Pannenkoeken in Deutschland, restaurant Schachtbaude in Muldesstausee

Eerst ontving ik deze week een verkeerd geadresseerde mail uit Duitsland van het Arbeidsagentur. Die was bedoeld voor Frau Berg. Maar kwam bij mij. Ik heb in mijn beste Duits terug geschreven en daarna kreeg ik van Frau Denke een mail terug met ‘sorry’ en enige toeristische informatie over de streek, Muldesstausee, en het plaatselijke restaurant Schachtbaude, waarin men zich heeft toegelegd op het maken van een Hollandse pannenkoek. Want kennelijk heeft men de schoonheid en de smakelijkheid ondekt. De koks zijn er vijf dagen voor naar Nederland gereisd om het geheim te ontdekken, serieus. Zelf maak ik ze ook, met meel van molen de Engel, Koedijk. Mijn pannenkoeken zijn ook fantastisch! Toch benieuwd naar Muldestausee, het ziet er prachtig uit. Dit hieronder is molen de Engel.

Molen de Engel, niet mijn eigen foto, ik hoor graag van wie deze wel is…

Foto’s van Alkmaar, uit de oude doos (2)

Dit boerderijtje stond in Alkmaar, op de hoek van de Helderseweg Stationsweg. Het moest plat omdat ereen

tijdelijke voorziening voor de brandweer moest komen. Die brandweerlocatie is nu ook weg en nu is het een

lelijke plek. Vraag me niet naar het jaartal, het is wel een foto door mij gemaakt.

Dit is een locatie ter hoogte van de bocht naar de Frieseweg, gemaakt vanaf het pad aan de Hoornse vaart. ook deze foto heb ik zelf gemaakt, maar ik zou niet meer weten wanneer. Die schuit was mooi van lelijkheid. Nu is dezelfde plek erg kaal en zielloos. Dit vanwege het duurste fietspad van Nederland waarvoor de kade moest worden aangepast. En de boom weg moest.

Dit spookhuisje stond ergens bij het Zeglis, Denk ik. Ook de datum van de opname weet ik niet.

De foto’s die ik heb gemaakt, laten zien dat de stad snel verandert en dat je dan niet goed meer weet hoe het er ook al weer uitzag.

Geestmerambacht: de kracht van de stilte (en de bedreiging: de koe die gemolken gaat worden)

Vandaag maakte ik met Thijs een wandeling door Geestmerambacht, een recreatiegebied in de ouderwetse betekenis, dus weinig horeca, geen klimtorens, noem maar op. In deze voormalige zandput, met een diepte van 20 meter, kom je wandelen of fietsen. Als het warm is, kan je er zwemmen. Als je er wandelt, merk je hoe stil het er is. Ik kan weinig plekken in mijn omgeving opnoemen die zo rustig zijn. Er is een krachtige stilte, omdat het gebied gewoon het gebied is. Hoe belangrijk is stilte? Heel belangrijk denk ik. Stilte kan confronterend zijn, maar ook heilzaam, als een medicijn.

Het verbaast me niet dat er gemeentelijke plannen zijn om van dit gebied een dolle, bonte kermis te maken. Ik zag een promo-video, waarin gesproken werd over een hotel, een klimtoren en een flinke uitbreiding van de horeca. Het gebied wordt gezien als een koe die gemolken gaat worden. Dat zal flink wat mensen trekken, die geld meenemen. Prima voor de werkgelegenheid. Dat is hartstikke fijn, maar daar heeft mijn stiltegebied onder te lijden.

Dus ik zeg daar: ‘nee’ tegen. Ik begrijp de honger naar recreatie en naar inkomsten, maar dit gebied is op een andere manier zeer waardevol: de kracht van de stilte kun je er live, analoog ervaren. En dat moet zo blijven. Ik zet hier nog een paar foto’s onder ,die ik vandaag met de mobiele telefoon maakte. Ik ben onder de indruk van het kabbelende water, de woestgrillige wolkenpartijen en het zachtdiffuse licht.

