Het geeuwkasteel

Heel lang geleden lag in een grote nieuwbouwwijk, in een afgelegen provincie een klein kasteel met vier rode torentjes. Het was een kasteel dat lang geleden door een hele vervelende oorlogszuchtige graaf was gebouwd om zich te verdedigen tegen andere vervelende graven. Het kasteel was door de eeuwen heen blijven staan, omdat de mensen geen zin hadden om het af te breken. Zoals in de omliggende wijk, gebeurde ook in het kasteel niet veel. De hertogen waartegen oorlogen moesten worden gevoerd, waren overleden en spookten hinderlijk, vooral ’s nachts door de ijskoude, kale vertrekken. De overheid vond dat het kasteel een monument was en besloot daarom een koning en koningin aan te stellen. Ze mochten helemaal niets beslissen, zoals alle koningen en koninginnen van vandaag, maar ze hadden gratis kost en inwoning. Dus vele mensen meldden zich aan en er werden twee kandidaten uitgekozen van wie men weinig weerwoord verwachtte. Ze zagen er bovendien goed uit en ze waren uitgesproken lui. Ze kregen een werkelijk monsterachtig grote televisie en een bank met een anti-doorligmat.

Zo lagen zij de hele dag humeurig op de bank naar te kijken. Hun namen werden niet bekend gemaakt. Wij kunnen stellen dat zij nooit een programma konden waarderen, maar zij keken eigenlijk toch het liefst naar bewegende beelden. Naast het kijken was hun enige beweging het bewegen van hun kaakspieren: zij geeuwden de gehele dag. “Huh,” geeuwde de koning en hij krabde aan zijn achterwerk. “Huh,” geeuwde de koningin en zij peuterde tussen haar kiezen. “Weer niks op tv,” zuchtte de koning. De koningin van de nieuwbouwwijkers kon haar ogen niet meer open houden. Toen gebeurde er na drie maanden vervelen een niet in het scenario opgenomen voorval. Er werd op de poort van het kasteel geklopt. Driemaal. Hard. De koning keek even op. Legde daarna zijn hoofd weer neer. “Er wordt geklopt, liefje,” geeuwde de koningin. ‘Dat zijn de geesten van de slotgracht,’ fluisterde hij. ‘Stond in de informatie die we kregen. Toen jij zat te bellen met je moeder.’ ‘Maar geesten komen niet overdag, het moet iemand anders zijn, misschien een monster.’ En zij beefde met haar onderlip.

