Aan de overkant van de straat, wie zou daar wonen, jongen bij die schutting met seringen, als ik langs fiets, hoor ik soms een meisje zingen vast iemand uit de beste kringen.
Haar pa is een minister- president haar ma werkt bij de fillem dus die zijn nooit eens thuis, mijn nachtegaal is vaak alleen in huis, en zingt daarom dan een lied vol van ellende en verdriet.
Ik durf niet aan te bellen want zo’n lied is toch privé, dus blijf ik bij die schutting staan en luister zachtjes mee, wat eenzaamheid met mensen doet, dat blijft verborgen,
Lang, lang geleden leefde er eens een handelsreiziger met een lieve dochter. Haar moeder was jong gestorven en omdat hij zo vaak op reis was, was zij veel alleen. Zij was een vrolijk meisje dat graag danste en zong, maar soms was zij heel verdrietig. Zij huilde: ‘Och, lieve vogels, wat mis ik toch mijn lieve moeder en nu is mijn vader ook weg, wat moet ik nu toch doen…’ ‘Wij vinden het heel erg voor je,’ zongen de merels. ‘Vind je het goed als we het aan je vader vertellen, lief kind, je verdient een beter lot.’ En toen haar vader na een lange reis weer thuis was, piepte de mooiste merel: ‘Lieve vader van Donna, want zo was haar naam, je dochtertje is heel verdrietig, misschien moet je een nieuwe lieve moeder voor haar zoeken.’ Haar vader knikte. ‘Ik heb daar al over nagedacht en het lijkt me een goed idee!’ Het duurde niet lang of hij trouwde met een andere vrouw. Ze was erg aardig voor Donna, en alles leek net zo goed te gaan als voor haar moeder haar had verlaten.
Maar op een dag vertrok haar vader voor alweer een lange reis naar een ver, ver land. Hij kuste Donna, die erg moest huilen. Ze zwaaide hem lang na, tot hij uit het zicht was verdwenen. ‘Zo!’ sprak haar stiefmoeder. ‘Kom jij eens hier!’ Haar aardige stem was helemaal verdwenen en ze klonk nu zeer streng. ‘Nu ga jij die malle kleren uitdoen en de appels in de winkel poetsen!’ Haar lieve moeder had namelijk een groenten- en fruitwinkeltje gehad waar zij de lekkerste appeltjes, pruimen en peren van het hele land verkocht. ‘Vooruit schiet op, lelijk wicht!’ Krijste de boze stiefmoeder en ze wees op de appels in de bakken onder de toonbank. ‘Die moeten gepoetst worden tot ze zo glimmen dat je er je haren in kunt kammen! Glimmen als spiegels moeten ze, vooruit, poetsen!’
Donna, het lieve meisje, begon aan het werk, maar het was wel een heel lang karwei en steeds als ze klaar was en de appels nog beter glommen als spiegels, kwamen de twee dochters van de stiefmoeder langs, Fixia en Nixia, en zij spraken: ‘Stom schepsel, die appels glimmen helemaal niet, zelfs dat kun je niet.!’ En ze lachten wreed en pakten de mand met appels en lieten die over de zanderige vloer rollen. Appelpoester, zoals ze haar waren gaan noemen, bukte en ging op haar knietjes er achteraan. Ze snikte: ‘O lieve moeder, waarom heb je me verlaten?’
Plotseling verscheen er een lieve kleine fee, ze had rode appelwangetjes en ze droeg een roze puntmuts op een blauwe jurk. Ze sprak zacht: ‘Lieve, kleine appelpoester, ik geef je dit kleine, rode doekje, daarmee poets je de appeltjes in een handomdraai tot blinkende spiegels en uiteindelijk zal het je veel geluk brengen!’ En ze sprak erbij:
‘doekje, doekje, rood als bloed
geef dit meisje kracht en moed!’
Daarna verdween ze weer zo snel als ze gekomen was en liet Donna in verwondering achter. Ondertussen poetste zij weken en weken door met het kleine rode doekje in haar zachte handjes, waar steeds meer eelt op verscheen. Ze werd mager en bleek en ze hoestte heel erg. Daarom moest ze nu ook in de tuin werken en slapen.
