te gaan offeren om jou terug te vinden. Onze schoenen en dingen die jij voor ons had gemaakt, legden we bij de Heilige Eik. Hildgard zijn wollen schaap, ik een schild van ijzer en Everbald zijn houten zwaard.

We offerden bij de Heilige Eik, en Thor hoorde ons en zond donder,  bliksem en machtige regen. Hij reed op zijn paard langs de hemel en gooide bliksemschichten om jou te redden. We hoorden de wolven huilen en  we waren drijfnat. Hildgard jammerde aan één stuk door.

Ik dacht dat ik in het vurige licht Gerhelm zag staan, met het mes geheven, en wilde vluchten. Ik dacht vaders akelige, schrille lach te horen. De hertenjager schoot een pijl richting Gerhelm, die viel. Daarna lachte Thor nog eens bulderend hard en zei de hertenjager dat we snel mee moesten komen.  Hij liet de ketting zien; die had je hem gegeven en na een laatste kus, was je voorgoed verdwenen. Hij wist niets van je huis, dat je deelde met de zieke, oude vrouw. Hij had het hele bos en het hele land naar je afgezocht, maar je nergens kunnen vinden. Zijn hart was bijna gebroken van verdriet en hij was bijna gestorven van ellende. Toen vond hij je vandaag, uitgeput, bij de boom waar jullie elkaar zo vaak hadden ontmoet.

Hij vertelde ons dat jij je niet lekker voelde. Dat je  een kruidendrank had genomen. Dat je naar ons toe wilde komen, wij, je zonen. Je bent gaan lopen, het ging moeilijk, je kwam adem tekort. Je had nog maar één doel: je zoons zien en dan sterven. Je ging zitten bij de eik en sprak ertegen. Of de geest van de boom je wilde helpen. Maar de boom zei

niets. Wilde jou niet helpen. Je schopte tegen de stam. Je wankelde verder en zag het water. Ook daar dacht je te gaan offeren, dat hielp altijd. Je wilde een koe in het water duwen. De eigenaar van de koe kwam boos op je af. Hij schopte je. Je liep terug naar de boom en daar zag je de hertenjager. Je vroeg hem ons te halen. Jij kon niet meer verder.

Maar was je nu dan? We liepen verder door het woud en riepen je naam. We zagen heel weinig, het was aardedonker. Tegen de morgen kwamen we uit het bos. Het werd lichter en droger. In de verte zagen we rook uit een boerderij kringelen. De hertenjager liep voorop. Hij zei dat hij ons onder wilde brengen bij twee mensen zonder kinderen, die ons niet kenden.

Plotseling bleef hij stilstaan. Hij wenkte mij. Ik liep naar hem toe. Ik schrok verschrikkelijk, mijn hart bonsde onder mijn hemd. Hij stond naast een greppel.

Want daarin lag jij, mama. Je was erin gevallen. Op je rug. Je blanke gezicht met de sproeten had een lieve, vredige glimlach. Je blauwe ogen open, net als je mond. Of je op het laatste moment, voor je viel, nog naar ons geroepen had. Je bruine omslagdoek die je zomer en winter droeg, lag naast je. Je bent zomaar de rivier naar het Nirvana overgestoken, niemand heeft je aangeraakt. Ik ben naast je gaan zitten en heb gehuild, mama. Ik heb je ogen gesloten en je mond. Ik heb mijn hoofd op jouw koude borst gelegd. Ik heb je handen gewreven, maar ze werden niet meer warm. Ik herinnerde me dat je tegen me had gezegd dat ik op zoek moest gaan naar de liefde. ‘Zoek een lieve vrouw Berenkopje,’ zei ze eens op zachte toon,  ‘liefde maakt alles goed in dit harde leven.’

Ik ben opgestaan en heb de hertenjager aangesproken. “Mijn lieve, kleine broertje,” zei ik, “ hoe leg ik hem dit uit?”  De hertenjager dacht even na en zei: “We leggen haar op haar buik. Dan lijkt het alsof ze slaapt.”  Ik vond dat een goed idee, het leek mij een mooie manier om afscheid van je te nemen.