Een lakei trad op hen toe. Ook hij was in dienst van de gemeente en vond het een waardeloze baan. Voorheen had hij op de vuilniswagen gestaan, maar een robotauto was goedkoper en daarom was hij overgeplaatst naar het paleis. Hij kreeg een kostuum waartegen hij wild had geprotesteerd. Nu droeg hij alleen het kakelbonte, roodoranje jasje bovenop een gescheurde jeans. Hij had dreads, dus leek helemaal in geen opzicht op een lakei. Daarbij had hij op zijn neus een merkwaardige bril met blauw montuur.  “Er staat een man aan de deur Sire. En hij wil muziek maken. Voor u.” De koning wuifde met zijn hand. “Weg, huh,” gaapte eruit zijn muil. ‘Ik mag hier niemand ontvangen. Dat zijn de regels.’ De lakei ging mopperend weg. ‘Ik vraag mijn ww aan. Ik ga gif doen in jullie bier, net zoveel dat je niet doodgaat, dan word ik ontslagen, krijg ik mijn uitkering en ga ik thuis ook op de bank liggen. Varkenskloten.’ ‘Je doet maar, tokkie,’ zei de koning. ‘Ga nou maar, ouwe gek. Ze wachten op je.’ De lakei vloekte zich een weg door het kasteel. En even later kwam hij terug. Terwijl hij in zijn neus peuterde en de pulk opat zei hij: “De eikel aan de deur laat zich niet wegsturen. Hij zegt dat hij niet eerder weggaat dan dat hij de  tomeloze verveling heeft verdreven.” Maar de koning luisterde niet. En ook de koningin luisterde niet. Zij waren allebei in slaap gevallen. De lakei haastte zich terug naar de poort. Hij vertelde aan de zanger dat de koning geen interesse had in zijn gezang. Maar de zanger zei: “Ik ga niet weg.” En hij pakte zijn gitaar en begon een lied te zingen. Helemaal alleen stond hij  daar te musiceren. Hij was een singer-songwriter die vroeger heel bekend was, maar in zijn lange loopbaan had hij zijn vrouw, zijn kinderen, zijn manager, zijn boekhouder, zijn moeder en zijn hond bedrogen op honderd verschillende duistere manieren en nu was het verboden zijn naam nog ergens te noemen. Als om zijn ziel te zuiveren van zijn kwade daden, zong hij maar door. Zelfs zolang tot hij grijs begon te worden en een lange, grijze baard had gekregen. De snaren van zijn instrument waren versleten, net als zijn vingers. De koning en koningin waren inmiddels overleden. Omdat ze geen kinderen hadden gekregen, werd door de overheden gezocht naar een nieuwe koning. Ze vonden een jongeman die veel van windsurfen en discodansen hield. Hij maakte van zijn leven een groot feest, want hij had een steenrijke papa die niet teveel eisen aan hem stelde. “Wil jij koning worden?” vroeg  het oudste gemeenteraadslid, op het strand. “Ja hoor,” riep de jongen terwijl hij een backflip maakte. “Wat moet ik dan doen ?” “Niet veel,” zei de man somber. Hij was een eerlijk mens die altijd de waarheid probeerde te spreken en daarom had hij het niet gemakkelijk in de Romeinse arena van de politiek. “Da’s mooi,’ zei de surfer. “Dan hou ik tijd over om te surfen. Wat schuift het ?” “Kost en inwoning gratis,” zei de heer zuinig en een onkostenvergoeding..” “Yes!” zei de jongen en hij stak zijn hand uit. Een eigen home. Dat was een zeldzaamheid in deze tijd, zelfs voor een kind van een oligarch. Hij nam zijn intrede in het kasteel en merkte dat de televisie aanstond en dat er twee geraamtes op de bank lagen. ‘U moet hier verblijven,’ zei de politicus. Weggaan is niet de bedoeling, behalve buiten de diensturen.’ Derhalve moest hij hele dagen verplicht op een bank liggen en tv kijken. Hij bleek ook een stokdove lakei te hebben, die zich voortbewoog in een rolstoel. De oude had dreads en vloekte werkelijk verschrikkelijk, zodanig dat zelfs de nachtgeesten er over klaagden. Hij kon niet van slapen van hun krijsende gejammer. En zij gooiden werkelijk alles om. Potjes, vazen. Schilderijen werden van de muur getrokken. De spoken leken op hooligans na  een verloren voetbalwedstrijd. Alsof dit nog niet genoeg was, meende hij dat hij tijdens een frisse winternacht iemand horen zingen, het was een helse zang of iemand in de hel gebraden werd aan een spit.

De volgende morgen schreeuwde hij in het oor van de hoogbejaarde lakei, die hem zijn ontbijt en zijn aspirine bracht, wat dat nocturnische kabaal was geweest. De lakei schrok even van de vraag.  ‘Ellendig,’ zuchtte hij.  “Dat is die mislukte zanger, die zingt al zolang ik hier werk voor de deur. Afschuwelijk. Ik heb hem al tien keer in de slotgracht gegooid, maar hij verzuipt niet. Hij komt altijd weer boven.’ De interesse van de surfer was gewekt. Hij kleedde zich aan en opende de vermolmde poort van zijn geeuwkasteel. Daar stond dan die merkwaardige zanger. Hij was grijs, met haar tot op de grond. Hij was behangen met blaadjes, spinrag en schimmel. Ook zijn gitaar was bijna vergaan, maar toch zong hij door. Hij stak zijn duim op, net als een echte artiest en riep alsof hij publiek zag: ‘Dankjewel, dankjewel, dankjewel.’ “Dag zanger,” zei de jongen veel te beleefd en hij stak geen hand uit. “Zin in een pilsje ?” De zanger wist niet wat hij hoorde. Dat was voor het eerst in vijfhonderd jaar dat iemand hem iets aanbood. Hij ging in op het aanbod. Ze scharrelden naar binnen. Hij kreeg zijn bier en was zichtbaar blij.  Hij zei: “Dat is lekker, gave kerel ben jij. Je zorgt goed voor me.’  De jongen dacht dat nu het ijzer heet genoeg was om het goed te gaan smeden en afscheid te nemen van de gewielde 100- jarige, de wilde spoken en het langdradige leven. “Luister,” zei hij vastberaden.  “Wil jij nu koning zijn, als ik weg ben, je mag zoveel bier zuipen als je wilt. Pak maar uit de koelkast.’ “Toppie,” riep de zanger en hij ging op de bank staan. Die zakte direct door z’n poten.  De lakei verschoot van kleur. “ Ik moet weer verder zingen,” sprak de zanger. “Het is mijn leven,” en hij pakte de restanten van zijn gitaar en krijste een zelfgeschreven lied. Was het een toeval dat uit de beeldbuis een rookwolkje kwam ?