‘Ik wil dat hoestende, vieze ding niet meer in mijn huis hebben!’ riep de boze stiefmoeder. In de boomgaard, waar ze de appeltjes van de bomen moest plukken en dan oppoetsen, sloot zij op een dag vriendschap met de bijen. Zij brachten haar de heerlijkste honing zodat ze toch nog in leven bleef. ‘Arm kind,’ zoemde de dikste bij.
‘Ik wou dat ik je kon helpen!’ En dan huilden ze samen.
Toen de ijskoude winter voorbij was, die zij overleefde door in een holle boom te kruipen samen met haar bijenvrienden, kwam er een knappe prins in het land. Hij reed op een sneeuwwit paard dat Snelalsdewind heette. De prins stopte voor een herberg, die was gesloten. Zo ging hij door en merkte dat alles in de stad gesloten was.
‘Ik heb dorst vriend,’klaagde hij tegen Snelalsdewind. ‘Ik ook,’klaagde Snelalsdewind terug. ‘We hebben honderden kilometers gelopen, alleen maar om een prinses voor jou te vinden.’ ‘Ja,’ zuchtte de prins.
‘Maar wacht eens, daar zie ik iets dat open zou kunnen zijn…’ Hij wees op een groentewinkeltje. Er lagen heerlijke appels te glimmen in een bak. ‘Kan ik u helpen?’ vroeg een onaangename vrouwenstem. ‘Ik wil appels,’ zei de prins. ‘We hebben dorst en ik wil er twintig en nu meteen!’
De prins pakte een rode appel die er prachtig uitzag. De appel glom als een spiegel. Hij opende zijn mond om een hap te nemen en zag toen in de spiegel een meisje dat een appel zat te poetsen met een rood doekje.
Ze had een heel lief gezicht met prachtige blauwe ogen; zijn hart stond stond bijna stil van schrik. Dit gezicht moest wel bij een prinses horen. Hij keek nogmaals, maar zag niets meer.‘Wie is dat meisje?’ vroeg hij aan de vrouw.
‘Welk meisje?’ vroeg ze nieuwsgierig.
‘Luister vrouw,’ zei hij opgewonden. ‘Ik ben een rijke prins en ik zoek een prinses. Nu zag ik net in de spiegel van deze appel haar gezicht.
‘Vertel op, wie is zij?’ ‘Mijn dochter,’ jokte de vrouw. ‘Dat is mijn dochter Nixia. Ik zal haar even roepen.’ Toen Nixia voor hem stond zei hij: ‘Jij bent een beeldschone vrouw, maar ik weet niet of je de prinses bent. Vrouw, haal een doffe appel en een rode doek. Mijn prinses poetste haar appel glimmend tot het op een spiegel leek.’
Toen hij de doek en de spiegel had zei hij tegen het boze wicht:
‘Vooruit poetsen, laat zien dat je hem kan laten glimmen!’
Het heksje liet de appel uit haar handen vallen, begon te poetsen, maar de appel bleef dof. ‘Hij glimt als een spiegel!’ riep de moeder vals die graag wilde dat haar dochter met een prins zou trouwen. ‘Nee,’ zei de prins. ‘Dit is niks. Bedankt. Ik zoek verder.’
Hij stapte op zijn paard en hij reed naar het gemeentehuis. De burgemeester was daar aan het werk.
‘Burgemeester!’ riep hij hard.
‘Prins!’ riep de burgemeester. ‘Wat kan ik voor je doen?’
‘Laat morgen bij zonsopgang alle meisjes van deze stad een appel poetsen zodanig dat zij glimmen als een spiegeltje. Breng deze daarna naar mij.’
En zo gebeurde. Alle meisjes van de stad kregen een rode appel, en een rode doek en poetsten zich suf, want zij wilden allemaal met de knappe prins trouwen.
Toen de prins al die appels zag, het was een grote berg op het marktplein, was hij niet gelukkig. Ze waren allemaal dof ! Er was er niet eentje bij die glom! Hij stampvoette op de grond van boosheid en smeet de appels naar het hoofd van de boze stiefmoeder. Zij rende snel weg en de prins achtervolgde haar. ‘Waar is mijn prinses?’
riep hij. Ze kwamen bij haar winkeltje en zij vluchtte naar binnen. Samen met de twee dochters bleef ze verscholen in een kast. De prins riep de hulp in van soldaten en samen maakten zij de deur open. Daarbinnen krijste de stiefmoeder: ‘Ga uit mijn winkel of ik tover jullie in lelijke padden, nu!’ De prins trok zich daar niets van aan en
zij kamden het huis uit, maar de prins zag zijn prinses nergens. Hij liep naar Snelalsdewind en zei verdrietig: ‘Ze is hier niet vriend, waar kan ze toch zijn?’