We draaiden je heel voorzichtig om, wat was je licht geworden. Je woog als een veertje. We legden je handen onder je buik, deden de ketting om je hals, en legden je hoofd opzij. Het was nu geen eng gezicht meer,  het leek of je een middagtukje deed.

De hertenjager ging weg. Ik zag hem met Everbald spreken. Ze kwamen angstig dichterbij. Eerst zeiden ze niets, keken alleen maar.

“Zo slaapt ze altijd,” zei Everbald, “op haar buik, met haar handen eronder. “ Hij deed het voor. Het was een gek gezicht. Maar het was waar, soms gingen we met z’n allen naast je liggen, en we deden je na. Ook de handen onder de buik en jij ging dan heel hard snurken. En we telden tot twee en dan gingen we je kietelen.

We slaan de armen om elkaars schouders. De wind blaast ijskoud door onze kleren. Daar lig je mama. Op je buik. In de greppel, in het natte zand. “Mama slapen?” zegt Hildgard. “Ja, mama slaapt,” zeg ik en ik voel een steek in mijn buik, want jij leerde me nooit te liegen. Maar de waarheid is ook zwaar, mama, en niet uit te leggen aan een kind van vier.

“Gaat mama dan weer wakker worden?”

“Ja hoor,” zeg ik, “mama wordt wakker in het rijk van de nevelen.”

“Is dat ver weg, het rijk van de newel?”

“Nee hoor, dat is niet ver weg, daar ga je mama weer zien.”

‘Zullen we voor mama zingen?’ vraag ik. En we zingen zacht:

Vogeltje, vogeltje in het riet, zing nog eens vrolijk voor mij een lied. 

“Kom,” zegt de hertenjager, “we gaan, laat mama maar lekker slapen, ze heeft hier een heerlijk plekje gevonden.” “Mama kusje?” vraagt de kleine. Ik knik en hij bukt en kust je lange, gouden haar. Ik zie dat de hertenjager en Everbald vochtige ogen hebben. “Kom, laat mama slapen,” zeg ik en ik til de kleine op.

We lopen de morgen tegemoet, de zon komt op in de  zomerse morgen, de nevel hangt boven de sloten van het vruchtbare land. Dit is een nieuwe dag, mama, zonder jou. We zullen verder moeten zonder jou, een nieuwe boerderij bouwen, vee laten grazen, blij met alles wat jij ons geleerd hebt. Voor altijd zonder jou. De kraanvogels vliegen langs de zilveren wolken naar het blauw, de bevers bouwen dammen in de kreken van dit moerassige land, en wij stoken ’s avonds vuur tegen de hongerige wolven. Wij spinnen wol, wij vertellen verhalen, we zijn op onszelf, alleen onder Wodans  sterren.   

Maar ik weet dat jij er bent, dat jij er altijd bent. Alle dagen van ons leven. Dank mama, voor alles wat je deed. Goede reis.’

                                        ****** 

Boek

Het boek dat ik voor mijn verhaal gebruikte is:

Het land van Hilde. Archeologie in het Noord-Hollandse kustgebied,

door:  Dekkers, C., G. Dorren en R. van Eerden, uitgeverij Matrijs, 2006

Guido Gezelle en Willem Kloos, een overeenkomst in een individuele emotie

Najaar 1989

De grijze hoogleraar kijkt mij vermoeid aan. Voor ons, op zijn bureau, ligt mijn onderzoekswerk naar het boekje Kerkhofblommen van de Vlaamse, 19e eeuwse auteur Guido Gezelle.

Aan de wanden van het saaie kantoor rekken vol met wetenschappelijke literatuur over onze vaderlandse letterkunde. Wie wil in zo’n kaal hok schrijven over verhalen, gedichten en hun schrijvers? Ik denk dat de meeste auteurs hier niet dood gevonden willen worden.

En het is al een sombere, herfstige dag. De regen jaagt door de Spuistraat en langs het donkere postkantoor. ‘Kijk,’ zegt hij. ‘Ik heb jouw werk doorgenomen, maar het is echt beslist onvoldoende. Zeer onvoldoende is het.’ En dan begint zijn zure mond een tien minuten durende oratie waarom het niet deugt.

Na vijf minuten hoor ik het niet meer, begrijp het ook niet. Zegt hij nou echt dat mijn werk, waar ik zo lang op heb gezwoegd, niet in orde is?