“Ouderdom,” sprak de jongen. Hij besloot niet langer af te wachten en het erebaantje gedag te zeggen.  ‘Eh, ik ga naar the beach, tot kijk.’ En hij was al weg. En hij kwam nooit meer terug. Hij surfde met een goede wind, naar een ver tropisch eiland en  trouwde met een onderdanige inlandse, die hem twee jaar later vermoordde met een bijl.

Maar de ‘koning’ zong en de lakei reed zichzelf de gracht in. Toen hij na dagen werd gevonden, onder een meerkoetjesnest, stierf de zanger, midden in een romantisch refrein. Hij bleef staan met een open mond en wijd open ogen achter zijn blauwomrande bril.

De mensen in de nieuwbouwwijk merkten het direct. De slager legde zijn mes neer en riep tegen een klant: “Het lijkt wel of dat gegil er niet meer is.” “Je hebt gelijk,” zei de klant, een wijkverpleegkundige, en samen gingen ze naar het geeuwkasteel. Daar stond de eeuwenoude deur wagenwijd open en vonden ze de zanger, rechtopstaand met zijn gitaar als een geweer voor zich uit. Dood als een pier.  “Het is een wonder,” zei de slager. “Het is een groot wonder,” zei de  vrouw. ‘En het is heerlijk. Wat een rust, ik heb al in geen jaren meer een vogeltje horen zingen.’

En zoals dat gaat in politieke gemeentekringen kwam er een commissie tot verder behoud van het geeuwkasteel en van de betreurde zanger. Men besloot de monarchie af te schaffen en van het kasteel een museum te maken.De overleden muzikant zorgde met zijn dramatisch verlopen leven en bijna eeuwige leeftijd voor een gevulde kassa. Vergelijk het met het ook weinig zeggende beeld van het plassende jongetje in Brussel. Daarom heen, in die buurt, wordt goed verdiend door een menigte winkels en horecabedrijven aan een beroemd beeld, waarvan eigenlijk niemand weet waarom het beroemd is.

Het werd erg levendig en bedrijvig in de wijk en vanuit de hemel keek de zanger gelukkig naar beneden. Hij had het leven teruggebracht onder de mensen, al duurde het  misschien wel wat lang. Wel vond hij het saai in het eeuwige hemelrijk en ergerde hij zich aan de lakei die steeds naar hem riep dat zingen nu echt alleen een zaak was van de engelen.

Engeltje den Hartog: slachtoffer holocaust

Bordje voor de herdenkingswebsite namen en nummers

Onlangs heb ik meegedaan aan project http://www.namenennummers.nl. Dit is een herdenkingsprogramma voor slachtoffers van de holocaust, waarbij men de slachtoffers meer wil laten zijn dan een nummer. Je kunt dit programma vinden op: www.namenennummers.nl.  Ik schilderde hiervoor een bordje gerelateerd aan een elfjarig meisje uit de gemeente Alkmaar. Zij heette Engeltje en is met haar familie in 1943 weggevoerd naar kamp Sobibor en daar op de dag van aankomst vermoord.

Engeltje woonde in een rustige straat in het centrum van Alkmaar. Voor de deur liggen nu 6 herdenkingsstenen. Een voor haar vader, een voor haar moeder, een voor haarzelf en drie voor haar zus en broers.

Ik heb ter herinnering een gedicht over de familie den Hartog geschreven dat ik hieronder zal plaatsen.

Toen de bel ging

Vader maakte het konijnenhok schoon,

moeder haalde Jacob uit bed.

Hij was haar jongste zoon,

de oudste zoon deed net,   

of hij een vliegtuig was,

met zijn armen uit elkaar.

En Engeltje zocht in haar tas,

een kam voor haar blonde haar.

Toen de bel ging

en ging en nog eens ging

en ging.

Een hand in leer,

een hoed, een mijnheer,

toen de bel ging

en ging en nog eens ging

en ging.

En het konijn zat in het gras,

moeder gaf Jacob een schone broek

en deed daarna de was.