Hier is gewerkt aan stukjes strand met een soort haventje. Een prima idee lijkt me.
Dit is de zogenaamde Kleimeer. Naar het zuiden.
De Kleimeer naar het noorden.
Als je op de deze heuvel klimt, zie je aan de achterkant de Kleimeer, dat is een heel oud gebied. Geestmer is ongeveer 50 jaar oud.
Vanaf de heuvel zicht op de voormalige zandput. Een afgraving waarmee zand werd gewonnen om onze huizen mee op te hogen.
Een supper, tegen de machtige wolkenlucht.

Een paar foto’s uit het analoge tijdperk (1)

Dat is wat, niet? Al die foto’s en dia’s die er nog moeten zijn, van voor de digitale revolutie. In mapjes, in lades, in kasten. Eerst zullen ze gescand moeten worden, daarna eventueel enigszins bewerkt. Ik zal er een paar tonen.

Dit is een foto van een dijkje in Volendam. Ik weet de datum niet. Toeristen vermaken zich bij een soort dijkhuisje.

Heb ik hier nu werkelijk achter deze mensen gelegen? Zelfde plaats als de eerste foto. Ik denk wel dat het lang geleden is.



Ook in Volendam. En dit is waar het om draait: vis, vooral paling. Het goud van het dorp. Maar ja: die paling kan steeds moeilijker de sloten en watertjes in zwemmen. Afgesloten met dammen en sluizen. Ze hebben getracht hem in gevangenschap te laten paren, maar dat wou de paling niet.

Een Spartaans tochtje met de stoomtram

Spoorlijn Hoorn- Medemblik

Gisteren…Een tochtje als tijdreiziger in een prehistorische stoomtrein van Hoorn naar Medemblik, zonder het moderne comfort. De locomotief is de bekende Bello, die van Alkmaar naar Bergen aan Zee reed. De trein piept en knarst, bonkt over de rails, er is stoom, er is lawaai. Er is geen comfort, behalve dat dak boven ons hoofd. Maar onze voorouders wisten niet beter. Het was al heel bijzonder dat ze zo snel van A naar B konden en weer terug. De meeste mensen liepen gewoon van Alkmaar naar Amsterdam, als ze er iets nodig hadden. In de winter moet het in de rijtuigen steenkoud geweest zijn.

Maar halverwege onze rit kwamen er buien. Eerst sloegen ze nog gezellig tegen de ruiten. Doch daarna spoelde het water door de openstaande deur naar binnen. Vanwege corona stonden de deuren open. Op onze banken, tafels, lag een plasje water. Koude wind joeg naar binnen en wij kregen het gevoel er een gratis boottocht bij gekregen te hebben.

Nu kon ik een huivering niet onderdrukken en ook de gedachte aan die goeie ouwe tijden lag onder vuur. Maar onze opa’s en oma’s reden tenminste met een deur die gesloten was. als ze natuurlijk al geld voor een kaartje hadden.

Hier nog enige foto’s van de tocht, die toch heel mooi en prachtig was.

Paard en vis

door R. Mahoney

Een aantal jaren geleden sprak ik in het dorpje Nijbroek in café de Arend, met een oude man, die eens onderhoudsmonteur was geweest in de omstreken van Gelderland. Zijn opa was verhalenverteller en veldwachter geweest. Veel van zijn verhalen speelden zich af op de Veluwe. Ik zette mijn recorder aan en luisterde. De man begon:

“Het paard waar ik het met jou over wil hebben is een bruin, jong en wild dier. Je kunt het niet beteugelen, daarvoor is het te onafhankelijk. In zijn drift naar vrijheid stampt het alleen over de heidevelden, hier bij ons in de buurt. Sommige schaapsherders en een enkele boer zeggen dat ze hem gezien hebben, maar zeker is dat niet. Het paard heeft geen naam, maar ik heb hem Libertas genoemd. Dat leek me een mooie naam voor zo’n mysterieus en krachtig beest. Vind je niet?

Hoe dan ook, het verhaal gaat hier in het dorp de ronde dat Libertas een ander paard zou hebben ontmoet. Een zwart paard, dat niet zo lief was en uit een kudde werd gezet, omdat hij andere paarden plaagde en sarde. De eerste ontmoeting was toen Libertas langs de maan vloog en landde bij een oude boerderij waarin een gierige boer woonde.