De hoogleraar is een grote fan van Louis Paul Boon, ook een Vlaming. Wij houden dus allebei van een Vlaamse auteur, maar ik geef toe: ze lijken niet op elkaar. Behalve dat ze Vlaams zijn. Toch: we zouden een leuk gesprek kunnen hebben over Vlaanderen. Maar daar is geen sprake van. Hij zaagt mijn hele werk af. Tevreden met zijn redevoering leunt hij achterover. Ik zit als versteend en zeg niets. 

‘Nou, misschien kun je iets over Willem Kloos schrijven, dat doen alle studenten, waarom doe jij dat niet?’ Ik zwijg en wil van alles zeggen over mijn held Gezelle. Dat zijn taal zoveel mooier is dan die van Kloos, dat hij zoveel levenslustiger is in zijn thematiek. Dat me dat meer aanspreekt.

Hij merkt niet dat ik er mee zit. ‘Ik heb een volgende afspraak,’ zegt hij zakelijk.

Als ik met mijn hand aan de deurknop sta, bekruipt mij de gedachte dat ik nooit meer met deze man te maken wil hebben, want als hij mijn werk goed gelezen zou hebben, dan had hij kunnen begrijpen hoe bijzonder deze rouwuitgave van Gezelle was.

Overeenkomst

Maar er is nog een veel belangrijkere zaak waar hij totaal over heen gekeken heeft en dat is de kleine overeenkomst tussen Kloos en Gezelle.

Toegegeven: hun werk heeft nauwelijks overeenkomsten, alleen verschillen. Kloos is de dichter die te hoop loopt tegen de gevestigde orde. Gezelle maakt als priester deel uit van het kerkelijk gezag. De mannen verschillen ook nog eens in leeftijd en in afkomst. Kortom: een verschil van dag en nacht, zou je zeggen.

Toch er is één belangrijke overeenkomst, want Kerkhofblommen is een uiterst persoonlijk verslag van het rouwproces rondom het overlijden van een leerling van Gezelle van 18 jaar. In dit verslag wisselen dagboeknotities van de uitvaart af met gedichten vol diep en oneindig verdriet.

Juist nu dit hyperpersoonlijke verslag, waarin weinig over de overleden Eduard wordt gesproken, maar een verkenning wordt gemaakt in het getergde binnenste van de ziel, door de getroffen dichter, voldoet daarmee redelijk aan de normen van de allerindividueelste expressie van de allerindividueelste emotie, zoals geformuleerd doorKloos.

Willem Kloos bedoelde hiermee dat poëzie persoonlijk moest zijn en een persoonlijke vorm moest hebben, die aansloot bij een emotie. De dichter richt zich niet tot god, maar tot zijn innerlijk en spreekt zich eerlijk uit over zijn mentale strijd.

In het gedicht van Gezelle: Uit het Italiaansch is hier duidelijk bewijs voor te vinden. De eerste regel begint met ‘ik’ en dat laat zien dat de tijd zelfs in het katholieke zuiden rijp was voor een ander soort schrijven. Kunst die in het teken staat van de schrijver zelf. De eerste strofe van Uit het Italiaansch luidt:

Ik hoor ze zingen in de roozenhagen

  de nachtegaalkes, hunnen liefdezang ;

en de eekentronken, oud en bruin, doordragen

  de gulden najaarszonnestralen lang. 

’t Gaan duizend stemmen achter ’t land en roeren,

 ’t gelooverte en het gers en t beekske roert,

In ‘t diepend blauw zie ’k de Apenninen loeren,

  Den hemel wordt zijn’ roozenverwe ontvoerd.

 Bij zulk een zalig, eenzaam vredezegenen,

Och Moeder, mochte ik uwe stemme ontvaan!

 Och mochte ik, Moeder mijn, u nog bejegenen,

 Een enk’len keer nog, en toen sterven gaan!

Neen, koud zoo ligt gij daar, in ’t graf gedragen,

 Het hooren van mijn stemme is u geroofd!..

Wijl boomen, bergen en de roozenhagen

 De nacht bedekt, die dit mijn herte dooft!