De oudste zoon krijste een vloek,

want hij stortte op de vloer

en Engeltje deed een speldje

in haar haar en lachte even stoer.

Toen de bel ging

en ging en nog eens ging

en ging.

Een hand in leer,

een hoed, een mijnheer,

toen de bel ging

en ging en nog eens ging

en ging.

Het konijn stak zijn oren in de lucht,

moeder hield haar adem in,

slaakte daarna  een diepe zucht,

de oudste zoon kroop als een spin.

Jacob kreeg een extra deken om,

vader is stil blijven staan,

vluchten dacht hij: dat is dom

en Engeltje heeft rustig haar jasje aangedaan.

Toen de bel ging

en ging en nog eens ging

en ging.

Een hand in leer

een hoed, een mijnheer,

toen de bel ging

en ging en nog eens ging

en ging.

Engeltje, waar ben je gebleven?

Je was pas elf toen je verdween   

en de sporen van je jonge leven

zijn alleen nog zichtbaar in een steen. 

Ik kijk door de ramen

en daar in de tuin bij de fontein,

 huppelt een jochie samen ,

met een ander lief konijn.

Het raadsel van de ring van Maria (Tesselschade) Visscher

De plek op de Gelderse kade in Amsterdam waar Maria Tesselschade haar jeugd doorbracht. het is ook de plek waar veel bijeenkomsten waren met dichters als Hooft en Vondel. Deze plek is mogelijk niet exact. Dit is een eigen foto.

In de 17e eeuw leefde eens een vrouw die Maria Visscher heette. Omdat haar vader veel schade leed door een storm bij het eiland Texel, noemde hij zijn dochter Tesselschade. Vreemd? Ja, een beetje wel wanneer je je dochter naar een ramp vernoemt. Zo kende ik ook een vrouw die Mirz heette, omdat haar vader op het moment van de geboorte op een olietanker met die naam voer.

Deze Maria Visscher groeide op in Amsterdam met twee zussen en een broer. Bij haar thuis was het een gezellige drukte. Haar vader slaagde goed in de handel en had geld en tijd voor een lidmaatschap van een literair gilde, een club van mensen die gedichten maakten en voordroegen. In deze club ontmoette hij allerlei schrijvers, zoals Hooft en Vondel. Omdat hij een hartelijk man was, nodigde hij ze uit en zo leerde Maria  hen kennen. Uit de teksten die ze schreven, weten we dat ze onder de indruk van haar waren. Haar voorkomen, haar uiterlijk en haar zang deden de mannenharten smelten. Denk niet dat ze leek op een model als bijvoorbeeld Doutzen Kroes uit onze eigen tijd.

De 17e eeuwse mens had een heel ander idee van schoonheid. Een mooie vrouw was bijvoorbeeld mollig, liefst met een onderkin, en had een smalle mond. Bovendien was haar gezichtskleur wit. Kijk maar eens naar het portret van Saskia van Uylenburgh. Helaas bestaat er geen portret of gravure van Maria. Maar we mogen wel aannemen dat ze een rond en wit uiterlijk had. Ze wordt omschreven als een milde vrouw met een rustig en opgewekt karakter. Van veel aandacht hield ze niet.

Dit is een portret van Saskia, de vrouw van de schilder Rembrandt. Goed te zien is dat het gezicht wit is en niet zo slank als we nu zouden willen. Ook de mond is dunner. Ik heb de foto overgenomen van Historiek.

Toen Maria ouder werd, koos zij niet voor een dichter of een muzikant om mee te trouwen, maar voor een stoere zeebonk. Deze keuze deed hier en daar in de muzekringen wat wenkbrauwen fronsen, maar iedereen zag wel hoe gelukkig zij was met haar keuze. Vondel schreef een uitermate lang bruiloftsgedicht en ik hoop niet dat hij het helemaal heeft voorgedragen, want het is een slaapverwekkende lofzang op de schoonheid van de bruid.