Snelalsdewind dacht even na en zei toen: ‘Appelen groeien aan bomen, we moeten naar het bos en het aan de bomen vragen..’
‘Een geweldig idee kerel!’ zei de prins en hij klopte zijn kameraad op de schouder. Ze galoppeerden naar het bos en stopten bij een berkenbosje. ‘Zeg op berk,’ begon de prins. Waar zijn hier de appelbomen?’ ‘De appelbomen?’ Dat zijn lui daar praten wij liever niet over, dat zijn niet ons soort mensen, vraag het maar aan de heidestruiken.’
Ze reden verder over de heide. De appelbomen zijn aan de horizon,’ zongen ze. ‘Zoek je iemand?’ ‘Ik zoek een prinses,’ zei de prins.
‘Er is daar wel een meisje,’ zei de jongste struik. ‘Ze is altijd alleen en heel zielig. Ze wordt geholpen door een paar bijen, maarof dat de prinses is, weet ik niet.’
Nu reden de prins en zijn paard Snelalsdewind nog sneller als de wind door het grote woud, tot dat ze appelbomen zagen en daaraan hingen vele rode appeltjes te gloeien in de zon.‘Goedenavond,’ zei de prins en hij nam zijn hoed af. ‘Kunnen jullie mij vertellen of hier ook wel eens een meisje komt?’De appels spraken door elkaar: ‘Een meisje, hier? Ja, soms, nee, altijd…’
‘Alstublieft, niet allemaal tegelijk!’ zei de prins. ‘Waar is ze?’
‘Ze slaapt in een holle boom, samen met de bijen,’ zei een klein appeltje met een grote bult op haar kin. ‘Waar kan ik die boom vinden?’ riep de prins opgewonden. Toen sprak Snelalsdewind: ‘Prins, ik hoor een gezoem in mijn oor..’ De prins hoorde het nu ook. Het kwam dichterbij. Plotseling hing een zwerm bijen, voor hem in de lucht. ‘Ga weg hier!’ zei een bij met een lapje voor zijn oog , zodat hij leek op een piraat. ‘Ga hier weg of ik steek!’ ‘Ik kom in vrede,’ zei de prins.‘Niet steken!’ riep Snelalsdewind, ‘we komen voor de prinses!’
‘Voor wie?’
‘Voor de prinses, het schoonste meisje van het land!’‘Als u het meisje bedoelt dat Donna heet, luister dan goed: zij is geen prinses en zij blijft hier!’De prins zei: ‘ Bij, ik heb haar gezien in een appel die glom als een spiegel. Zij is het mooiste meisje op aarde en ik wil met haar trouwen.’ Hij gaf zijn paard een tikje en ze probeerden om de zwerm bijen heen te rijden. Dat liet de piraatbij niet zomaar gebeuren. Hij vloog achter de prins aan en de andere bijen met hem. ‘Houdt hem tegen!’ riep hij. ‘Hij is de boze stiefmoeder die is veranderd in een prins!’ Dat was natuurlijk helemaal niet waar, maar de bijen geloofden de piraat wel allemaal. De troep vormde een speer en vlogen achter de prins en Snelalsdewind aan die maar door en door renden, langs velden, over sloten, door donkere bossen, in regen en hitte, tot de zon onderging en het donker werd. Achter hen hoorden ze geen gezoem meer. ‘Ze zijn weg, prins!’ riep Snelalsdewind.
‘Ze moeten slapen als het donker is,’ zei de prins. ‘Ze zijn uitgeput.’
‘Wij ook,’ hinnikte het paard en hij voelde zich moe, heel moe na de spannende vlucht. Wat was hij bang geweest in zijn bips gestoken te worden door een stel boze bijen!