G. Gezelle,Kerkhofblommen, Uit  het Italiaansch

De psyche

De dichter neemt ons mee in zijn wereld, op aarde, naar een herfstig bos, waarin hij een zekere vrede vindt. Het geluk in zichzelf te vinden en op de eigen wereld, is een nieuw verschijnsel in de letteren. De psyche en de omgeving nemen een steeds centralere plaats in, in het leven van de moderne mens.

Maar uiteindelijk, in de laatste strofe, blijkt dat het niet zo eenvoudig is om door het genieten van de natuur gelukkig te zijn, omdat de pijn van het afscheid overheerst.

Een gedicht van Willem Kloos, waarin eveneens over de dood wordt gesproken, laat ook dergelijke worstelingen met zijn emoties zien.

In het onderstaande gedicht neemt hij het op voor zijn gekwetste ego:  

Wanneer ik dood ben, lief, en iemand zegt,
Dat ik zoo niets was, dan zult Gij oprijzen,
Hem op dees allerlaatste bladen wijzen,
En zeggen: “Hij was groot! En die het zegt,

“Ben ik, die ’t weet: want ik, die altijd vecht
“Met menschen, om mijns-zelfs wil, die durf eischen
“Dat àlles voor mij wijkt, – ik kan ’t bewijzen:
“Heb ik niet zelf hem in zijn graf gelegd?”

Ik geef u geen gelijk, want grooter is ‘t
Te stérven voor zijn Ikheid, dan te léven:
’t Zoet leven lokt méér dan een donkre kist.

Maar Gij komt mij nabij in kracht van pijn
En vreugd, en dus wil ‘k U mijn doodsblad geven:
Mijn grootste glorie zal dees bladzij zijn.

De twee gedichten kennen weliswaar een andere tegenstelling, namelijk allereerst het prachtige leven en het afscheid en daarna het ego en de minachting, zij draaien beiden om het tumult in een psychologische zin.

Gezelle toont zich  daarnaast ook een precieze waarnemer. Hij levert een hartverscheurend verslag van wat er tijdens de begrafenis gebeurt in de familie:

Zoo lag die man daar, geveld en ontworteld, in al de kracht en de vroomheid zijner vijftig doorgewrochte jaren, rustende op de teere doch nutteloze zorgen van zijne vrouwe en van zijne weenende kinderen. (Kerkhofblommen, p.8)

Oprecht

Zowel Kloos als Gezelle zijn oprecht in hun verhouding tot de werkelijkheid. Ze maken het niet lelijker, maar ook niet mooier dan het is.  Zij zoeken naar een manier om met hun pijn en verdriet om te gaan.

Nieuwe vormen van bewustwording

En als u mij, waarde hoogleraar, naar aanleiding van deze korte beschouwing, vraagt hoe het kan dat zulke verschillende dichters uit verschillende landstreken, in zekere zin verre verwantschap vertonen, dan moet ik u daar het antwoord schuldig op blijven. Het is waarschijnlijk de geest van de tijd die nieuwe vormen van bewustwording laat ontwaken.

Die herfstige dag in 1989

Dit nu had ik u willen zeggen op die herfstige dag in 1989. U had toen ook kunnen voorstellen: kun je het werk van die Gezelle van jou eens naast een gedicht van Kloos leggen en kijken waarin zij verschillen of overeenkomen? 

Zelf had ik niet in mijn kwetsbaarheid moeten blijven ronddolen, als een Kloos in de nacht. Vernederd langs de hoge huizen van de Spuistraat slenteren, kijkend naar de rode lampen met de dames achter de ramen.

Het was niet nodig te kniezen over een mislukt werkstuk. Daar heb ik wel spijt van gehad. Om met Kloos te eindigen:    

O, ’t waar zoo schoon geweest, dat Lied van ’t Leven,
Bloemen van Passie, met een hand gespreid,
Zóó teêr, dat zij van teêrheid zacht ging beven, –
En ‘k had mijn 
liefste Zelf ééns uitgezeid.

Willem Kloos,  Ik had zo gaarn dit Boek in vreugd geschreven

Sjoerd van Berkel

November 2020

2020

Nu beste hoogleraar, u had mij dus destijds op moeten dragen om in het werk van Gezelle en Kloos naar overeenkomsten te gaan zoeken, want wij weten dat dichters de tijdsgeest symboliseren. Zij weerspiegelen die.