Maria verhuisde met haar echtgenoot Allert Crombalgh naar Alkmaar waar zij een liefdesnestje in de Langestraat maakten. De zeeman vond het kennelijk geen probleem dat zij contacten had met andere mannen, aan wie zij lange brieven schreef. Misschien kon hij zelf niet goed lezen en vertrouwde hij het allemaal. Het was in ieder geval een unieke situatie. Geen enkele vrouw schreef zoveel brieven ook nog eens gevuld met gedichten. Hoe de tijdgenoten hierop reageerden of hoe zij over haar dachten, is niet bekend. Waarschijnlijk werd het huis in Alkmaar niet veel bezocht door de artistieke geesten. Maria reisde in de zomer naar het Muiderslot om hen daar te ontmoeten. Deze ontmoetingen hebben geleid tot mythevorming. Het was echter geen besloten genootschap, maar een los-vast verband van cultuurliefhebbers die in de zomer weleens op het slot logeerden. Ook Constantijn Huygens, de secretaris van Frederik Hendrik, de stadhouder, was nu en dan van de partij en hij was geliefd. Toen hij eens plotseling wilde vertrekken, schaarden zeven dames in een kring om hem heen, om te voorkomen dat hij voortijdig weg zou gaan.

Toen Maria trouwde, kreeg zij een ring van haar man Allert Crombalg. Het was een ring met een blauwe diamant, een kostbaar geschenk. Zij droeg deze ring met daar bovenop een andere ring, een slotring, die moest voorkomen dat de trouwring van haar vinger  zou glijden.

Dit is hoe de diamanten ring van Tesselschade eruit zag. Er bovenop zit een stopringetje. De foto heb ik overgenomen de pagina van het Stedelijk Museum Alkmaar

Dat is helaas voor Maria, toch gebeurd. Tijdens het eten van een vette kip is de ring afgegleden, in een servet terechtgekomen en bij het huishoudelijk afval geraakt. Dit afval is daarna in de beerput gestort, de vuilnisbak van vroeger. In die vuilnisbak werd alles gedumpt wat het huishouden kwijt moest: keramiek, botjes, noem maar op.

Een aantal eeuwen later brandde in de nieuwjaarsnacht van 2015 een pand in de Langestraat te Alkmaar af. Dit was een enorm verdrietig verlies voor de winkeliers. Archeologen doken er ook nog eens bovenop, zij wilden graven en een vreemde wet bepaalde dat de ondernemer dan de opgraving zelf moest betalen. Het ministerie schoot te hulp en betaalde het onderzoek.

Enige maanden later werd bekend gemaakt dat er bijzondere vondsten waren gedaan op de plek van het afgebrande huis. Er was een ring gevonden die zou kunnen toebehoren aan Maria Tesselschade. In een beerput. Hoe ging dat onderzoek in zijn werk? Wel, de archeologen doorzochten alle blubber uit de put op minitieuze wijze. Daarna werden de vondsten onderzocht door specialisten. Zo werd de ring onderzocht door een kenner op het gebied van oude sieraden en slijpwijzes. Hij constateerde dat de ring geslepen was op een manier zoals die gebruikelijk was aan het begin van de 17e eeuw.

De archeologen concludeerden vervolgens voorzichtig dat dit wel de ring van Tesselschade moest zijn. Hoera! Een concreet object, een voorwerp dat iets met haar leven verband hield. Dat was een unieke vondst, een geschenk van boven, hoe sneu ook voor de gedupeerden van de brand.

Bij mij rees de overbodige vraag, maar ik ben nu eenmaal verslaafd aan overbodige vragen, hoe de ring in de beerput kon komen en kon blijven. Stel dat u een kostbaar sieraad bij u draagt en u raakt dit op enig ogenblik kwijt. Dan lijkt het mij dat u dan daarna de meest logische verklaringen voor de vermissing gaat zoeken. U gaat denken: de ring ben ik buiten verloren, de ring is gestolen, of: laat ik gaan zoeken in de beerput, wellicht is hij daarin met het huisvuil verdwenen. Waarom heeft zij dit niet laten onderzoeken? Dat vind ik een raadsel.  Met enig zoeken – met de  neus dicht- in het afval was het object naar alle waarschijnlijklijheid snel gevonden. Misschien was Maria  te moe en te zwak om te gaan zoeken. Zij was half blind door een ongeluk in een smederij. Terwijl zij daar wachtte op een bestelling, misschien op een nieuw slot, raakte een metalen splinter haar linkeroog en kon zij met dit oog niet goed meer zien. Ook was zij aangeslagen door het overlijden van haar jongste kind, dat op haar schoot haar laatste adem uitblies, op negentienjarige leeftijd.   

Maria Visscher zal veel verdriet om het verlies van de ring hebben gehad, omdat deze een geschenk was van haar overleden man Allert. Aan de andere kant komt uit de beschrijvingen over haar persoon ook een trotse vrouw tevoorschijn die boven het lot wilde staan.