De prins zat onder een appelboom en dacht aan de prinses. ‘Ik vind haar nooit meer,’ huilde hij en daarom merkte hij niet dat er een kleine fee aankwam vliegen. Ze had rode appelwangetjes en een roze puntmuts op een blauwe jurk. Ze landde op een tak van de appelboom en sneed een appel los. Ze wierp die op het hoofd van de verbaasde prins, die heel hard: ‘Au!’ riep. ‘Stel je niet zo aan prins!’ lachte de fee. ‘Je hebt met draken gevochten. Hier, prins, hier heb je een rode doek om je tranen te drogen.’ En ze liet zachtjes een rood doekje naar beneden fladderen. Toen sprak ze de woorden:
‘doekje, doekje, rood als bloedgeef de prins kracht en moed!’
Toen vloog ze weg en liet de prins verbaasd achter. ‘Je moet deappel eens oppoetsen,’ zei Snelalsdewind. ‘Wie weet zie je deprinses wel!’ De prins begon hard op de appel te poetsen en in despiegel zag hij… de prinses! Ze lag in een boom te slapen! Een boom met een rood deurtje en een hartje erop gekrast. Plotseling hoorde hij zware voetstappen en hij voelde dat de grond ervan trilde.
‘Wat is dat Snelalsdewind?’Snelalsdewind stak zijn neus in de lucht en riep met een trillende stem: ‘Een beer, prins, ik ruik een beer en hij is heel dichtbij!’ ‘Er achteraan, Snelalsdewind!’ riep de prins. Ze reden in de richting van de geur en bij een open plek in het bos stopten ze. Ze verscholen zich in de struiken en toen zagen ze hem: Een echte, grote, dikke, bruine beer, die snuffelde en iets leek te ruiken. Hij was daar zo druk mee dat hij hen gelukkig niet in de gaten had! De beer bleef stilstaan bij een boom waarin een rood deurtje en een hartje zat. Hij bonste op de deur en een stem riep: ‘Wie is daar?’
‘De prinses!’ riep de prins. Nu kwamen uit het bos ook de wakker geworden bijen tevoorschijn, die de beer probeerden weg te jagen, maar die trok zich daar niets van aan.
‘Geef me de honing!’ riep hij. ‘Anders ga ik je opeten, met huid en haar!’ Toen stormde de prins op de beer af en sloeg hem met zijn zwaard . De beer draaide zich om en probeerde hem te pakken, maar Snelalsdewind trapte hem met zijn achterste hoef op zijn tenen en toen werd het de beer teveel en ging hij er jankend vandoor. Het deurtje ging open en het meisje stapte trillend uit de holle boom. ‘Dank, mijn prins,’ snikte ze. ‘Dank je duizendmaaldat je mij gered hebt!’ ‘Mijn appelpoester,’ snikte de prins. ‘Eindelijk heb ik je gevonden!’ Ook Snelalsdewind huilde toen zij elkaar in de armen vielen.
En toen ze een dag later trouwden, waren de bijen daar ook bij aanwezig. De koning zat breedlachend naast haar vader naar het jonge stel te kijken en sprak tegen een dame met een roze hoed en een blauwe jurk: ‘Hij, mijn zoon, dat is mijn oogappel, maar dat meisje, dat is prachtig hè? Wat een wonderschone prinses!’
‘Ja,’ lachte de lieve fee. ‘En ze verdient dat er van haar gehouden wordt.’ Toen vloog ze op en kwam nog eenmaal langs de boze stiefmoeder en haar dochters die opgesloten zaten in het kasteel van de koning en voor straf duizenden appels schillen voor de appelmoes moesten schillen. Ook zag ze nog eenmaal het jonge paar dat elkaar voor het altaar kuste en straalde, ja, de prins en de prinses? Die leefden nog lang en gelukkig!
Een sprookje geschreven in 2012, opgenomen in de bundel: de appelpoester met illustraties van Paddy Eline
Bommeltje, mijn vijf jaar oude katertje, ligt ’s avonds vaak bij me, als ik op de bank zit. Ik ben een brave burger, die zitten ’s avonds op de bank.
Bommeltje, de rossige macho, snort niet veel. Hij kruipt tegen me aan. Hij heeft kleine pluimpjes op zijn oren.