Een foto uit die tijd: Oudjaar 1990, ik neem een slokje goedkope wijn

Van boven bezien

En toen ik op de ladder stond, zag ik de berg prut in de goot en schepte de mest in de emmer. Ondertussen dacht ik daarboven aan van alles. Zou de egel al in winterslaap zijn en waarom hoor ik in het sinterklaasjournaal de stem van Kees Driehuis, die al enige tijd in de hemelen is? Doet iemand hem na? Anders is het een wonder. Hierboven zag ik ook dat de kozijnen wel geverfd kunnen worden. Ik nam de ladder weer op en dacht daarmee ook een lamp in de aanbouw te vervangen, maar daarvoor was het ding weer te groot. Jammer. Ik nam hem op de schouder en liep ermee over straat. Een man op een fiets vroeg of ik zijn glazen kwam wassen. Het was best een zwaar ding. Ondertussen dacht ik aan mijn studieonderdeel experimentele gedichten. Eigenlijk is er maar eentje geweest en dat was Lucebert. De andere dichters waren zo bezig dat je er om moet lachen, zoals het gedicht ote ote boe. Ik heb zelf ook weleens zoiets gemaakt, de beroemde diepgaande regel: ‘kwekje, er staat geen zout in mijn keukenrekje.” Eindelijk kom ik aan met de vracht bij mijn vader. Het ding is van hem. Hij heeft zijn achterpad laten betegelen, maar het houdt op omdat de buurman het verder niet nodig vond. Dat ziet er gek uit: nieuwe tegels die plots stoppen. Thuis schilder ik, want het kan eventjes. Voor me staat een uiltje dat ik wil afmaken, maar een half uur later is het een hond geworden. Dat kan met kunstschilderen, dat deed Da Vinci ook. De Mona Lisa was eerst geen vrouw, maar een man. Ach, het zijn toch rare tijden. Buiten is het veel te warm, er gaat geen vliegtuig over en op 31 december steken we vuurwerk af uit melkbussen. Ik probeer daar niet aan te denken, want ik heb al wat zorgen om gezond te blijven. Wekelijks vertoef ik op school tussen coronabrandhaardjes. En het lijkt er daarom op dat ik of immuun ben van mezelf of al besmet ben geweest en er voorlopig geen last van heb. Ik voel wel mee met ondernemers die hun werk zien verdampen. Er gaat ook geen vliegtuig meer over. Zal het oude normaal nog terugkomen? Zal je de Brabantse drieklapper op de wang weer kunnen geven? Bestaat er nog een kroeg? Zal ik ooit nog een handschudden met iemand? Zomaar wat gedachtes en vragen op de zondagavond. Mijn advies aan jou is: als je thuiswerkt, maak dan iedere morgen een wijkagentrondje. Fijne avond, u allen.

Terschelling, de munten, een volks verhaal over speelman Cupido, naverteld.