Nu staat haar beeltenis op de hoek van een park in Alkmaar. Het is een fantasieportret, maar dat geeft niet. De trots en het zelfbewustzijn stralen er geod van af. Maria’s blik glijdt over de rand van Alkmaar, daar waar de stadsmuur stond, naar het buitenhuisje van haar zuster Anna. Dit huis heet Bellevue en staat aan de Kennemerstraatweg.  

Als ik naar het beeld van Tesselschade kijk, denk ik niet zozeer aan de twintig gedichten die ze achterliet en het handjevol brieven. Ik denk meer aan het lot dat haar trof: haar man en haar oudste kind overleden op een enkele dag na elkaar. De vrienden van Maria wisten niet goed wat ze zouden zeggen. Maria schreef aan een van hen, Hooft: ‘Hoe het wrange noodlot door een dolle herde slach (in teycken noijt smart alleen komt over dien Godt beproeven wil) myn gedult op lydens toets-steen op het uyterste getoetst heeft, sullen eervaeren gedachten leevendigher sich kunnen in drucken als myn pen uytdrucken kan’. (Worp, p.130) Dit wil  zeggen :  ik word zwaar op de proef gesteld, en meer dan mijn pen kan uitdrukken.

Bronvermelding::

J.A. Worp, 1918  Een onwaerdeerlycke vrouw, brieven en verzen van en aan Maria Tesselschade, Den Haag: Martinus Nijhoff  

Het zonnetje in de teststraat

zaterdag 26 maart Alkmaar Teststraat GGD

Gisteren in de teststraat van de GGD. Je mag op een stoeltje plaatsnemen. Je moet je id bewijs laten zien. Er komt een volledig ingepakte medewerker uit een tentje op je af. Blauw plastic, beschermbril, handschoenen. Je mag je mond open doen, dan gaat het swopje erin.

En als je daar zo ligt en de swop door je neus naar je hersenen wordt geboord, valt je tranende oog op het bord achter de jonge medewerkster. Tenminste, ik denk dat ze jong is, te oordelen aan haar stem. Iemand, ik denk een collega, heeft haar een boodschap cadeau gegeven, als steun in de rug. Wat een leuke actie. En een prachtige tekening van een medewerkster met een spuit. Daarnaast een authentieke auto. Klopt voor mij niet, ik kwam op de fiets.

Foto van een gevlucht meisje

Foto van een gevlucht meisje, februari 2022

Ze slaapt en ze draagt een roze muts. Ze ligt met haar hoofd op een witte koffer.

Ze is een jaar of zeven. Denk ik. Ik zie haar moeder niet. Of is dat de vrouw

daarachter?

Het is goed eens heel precies naar een foto te kijken.

Er is een berg aan foto’s en video’s, maar hoe goed kijken we?

Het kind slaapt, ze moet heel moe zijn. Ze heeft een jas aan, een bruine jas met

een kraag. Ze ligt op haar rechterzij. Ze draagt een donkerblauwe spijkerbroek

en heeft haar linkerbeen opgetrokken.

Haar gezicht is ontspannen, maar in haar dromen, zo vul ik dat in, rommelt het.

En ze droomt:

Van doffe dreunen, paniek, spullen pakken, mama’s hand, kom op, je jas aan, je

hamster in een doosje doen. Snel naar de auto. En papa doet het portier dicht

en mama rijdt. Waarom gaat papa niet mee? Daarom moet ze huilen. Ze wil

naar hem zwaaien, maar dat kan niet. Ze rijden. Ze staan stil. De auto uit. Naar

een station. In een overvol rijtuig. Een aardige,  oude  mijnheer geeft haar

snoepjes.

Vliegtuigen in de lucht, dan is iedereen even een moment bang. Waar gaan we

heen? vraagt ze. Maar ze krijgt geen antwoord en dan heel veel later, heel veel

later zijn ze op een treinstation in een vreemd land. Er zijn heel veel mensen die

dwars door elkaar lopen.  Jonge mensen, oude mensen. Huilende mensen.

Mama houdt haar vast. Dan ziet ze die witte koffer. Ze legt haar hoofd neer en valt in slaap.