Bommeltje doet zich stoer voor, maar toen hij eens op een ochtend naar buiten huppelde, raakte hij in paniek en begon te miauwen alsof hij zwaar gewond was. Ik probeerde hem te pakken, maar het lukte niet, hij dook weg. Oren plat, buik tegen de grond. Ik viel voorover, scheurde daarbij een broek en verdween tussen de coniferen.
Bommeltje kwam een dag later dodelijk vermoeid aanslenteren. Hij sliep daarna 48 uur aan een stuk. Wat heeft hij gedaan? Een juf van school zag hem jankend bij een tunneltje scharrelen en ik aanschouwde hem rond elf uur ’s avond met zijn neus voor het raam. Toen ik dichterbij kwam, was hij alweer verschwunden.
Bommeltje is al eens bij een ander baasje geweest (of moet ik zeggen: hij had ander personeel?) maar het klikte niet tussen hem en die tweevoeter. Die was teveel weg en Bommelidus houdt van onbeperkte aandacht.
Kijk hem fanatiek doen als ereen poesje in de tuin loopt. Blazen, grommen en raak hem niet aan, want hij ziet je niet.
Bommeltje is niet agressief. Hij is een lieve ‘het’, een halve Devon Rex. Zijn moeder was een echte Devon en zijn papa een knappe jongen uit de buurt.
Wacht even, hij is weer boven op de kapstok geklommen. En daar gaat hij! Met alle jassen achterover! Wat een bende. Kunnen de winterspullen en handschoenen meteen naar zolder. Goed gedaan Bommel. Wandel nog een keer over mijn toetsenbord. Weet je dat je dat toetsenbord een keer helemaal ontregeld hebt? Er moest een nieuwe in worden gemonteerd, kostte honderd euro, boef.
Een volgende keer vertel ik over je broertje Sammie. Ook zo’n lief, klein monstertje.
Planten in huis? Geen goed idee. Ook de kerstboom is van plastiek.
De man in Nederland wordt langer en langer – waar houdt dat eens op?- en dus ook hun handen en voeten. Ze leven op grote voet. Kleine jongens hebben al maat 45 en grote jongens minimaal maat 50. Ik ben blijven steken op maat 39. Dit is het gemiddelde van ouders die heel lang en heel kort zijn. En dat geldt ook voor hun voeten. Zeeschuit en smurfenschoentje. En ik ben er tussen gebleven.
En daarom vind ik bijna nergens een geschikte schoen. Ze zijn altijd te groot. Voor een geschikte loper zal ik naar Turkije of Griekenland moeten. Wel een goeie smoes daarheen af te reizen. Ook de meeste ouwemannenpantoffels zijn te groot. Ik zocht een paar wondersloffen om bij de haard een pijpje te smoken en te mijmeren over despoken van het verleden. De verkoopster wees naar een rekje ergens achter in de verlaten zaak. Daar stonden gouden muiltjes voor lieve paaldansende prinsessen van veertig.
Vandaag was ik in de winkel om mijn kabouterslippers op te halen. Er waren ballonnen in de shop en ik werd onthaald alsof ik een voetbalvedette was op jacht naar speciale kicksen. Er stond een schaal met koekjes klaar en thee. En ja, ik zou een cadeautje krijgen. Maar nee, deze ontvangst was niet op mij gericht. Het was een actie om de stenen winkel te sponsoren. Want de mens van nu koopt zijn stappers online. ‘Het gaat moeilijk,’ zegt de verkoopster. ‘Daarom deze actie.’ Ik wil wel positief blijven en ik lach beleefd. Maar iets zegt me dat het lastig gaat worden. De piepjonge verkoopster zet alles op de toonbank: de schoenen, een cadeautje, een kortingsbon, en nog een kortingsbon voor een ondernemer in dezelfde flink opgeknapte straat. Dus ik vermoed als ik daar ga winkelen dan een kortingsbon krijg voor de schoenenzaak. Dat kan lucratief worden. De verkoopster wordt goed bekeken door de oudere verkoopster. ‘Ja, het is niet eenvoudig,’ zegt ze. “Je moet veel leren.’ Ik ga naar buiten en het weer is prachtig. Ook de straat is een feest om te zien. Er lopen veel mensen ontspannen rond. Ik probeer me een straat voor te stellen, in mei, op een zonnige dag, zonder winkels. Het zal ook stiller worden. De mensen allemaal aan hun beeldscherm gekleefd. Dat lijkt me niet te kloppen. Mensen zijn sociale dieren. Wat de winkelier deed was dus heel goed: verleiden met een koekje en een drankje. Misschien kan de bouwmarkt een biertap plaatsen? In de bibliotheek is ook al een restaurantje geplaatst. Want in Nderland wordt zowel de man als de vrouw langer en langer, maar ook luier en luier. Ik doe een gebedje voor de kleine, gespecialiseerde winkelier dat de mensen weer meer uit hun huizen zullen gaan om op een normale manier contact te maken.