Dit verhaal is een oud volks verhaal dat ik zelf heb ingevuld met mijn eigen fantasie en daarom sterk kan afwijken van de manier waarop het op het eiland wordt verteld. En de foto hierbij, daarop ben ik die kleine man, met mijn Terschellinger opa Cornelis Cupido (1916-1972), genomen in IJmuiden, 1967. Kleine Sip Cupido hield de viool onder zijn arm. Hij was bang dat het instrument kapot zou vriezen in de ijzige kou. Het was een verschrikkelijk koude nacht, met een snijdende noordoostenwind. Voor hem lag het bevroren meer van de Doodemanskisten op West. De gemakkelijkste weg naar huis was recht over het ijs van dat meertje. Zijn vriend Grote Sjoerd liep voorop. De maan scheen volop in de donkere nacht en toverde licht op het blauwzwarte oppervlak. Dat hielp hen de weg te vinden over het verlaten eiland. Het water bevroor in hun baarden en maakte daaraan lange, zilveren staven en onder hun schoenen kraakten sneeuw en ijs, maar verder was het stil als op een poolvlakte. Kleine Sip had de verdiende centen in de zak van zijn jas gestopt. Vijf gulden maar liefst, een geweldige oogst voor het zingen en spelen van liedjes. Maar hij was het waard, hij was de muzikant van Terschelling. Geen bruiloft of jubileum op Sip was erbij met zijn viool. Dan moest zijn broer, Lange Sip, alleen voor hun vijf schapen zorgen. Vijf schapen hadden ze nog maar sinds de andere vijf ziek werden en stierven. Hij was blij dat hij zo’n muzikaal talent had gekregen van de Lieve Heer. Hij had zichzelf het spelen geleerd tijdens de lange winteravonden. Op zeker moment waren de optredens gekomen. Altijd ging zijn vriend Grote Sjoerd mee, want Sjoerd ging na de liedjes met de pet en dat deed hij heel goed. Sjoerd was charmant, hij had een vlotte babbel, veel vlotter dan Sip die alleen sprak via zijn instrument. Samen waren Kleine Sip en Grote Sjoerd een prachtig stel. Op deze bitterkoude decemberavond in het jaar 1825 hadden zij gespeeld op de trouwerij van Jan en Swaan. Alles leek goed te gaan, de pet werd goed gevuld, ze kregen een gratis slok en verlieten herberg het Zilte Schuim in een opperbest humeur. Maar nu hoorde Sjoerd een gesmoorde vloek. “Wat is er Sip?’ vroeg hij geschrokken,’ is je viool kapot?’ ‘Nee jong,’ zei Sip, ‘het is het geld.’ Sip hurkte op het ijs en nu zag Sjoerd het ook: een gulden was uit de broekzak gegleden, op het ijs gevallen en direct vastgevroren. Een kostbare gulden al gereserveerd om de dokter te laten kijken naar Sips hoestende zusje. Angst en paniek streden in hem, maar denken ging moeizaam, zo veel graden onder nul. ‘Wat moet ik nu?’ bibberde hij. ‘het ding zit vast en hier wachten kunnen we ook niet.’ ‘Ik weet wat,’ zei de nuchtere Sjoerd rustig, ‘we gaan hem losplassen.’ ‘Hè?’ Sip begreep het niet. ‘Ja, plassen, zeiken, plas is warm toch..’ ‘Nou hier,’sputterde Sip, ‘als ik hem nu uit de broek haal dan bevriest hij toch jong, hoe gaat die dan ooit weer ontdooien?’ ‘Ik hou hem vast,’ Sjoerd lachte breed met de drie tanden die hij nog had. ‘Dat kun je niet menen,’ beefde Sip. ‘Hoe wil je het anders?’ ‘Als de dominee dit ziet dan gaat hij naar ons hait en die gaat me slaan..’ ‘We doen het snel.’ En zo gebeurde het. Sip hurkte en plaste over de munt die wat losser kwam te zitten en door Sjoerd snel losgewrikt kon worden. Een mooi verhaal natuurlijk en de violist zou een verre voorvoorvoorvoorvader van me zijn. Ik weet het niet, het zou kunnen. Ik ben eens in het Behouden Huys geweest, dat is het museum over de geschiedenis van Terschelling en ik sprak daar met een medewerker die me kon bevestigen dat de viool en de violist inderdaad hebben bestaan en dat het museum in bezit is van het instrument van Cupido. Cupido, de god van de liefde, de god van het romantische snarenspel.

De haas en het konijn

De haas en het konijn zaten gezellig aan een kopje thee in het open veld bij een oude eik.

‘Lekker rustig,’ zei de haas.

‘Ik vraag me af of het verstandig is hier te blijven zitten, ‘ zei het konijn.

‘Lekker groot land, kun je lekker in rennen.’

‘Want er komen donkere wolken aan.’

‘Nou en? vroeg de haas.

‘Daar kan onweer uit komen. Komt vaak genoeg voor als het weer afkoelt na

een warme dag als vandaag.’

‘Ja, het was lekker hot man, supersupersuper……..’

‘Ik vond het puffen.’

‘Jij denkt teveel man. Laten we een wedstrijdje doen, wie het hardst kan rennen.’

‘Niet zo’n zin an.’

“Dan ren ik lekker zelf!’

De haas rende weg naar de horizon en weer snel terug. Hagelkorrels vlogen over zijn lange oren.

‘Lachen man, ze schieten op me,’ grijnsde hij.

Het was inmiddels donkerder en donkerder en donkerder geworden.