Daar trof hij het plaagpaard voor het eerst. Het stond daar de oogst zonnebloemen van die gierige boer op te vreten.

‘Hoi,’ zei Libertas stoer en nonchalant tegelijk. Het andere paard, dat ik voortaan Ares zal noemen, gaf geen

antwoord. Hij keek de ander loom aan. ‘Smaakt het?’ vroeg Libertas.

‘Bemoei je niet met mijn zaken,’ bromde Ares. Libertas liep naar hem toe en probeerde hem recht aan te

kijken. Hij was nooit bang voor iemand. ‘Jij eet de zonnebloemen van iemand en je vindt dat ik daar

niks van mag zeggen?’’ Ares nam een dreigende houding aan, klaar om een schop met zijn voorbenen uit te

delen. ‘En nu wil je mij nog schoppen ook?’ Ares was onder de indruk van de woorden. Hij liep achteruit

en zei: ‘Je bent ook een paard, laten we samen optrekken man.’

En dat deden ze. Ze aten nu samen van de zonnebloemen, en raasden door de tuinen van de deftige mensen

in ons dorp. Diverse mensen hebben dat gezien. Ze zagen een paard met een witte onderbroek op zijn

hoofd, voorbij razen. Vers van de waslijn. En ze renden dwars door het muziekkorps heen, toen dat

speelde op de verjaardag voor de deur van de burgemeester, omdat die jarig was.

Ze stalen appels op de markt, ze maakten herrie in de nacht, ze sprongen over slootjes en joegen achter

schapen aan. Maar op een ochtend, toen Libertas op zijn maat stond te wachten, merkte hij dat hij niet

zoveel zin meer had. En hij sprak dat ook uit, zo was hij.

Hij zei: ‘Hoi Ares, hoe gaat het?’ Ares hoorde aan de matte intonatie dat er iets was met zijn vriend.

‘Ja, jij ook?’ ‘Ik ga stoppen met die geintjes, Ares,’ zei Libertas en hij klapperde met zijn staart. “Ik ben er niet

de persoon voor.’ ‘Laf figuur,’ smaalde Ares.

‘Je zoekt het maar uit,’ Libertas deed of het hem niet kon schelen. Ares keek hem nog eens aan en liep toen

op een draf weg. ’Sukkel,’ brieste hij nog een keer.

Enigszins teleurgesteld over het verlies van zijn vriend, slenterde Libertas naar een vennetje, om te drinken. Het was een warme dag en hij dacht erover om naar de bejaarde paardenmanege te gaan, om te praten met de oude paarden. Hij stak zijn hoofd naar het water toen hij plotseling een vreemde verschijning gewaar werd. Het was een vis met een blauwachtige kleur. De vis had een staart, maar haar hoofd, romp en haar benen waren duidelijk van een paard. Het was een wonderlijke mix van vis en paard. Een onmogelijke ook, zodat Libertas meende dat hij dingen zag die niet konden kloppen. Het werd echt tijd dat hij met iemand ging spreken. Hij staarde naar beneden en zag dat het dier of wezen, wat het ook was, hem aanstaarde en breed lachte. Ze kwam plotseling boven het oppervlak, zodat er water op zijn snuit kwam. Hij schrok daarvan. Nog erger schrok hij van haar ogen. Het waren diamanten die in dat hoofd zaten. Ze fonkelden, ze twinkelden, ze tilden hem op en deden hem verlangen naar branden in het vuur van de zon, naar vliegen rond nooit ontdekte sterren en opgeslurpt worden – met haar- in een zwart gat.

Nou goed, hij was dolverliefd op dat plaatje, dat ook weer snel onder water verdween. Daarom ging hij iedere ochtend even bij haar kijken, zonder te weten wat hij er mee aan moest. Hij stelde wel voorzichtig vragen aan een oud wijs paard op de bejaarde paardenmanege, maar die gaf geen duidelijk antwoord. ‘Trouwen met een paard dat onder water leeft, dat is niet mogelijk,’ zei hij tenslotte. Maar Libertas was koppig en bleef iedere dag zijn ronde naar het vennetje maken. Op een dag had hij zelfs een kort gesprek met het vispaard. Ze kwam boven en zei:

‘Hoi, hoe heet jij?’ Hij zei: ‘Libertas en jij?’ Ze zei: ‘Alyssa,’ het was geen gemakkelijke naam.