Een oude telefooncel, weet je nog? Snel verdwenen ze uit ons leven, geen kwartje meer op zak, voor het geval mocht het nodig zijn, altijd een kwartje op zak.Deze staat op station Maliebaan.
Verslag van een telefoongesprek uit het verleden met een onbekende
Vooral in het verleden werd ik nog weleens gebeld door wildvreemden met de gekste verhalen of opmerkingen. Ze bellen nu niet meer, deze gekkies zijn natuurlijk actief op het web.Voorbeeld:
‘Hoi Sjoerd.’
‘Eh.. met wie?’
‘Met Henk.’
‘O.. ik ken je niet.’
‘Geeft niet man, luister gast, wil jij volgende week 50 rooitjes verdienen?’
‘Nee, hoe zo?’
‘Hoezo nee?’
‘Nou Gerard..’
‘Henk, geen Gerard, ik heet Henk..’
‘Goed Henk, maar hoezo 50 rooitjes verdienen?’
‘Jij hoeft niet veel te doen Sjoerd, het geld rolt zo jouw kant op.’
‘Van mij hoeft dat niet Wim, ik ben gelukkig zo, wat moet ik met al dat geld?’
‘Je bent gek als je het niet doet.’
‘Wat ga ik dan doen?’
‘Luister doe gewoon niet zo raar en doe mee.’
‘Ik ben liever raar.’
‘Luister Sjoerd, jij bent echt raar, maar goed, je moet het zelf
weten. Jij krijgt dikke vette spijt, hele dikke spijt.’
“Zal wel.’
‘Effe iets anders, ik heb een leuk pitje voor jou.’
‘Een pitje?’
‘Een pitbull sukkel. Vijf maanden oud, voor jou voor
tweehonderdvijftig gulden. Nou, een koopje, wat zeg je daar
van?’
‘Mijn aardappels staan op.’
‘Je bent gek als je het niet doet.’
‘Jezus, de pan begint te roken.’
‘Weet je wat jij doet Sjoerd, je bekijkt het maar, ik kom nog
een keer terug als Rambootje groot is.’
‘Is goed man.’
‘Is zeker goed. Je bent raar. Je bent echt helemaal gek.’
Vorig jaar heb ik meegedaan aan project namen en nummers. Dit is een herdenkingsprogramma voor holocaustslachtoffers. Je kunt het vinden op www.namenennummers.nl.
Ik schilderde een bordje voor een meisje uit de gemeente Alkmaar. Zij heette Engeltje en is met haar familie in 1943 weggevoerd naar kamp Sobibor en daar op de dag van aankomst vermoord.
Engeltje woonde in een rustige straat in het centrum van Alkmaar. Voor de deur liggen nu vijf herdenkingsstenen. Eentje voor haar vader en haar moeder, een voor haar zelf en twee voor haar broers.
Ik heb ter herinnering een gedicht over de familie geschreven dat ik hieronder zal plaatsen. Ik heb dit vorig jaar ook gedaan, maar ik vind dat je de boodschap, die belangrijker is dan de literaire waarde, niet vaak genoeg kunt herhalen.
Henk Blufstra leest graag sprookjes. Hij was allang geen kind meer, maar hij vond het fijn om over elfen en prinsen en prinsessen te lezen.Op een avond zat mijnheer Blufstra nog even in zijn favoriete stoel bij het raam dat uitzicht bood over de tuin. Het was zo’n zeldzame zachte avond.In de verte speelde iemand een sonate op een piano en de klanken rolden zo teder. O, en alles rook zo zoet, het was zalig daar te zijn.