De bliksem sloeg oorverdovend met duizenden volts in de eeuwenoude eik, die

In twee stukken werd gespleten. Er kwam rook uit en de stam werd zwart en smeulde na.  

De haas juichte bij het aanschouwen van het natuurverschijnsel. Wow! Superpower! Hij trappelde met zijn achterpoten en flapperde met zijn dikke

staart.

Konijn lag naast hem. Getroffen als de eik, door dezelfde bliksem.

‘Zie je nou wel?’ riep de haas. ‘Je moet rennen, dan blijf je bewegen!’

Hij rende weer door de velden en rende terug naar de eik. Hij hoopte dat zijn

enige vriend daar weer zou gaan mopperen.

Maar bij die vriend zaten een vos en een gier en ze maakten ruzie over wie hem

mocht opeten.

Ze trokken ieder aan een deel van het arme beest en dreigden hem te

verscheuren.

Nogmaals sloeg de bliksem toe. Een daverende knal galmde over het lage land.

De gier liet los, van schrik, en vloog weg. De vos werd geraakt in zijn staart. Het

dier liet ook los en verdween krijsend van het veld.

De haas zat alleen bij het getroffen lichaam van zijn vriend. ‘Nu ben ik alleen,

oude mopperkont en mis ik je.’

De vrouw van de haas kwam bij hem en ging naast hem zitten. ‘We moeten

je vriend begraven,’ zei ze.

En dat deden ze. Ze groeven een diep gat en legden hem erin.

Ze spitten aarde over hem heen, tot ze hem niet meer zagen. “We gaan hier

weg, voorgoed,’ zeiden ze en ze verdwenen voorgoed.

Onder de aarde werd het konijn wakker. De bliksem had zijn brein verdoofd,

maar zijn hart laten kloppen. Hij schudde de aarde van zich af en keek om zich

heen. De haas was nergens. De eik was in stukjes. Waar is iedereen? Vroeg hij

zich angstig af. In de boom zat een vale gier. ‘Goedemorgen,’ zei het konijn.

‘Weet u misschien waar mijnheer de haas is?’

‘De haas?’ lachte de gier. ‘Die is getroffen door de bliksem, wist je dat niet?’

‘O, wat erg,’ zuchtte het konijn. ‘Hij smaakte niet eens zo lekker,’ lachte de

grijze leugenaar.

En zo dronk het konijn alleen van zijn earl grey thee. Hij mopperde op zichzelf

dat hij mee had moeten rennen en dat hij niet zo had moeten zeuren.

De zon kwam langzaam op en sprak tot het konijn. ‘Ik ga je opwarmen en daar

moet jij van genieten.’

‘O, dank u,’ zei het konijn. ‘Ik ga het zeker doen.’ Maar een traan van ellende

drupte in zijn kopje, want hij besefte dat naast de stralen van de zon niets

zoveel warmte kan geven als de vriendschap van een rare haas.