Haar hamster zingt een Oekrains liedje voor haar:

Eendje op de rivier Tisyna

Eendje op de rivier Tisyna

eendje op de rivier Tisyna

moeder scheld me niet uit

moeder scheld me niet uit

als je me uitscheld in het donkerste uur

als je me uitscheld in het donkerste uur

wie weet waar ik dood ga

wie weet waar ik dood ga

Ik zal begraven worden in een vreemd land

Ik zal begraven worden in een vreemd land

wie graaft mijn graf?

wie graaft mijn graf?

Hoe kan ik er geen spijt van hebben zoon

Hoe kan ik er geen spijt van krijgen zoon

je lag in mijn hart

je lag in mijn hart

Bron: Katie Melua, Facebookpagina

https://www.facebook.com/katiemeluamusic/videos/703047420859887

Ze wordt wakker en mama trekt haar omhoog. Ze moet een bus in. Ze hoort een onbekende taal. Ze verlaten het station en waar de bus heen gaat, weet ze niet. Ze verdwijnen in het onbekende land.

De fotograaf kijkt op zijn scherm. Een slapend kind op een koude stationsvloer. Een onschuldige weggerukt uit haar veilige huis. Zij heeft niet gemerkt dat hij de plaat nam.  

En ik zal de foto, die op een pagina van Aljazeera stond, overnemen en ik vraag

u goed naar het plaatje te kijken en u te realiseren waar u naar kijkt. Want dat is de essentie van deze opname: het afschuwelijke noodlot dat onschuldige

mensen kan treffen. Geen ver- van- je- bed show, maar een nabije werkelijkheid, die vraagt om een dieper begrip en een bredere actie.

Ik plaats de foto hieronder, concentreer u en kijk goed wat u ziet:

Bron: Aljazeera

Dit gebeurde op het station van Przemysl  in Polen. Februari 2022

Zal ik morgen wakker worden (de laatste beving)

Het hoge land

Een oude man uit Groningen denkt aan het verleden en vreest de toekomst. Hij schrijft:

Ik sluit het raam, dat raam met een kruis,

voor langverdroogde planten

en doe het licht uit

mijn wollen sokken

hangen misdadig stinkend op een stoel

naast mijn kapiteinspet

en mijn broek vol zand en olie,

Ameland uit de tedere toren,

verlichtlichtverlicht een vissersschip,

in dit smalle bed ben ik geboren,

jij bent er nooit meer teruggeweest,

mooistemissnelly van Nieuweschans,

de zeewaddenwind rimmelt aan de stoffige ruitjes

het roestige hek kraakt,

en water lekt in de zinken emmers,

ja, van gejutte materialen, een schoen van een verdronken matroos, een net zonder vissen, een reddingsboei,

maakte ik een rokend schilderij voor jou

met benzine en de laatste lucies, op het strand, dat was het,

nee, omgesmoltenwegversmolten liefde, ingelijst aan de vermolmde houten keverwand, dat was het,

de pannen klepperen boven ons ooievaarsnest op Lauwersoog

en het Haagse gas zal gaan beven,

in Groningse klei,

zal ik morgen wakker worden,

ik zoek je linkerhand met de ring,

dan valt de muur op mij.

Boosterbootje

Vlissingen, najaar 2021

Boosterbootje

Jij zal altijd zijn,

mijn slimme, kleine kapitein,

als een grootzeil aan de mast in de wind,

als een modderplas waarin een kind

zoekt naar een booster op zee en roept:

‘daar, daar gaat dat schip, kijk dan: hee!’

Wat een wonder in water en zand,

het vaart naar de haven bij het hoge land.

En dat bootje wordt ons eigen huis

en daarmee reizen we met man en muis,

naar de dolfijnen in de oceaan,

ze dartelen en we zwemmen er achteraan.

Ik zal altijd zijn, meisje loos,

jouw hardwerkende matroos,

als een spinaker voor de boeg,

als een zeemanslied in een volle kroeg.

En dat boosterbootje wordt ons eigen huis,

en daarmee reizen we met man en muis,

naar de dolfijnen in de oceaan,

ze dartelen en we zwemmen er achter aan.

De sprong in 2022

bungeetoren Scheveningen foto: Sjoerd

De sprong in 2022

Ben je klaar voor de sprong?

Ga je het doen?

Blijf je staan

of krijg je spijt?

Doe je het voor te laat is

duik je van de toren

met het elastiek

aan je benen?

Ben je klaar voor de sprong?

De jump van je leven?

Alles doen wat je altijd al wilde doen?

Nou, go!

En laat me asjeblieft weten wat je gaat doen.