Hij dommelde een beetje in, toen er plotseling een reuzenbij zijn kamer inkwam zweven. Het was echt een hele grote bij, van zeker drie meter lang en twee meter hoog, met erg grote ogen en vooral een erg grote bek.Mijnheer Blufstra schrok zich rot. Hij stond op zijn stoel en riep: ‘Pssst! Ga weg! Ga weg!’ en hij wapperde met zijn handen. Maar daar was de reuzenbij niet gevoelig voor… ‘Ik ga je steken!’ siste hij. ‘Akelig mannetje!’
Mijnheer Blufstra hoorde stemmen om hem heen. Het waren joelende cowboys met grote hoeden en laarzen en pistolen. Eentje schoot een gat in het plafond en de anderen riepen: ‘Yiehoe! Vang hem Blufstra! Vang hem!’ En ze gooiden hem een lasso toe waarmee ze normaal hun koeien vingen.Mijnheer Blufstra kon hem nog net op tijd vangen, want de bij boog zijn enorme kop en ramde hem omver. Henk Blufstra stond echter snel op encirkelde met de lasso, hoewel hij niet goed wist hoe dat moest. De bij draaide zich om en probeerde hem met de angel te prikken. Henk dook weg en rolde door het zand. ‘Mis!’ riep hij. ‘Walgelijk type!’Hij cirkelde nog eens met de lasso en de lus schoof over de angel. MijnheerBlufstra trok uit volle macht en ook de bij trok uit volle macht, maar dan de andere kant uit, dat begrijp je.De cowboys joelden en juichten en de whisky ging gretig van hand tot hand.Ook gooiden ze volop met dollars om te gokken wie er zou winnen.
Mijnheer Blufstra zag rood van de inspanning. Zweet drupte van zijn voorhoofd. Ook de bij spande zijn kaken en trok … en mijnheer Blufstrascheurde bijna uit zijn hemd.. en toen .. en toen .. krak! Daar sprong de angel uit het lijf van de bij en door de schok tuimelde mijnheer Blufstra achterover. De bij vloog met zijn kop tegen de breedbeeldtelevisie en bleef eventjes bewusteloos liggen.
De cowboys lachten heel hard en liepen vloekend weg.
Henk Blufstra stapte op de bij af, tilde hem op, met al zijn kracht, en duwde hem uit het raam. Het beest duikelde eerst naar beneden, maar vlak voor hij op de grond was, vouwde hij zijn vleugels open en vloog weg als een zwarte schaduw tegen de roder wordende zon. Blufstra veegde het zand bijelkaar, deed dit in de vuilnisemmer en zag toen de angel liggen. Wat een lang ding, met een hele gemene, scherpe punt was dat! Wat had er niet kunnen gebeuren met hem als het beest hem daarmee gestoken had! Hij wierp ook de angel uit het raam en die verdween in het water van de gracht.
Zijn vrouw kwam thuis van haar zangkoor. Snel ging hij in zijn stoel zitten of er niets gebeurd was.‘Dag schat,’ zei ze. ‘Wat heb je rooie wangen? Heb je koorts?’‘Nee hoor,’ zei hij.‘Heee … !’ wees ze. ‘Wat is dat nou?’ ze pakte de lasso beet. ‘Een lasso. Wat leuk. Hoe kom je daar aan? Ga je cowboytje spelen?’Ze geeuwde. ‘Het was gezellig, maar warm vanavond op het koor. Ik neem nog een glas water en dan ga ik naar bed. Zie je zo schat!’Ze vertrok en hij stond op. Hij sloot het raam en zag de bij niet meer. Het was donker. Hij rook nog even aan de zoete geur van de zomer.
‘Waar zou de bij gebleven zijn?’ dacht hij hardop. ‘Naar de eerste hulp, denk ik.’ Hij zag in een hoekje van de kamer nog een bergje geld liggen.Dollars van de cowboys! Even voelde hij zich opgewonden, maar toen zag hij het alweer: nep dollars, dat kon ook niet anders op zo’n sprookjesachtige, zomerse avond.
‘Ik kom eraan schat!’ geeuwde hij door het kogelgat naar boven.
En omdat ik nu al 13 jaar met mijn geliefde ben, nogmaals mijn vertaling of hertaling van het liedje ‘She’ van Elvis Costello die het weer stal van Charles Aznavour, want beter goed gejat dan slecht geschreven. Zij dus.