Egeltje

De egel zat bovenop het schoteltje met egelvoer. Ik keek uit het raam en was heel dichtbij het smakkende beest. Ik maakte een reis achteruit in de tijd. Het was een koude avond in september. Vlak voor mijn fietsband stak een beestje over. Het meisje dat naast me fietste riep: ‘Stop! Een egel!’ Ik wilde nog roepen dat zulke dieren op herfstige avonden op stap gaan om zich een boulimie te eten, maar ik hield mijn lippen op elkaar. Zij was al afgestapt en pakte het dier. “Wat is hij mooi,’ zei ze en ik keek bezorgd naar de opgerichte stekeltjes. Hij vond het niet zo leuk. ‘Ja,’ zei ik zacht,  ‘hij is prachtig.’ ‘Neem jij mijn fiets,’ fluisterde ze,  ‘dan brengen we hem naar mijn huis.’ In de keuken stond de gehele familie over het schepsel gebogen. Het  knorde: ‘Ik ben niet ziek, ik moet aan het werk, laat me gaan.’  De vader van het gezin merkte iets op over de relatie tussen autobanden en egels, maar de moeder was concreter: ‘Zet hem maar in de schuur,’ wees ze. Het onfortuinlijke scharrelwezen werd in een schoenendoos gedaan en ik nam afscheid. Bij de achterdeur stond mijn vader te wachten. Hij zei niets, wees op zijn horloge. Ik wist het: het was vreselijk laat. Zijn gezicht stond op een uitdiepende stormdepressie. ‘Sorry,’ zuchtte ik, ‘ik moest helpen een egel te redden. Het zal niet meer gebeuren.’  “Egels redden zichzelf prima,’ zei mijn oude heer. Toen ik vertelde over het meisje, een groot dierenliefhebber en haar familie, leek hij iets in te binden. Ik maakte het verhaal groter en verzon dat de egel in het water had gedreven en zwemles had gekregen. Vanaf die dag vroeg mijn pa regelmatig naar het egeltje en ik maakte uit zijn toon op dat hij mijn egelverhaal maar voor een deel geloofde. De volgende dag na de reddingsactie sprak ik het meisje op onze school. Ze zei: ‘De egel heeft een zooitje gemaakt in onze schuur. Hij heeft de doos en het dekentje aan flinters gescheurd en een paar fietsbanden doorgeknaagd. ’Ik zou het ook gedaan hebben, dacht ik. Maar ik zei het niet. ‘We hebben hem vanmorgen vrijgelaten,’ ging ze verder. Ik lachte. Ik was blij voor de freedom van de egel en ik vertelde haar nooit hoe mijn vader haar had genoemd. Ik vond het ook niet kloppen;  ze was een zacht meisje dat van schapenwol haar eigen truien breide en haar stekels nooit opzette.  

Zo had het kunnen zijn, als Johan tenminste niet zo stom was geweest

We hadden kampioen kunnen zijn, kampioen van de 25e klasse der voetbalamateurs van Nederland. Maar het is niet gebeurd. Het is anders gelopen. Dat is de schuld van Johan, onze regelneef. Johan regelt alles voor ons team, maar de laatste tijd gaat het niet zo goed met Johan. Laatst had hij de kleding van het dameselftal bij zich. Hij begint kinderachtige grappen te maken. Tijdens de voorlaatste wedstrijd liep hij zomaar het veld op en zei tegen de scheidsrechter: ‘Weet jij waarom een Engelsman zijn paraplu wegdoet als hij een Duitser tegenkomt? Omdat die Duitser telt: eins, zwei, drei..’ Nou, van dat soort grappen. Voetbalhumor is best flauw, maar dit.

En het is niks voor Johan. Vroeger was hij rechter, hij was zeer geleerd, wel een tikkie vreemd was hij toen. Maar dankzij hem zijn we geen kampioen, want hij regelde de spelersbus naar de kampioenswedstrijd. We hadden nog maar 1 punt nodig om FC Buitenspel de baas te blijven in de competitie. Een gelijkspelletje, meer niet!

We reden weg en onderweg zagen we plotseling veel water naast ons stromen. En daarna koeien en veel weilanden. En toen zei  Karel, onze spits: ‘Hee jongens, dit is Friesland!’  Maar toen waren we al bij het knusse stadionnetje van Hardegaryp. Het was er verlaten, de fans stonden er niet. Frank, de doelman, zocht op internet waar de wedstrijd stond gepland: in Venlo! We hadden nog 10 minuten. Zelfs met een straaljager zouden we niet op tijd komen. En niet verschijnen bij een wedstrijd betekende verloren punten en dus geen kampioensschaal. Die ging gewoon naar de bierbuiken van de FC Buitenspel. Iedereen was woedend.

We sloopten de bus tot er alleen nog wielen stonden en Johan bonden we met een touw om zijn nek aan een Friese eik. De hond. Toch hebben we deze week zijn 95e verjaardag  gevierd, want je moet kunnen vergeten en vergeven. Hij heeft een taart gekregen met een foto van het hele kampioenselftal. Hij is in de veronderstelling dat we the champions zijn en dat hebben we maar zo gelaten.  Ja, het had zo kunnen zijn, als Johan tenminste niet zo stom was  geweest. Onze vrouwen zeggen dat we voortaan zelf ook beter op moeten letten. En dat is een goeie les.  

Uit: 333 dingen om te schrijven: Schrijf een verhaal dat eindigt met de zin: Zo had het kunnen zijn, als Johan tenminste niet zo stom was geweest.