‘Kom je, kom je weleens op het land?’ stamelde Libertas. Ze gaf geen antwoord. Schudde met haar lange,

bruine lokken. En ze dook onder en was weg. 

Maar toen gebeurde er iets. De volgende dag. Weer stond Libertas met zijn bakkes boven het water, toen er

achter hem een schaduw verscheen. Het was zijn voormalige vriend. Maar hij had het niet in de gaten,  hij

was zo geobsedeerd naar zijn vriendin aan het kijken. Zij keek hem weer aan met haar briljante, verleidelijke

kijkers. Een seconde later sprong de paardenplaaggeest in het water van de Oude Kreek en probeerde haar

te trappen. ‘Kreng!’ riep hij zonder enige reden. ‘Ik ga je doodmaken!’ Libertas was erg geschrokken. Hij zag

de schoppende bewegingen van de benen. Hij schreeuwde: ‘Stop!’ Hij hoorde het meisje angstig gillen.  Hij

trapte met zijn achterbenen en raakte het hoofd van de aanvaller. Toen was het voorbij.  Zij was weg,

gevlucht en Ares draafde de velden op, of er niets gebeurd was. Libertas ging hem achterna en trapte hem

tegen de flank. Ares vocht terug en zo vochten zij tot zij allebei en uitgeput ieder hun weg gingen.

Jaren gingen voorbij. Echt jaren hoor. Libertas was zelfs heel rustig geworden. We zagen hem ook nooit meer op de heide. Hij was zelfs met een mooie merrie, een wit paard. Haar mest was gewild. Daar kon je je land heel vruchtbaar mee maken. Dat is een geheim van ons dorp.

Maar allee,  Libertas kwam op een mistige morgen weer langs de oude paardenboerderij. In de weide stond een oud dressuurpaard. Haar manen waren grijs geworden.  Ze zei: 

 ‘Wat ben jij groot geworden, ik kende jou nog als veulen.’ ‘Ja,’ zegt hij. Maar hij herkent haar niet. ‘Ik

hoorde over Alyssa, je weet wel dat vispaardmeisje.’

 ‘ O ja,’ stamelde hij, hij was haar eigenlijk vergeten.  

‘Ze is dood. Ze hebben haar gevonden.’ Nou, ik ga weer naar mijn stal, kom je nog eens langs? Doeg!’

En hij kon het bericht niet geloven. Hij herinnerde zich weer de schittering van de diamanten ogen en hij herinnerde zich ook weer de vreselijke vechtpartij.  ‘Alyssa dood?’ Vroeg hij zich af, hoezo? Maar de jaren gingen voorbij en hij werd vergezeld door zijn mooie merrie met sneeuwwitte manen. Ze was lief, hij hield van haar en ze waren gelukkig.

Op een dag in de buurt van de Oude Kreek vertelde hij zijn merrie over het vispaardmeisje. ‘Ik moet je wat vertellen, ‘ zei hij. ‘Ik was ooit eens verliefd op een meisje dat leek op een vis, maar ook op een paard.’ Even wachtte hij, omdat hij verwachtte dat ze hem uit zou lachen, maar dat deed ze niet.

‘Ja?’ vroeg ze nieuwsgierig. ‘Ik heb weleens gehoord over een vispaardmeisje. Het was eigenlijk een zeemeermin, maar niet met een mensenhoofd. Tenminste, ik heb het uit de verhalen. Ik  moet eerlijk zeggen dat ik ze nooit heb geloofd. Ben je er zeker van dat je haar hebt gezien?’

‘Honderd procent zeker,’ zei hij. “Ik herinner me haar blauwe ogen nog als de dag van vandaag.’

‘Zullen we haar gaan zoeken?’

‘Dat heeft geen zin. Ze is dood.’

‘Ach. Wat spijtig.’

‘Ja, ik wilde haar nog altijd mijn verontschuldigingen aanbieden voor de vechtpartij. Ik kon niet op tegen

Ares.’

“Dat is niet erg, trek het je niet teveel aan, het is lang geleden.’

‘Ja.’

 Ze volgden de stroom en kwamen bij het punt waar het water uit de rotsen kwam. ‘Hier kwam Alyssa vaak,’ zei hij. Er was niets te zien. Er zwom een vis. Dat was een echte vis.

Er stond een reiger gulzig naar te kijken. Hij zei: ‘U zoekt zeker het vispaardmeisje.’  ‘Ja,’ zei de merrie. ‘Vertel, weet u iets?’

‘Ik weet niet veel. Maar veel paarden en ook mensen komen hier zoeken, want ze zijn nieuwsgierig. Maar misschien weet u het nog niet: ze is dood, al lang geleden.’

‘Heeft u haar gekend?’

‘Nee, mijn grootvader wel. Hij vertelde over haar. Ze werd ziek en net voordat ze stierf kroop er nog een klein wezentje uit haar buik. Zij blies haar laatste adem uit en zakte naar de bodem. Het kind trappelde, want in de moeder was het niet goed gegaan. Zij was geen vispaard, maar een echt paard. Een fout van de natuur, wie zal het zeggen? Ze had geen kieuwen en spartelde. Ze kwam half boven en merkte dat zij werd opgetakeld in een net. Ze hoorde opgewonden stemmen.  Voor ze het wist zat ze in een donkere zak en werd ze meegenomen in zo’n  lawaaimakend ding met wielen. En verder weet ik niet waar dat vissejong is.’

Libertas en Alyssa bedankten de reiger die nog even de vis doorslikte. Ze spraken er niet meer over. In hun leven ontbrak een veulen. Zij konden er geen krijgen, maar zij hadden er vrede mee.

Op een dag gebeurde er echter een drama. Heb je nog even? Libertas draafde weer eens over de bloeiende heide toen hij in de verte zijn oud geworden vriend ontwaardde. Hij kwam recht op hem af. Het paard bleef recht voor hem staan en zei- alsof hij daarop geoefend had: ‘Sorry. Sorry. Sorry.’

‘Zeg dat wel,’ zei Libertas. ‘Waar heb je al die tijd gezeten?’ Hij klonk bitter, vond hij zelf. Ares gaf geen antwoord.

‘We kunnen het goedmaken,’ snoof hij. ‘We kunnen het kind van Alyssa bevrijden. Ik weet waar ze gevangen wordt gehouden. Dan hebben we het weer in orde gemaakt met de moeder. Wat vind jij?’

“De moeder is dood,’ zei ik hard. ‘Die heeft er niet veel aan.’

Hij keek even sip. ‘Ok, dat wist ik niet. Maar goed, dan is het toch goed om haar kind vrij te maken.’

Libertas dacht even na. Het zou hem van zijn schuldgevoel af kunnen helpen. ‘Is het gevaarlijk?’ vroeg hij.

‘Weet niet,’ zei Ares. ‘Zou kunnen.’ Die nacht gingen ze erop af. Ares wees naar de stal waar Sana

gehouden werd. ‘Daar zit ze in. Een prachtige merrie, net als de moeder. Ze is bruin. Hou je daar van? Nou, ik

niet zo. Maar ok. Laten we die deur opentrappen.‘ Stoer als hij was, ging hij voorop en schopte tegen de

deur. Daarna schopte Libertas. Een hond begon te blaffen. Ze schopten om beurten. De deur begon te

kraken. De merrie begon te hinniken.  Ze hoorden voetstappen. De deur viel uit de sponning. Libertas zag de

broodmagere, verwaarloosde merrie. Haar ogen vol doodsangst. Hij hoorde mensenstemmen schreeuwen.

‘Rennen!’ riep hij tegen Sana. Ze kon amper rennen. Daarom rende hij.  Zij hapte in zijn staart en zo stegen ze

op, in de donkere nacht. Er was een prachtige komeet te zien en het stof dat er vanaf kwam, viel over de

akkers en zorgde voor een grote oogst. Ares bezat de kunst van het vliegen niet. Terwijl ze daar boven

de stallen cirkelden, klonken schoten in de nacht. Ares zakte ineen. ‘Gvd, een prachtig paard!’ riep een stem.

‘Sjeezus, ik dacht dat het een dief was.  Bel een dierenarts. Shit.’

‘Ik dacht dat ik twee paarden..eh.. mannen zag..’

En Ares blies zijn laatste adem uit. Hij had zijn leven gegeven voor een ander. “

 De oude man zweeg. ‘Dat zou ik ook gedaan hebben, als ik zo’n paard was. Iets voor iemand anders doen.’ Hij liet zijn bierviltje tussen zijn vingers door rollen. Ik knikte. Het verhaal was te fantastisch voor mijn redactie op de krant, maar misschien kon ik het nog eens in een boek over streekverhalen opschrijven.

Ik stond op en pakte mijn jas. De man pakte mijn arm. ‘Als ik dat paard geweest zou zijn, dan had ik die dochter meegenomen. U?’

‘Nee,’ zei ik. ‘Dat is niet wat in mijn vrije bestaan als journalist past.’ We nemen afscheid en als ik naar buiten stap, zie ik een klein meisje, met rode wangen, op een enorm, bruin paard voorbij stappen. Ongelofelijk dat zo’n kind dat durft. Ik spreek haar aan. ‘Hallo,’zeg ik. ‘Mag ik jou iets vragen?’ Ze roept iets terug. “Weet jij of er hier in de buurt een soort oude paardenboerderij is?’ Ze lacht breed naar me en wijst naar links. ‘Ik loop even mee,’ roept ze. We gaan rustig naar een weiland. Het meisje klimt van het dier af en wijst naar de paarden. ‘Dit is een paardenrusthuis,’ zegt ze. ‘Kijk dat is Lingus, een arabier, en dat is Sjoan, een Engelse volbloed.’

‘Ze kennen mij ook.’ De dieren kwamen op haar af. Ze was volgens mij nog geen veertien jaar. ‘Ze zijn oud hoor,’ lacht ze. ‘Hoogbejaard.’ De paarden snuffen aan mijn jas. Ik streel de neuzen. Ik ben diep onder de indruk van hun zachtheid  en warmte, hoewel ik het oprecht spannend vind. Ik bedank het aardige meisje en even later zit ik in mijn auto op de snelweg naar Amsterdam.

Ik heb een onwaarschijnlijk verhaal gescoord, waar ik niet veel mee kan, maar ik heb vandaag iets gevonden waar ik al een tijd naar zocht, zonder het te beseffen: de rust, de natuur, het buiten zijn.

Die stedentrip ga ik afzeggen, een natuurhuis ga ik boeken en ik ga Marije van de tekstredactie vragen of ik op haar manege kan komen. Leven is als een stroom  vol vispaarden. Het kan alle kanten op.

Ik ben blij als een kind met mijn ontdekking en van vreugde druk ik het gaspedaal te hard in. Ik zie een motoragent in mijn spiegel met zijn arm gebaren dat ik aan de kant moet stoppen.

R.Mahoney

25-7-2021

                         ********* einde******************

Een zomerse dag aan de Noordzeekust

De zon rekt zich ’s morgens uit in het oosten,

doet het rustig aan, vakantie, geen haast,

ik doe ook kalm, pak de parasol,

die half opgegeten is door de muizen,

en hap een appel, rood, zoetzuur,

van Joost de sinaasappelman, aan de deur,

nu wordt het really hot, hotter than july.

Ik zal kijken of de boontjes al koken

en daarna zal ik ze eten, met sojasatésaus,

en in de tuin waarboven soms in de schemering een

vleermuis fladdert, soms hoor, niet altijd en waarachter in de

bosjes een platte dode egel ligt,

zal ik wachten tot de zon zogenaamd zijn rode zwempak

aantrekt en onderduikt  in de zee,

en sommigen geloven dit echt, omdat zij ook denken dat de

aarde plat is.

In de schaduw van de planeet zal ik nog even op een

plastic tuinstoel naar de sterren kijken en me voornemen

morgen mijn spieroefeningen te doen

en het zadel van mijn fiets te vervangen.

Ik denk aan de liefde die al in de slaapkamer boven ligt,

met een loopneus en en een zere keel.

Dit wordt een nacht zonder pyjama.