Op zaterdag 18 augustus 2007 schreef ik mijn eerste blog. Deze staat nog steeds op: http://www.sjoerdberk.blogspot.com. Ik woonde toen nog alleen, ik kende Anja ook nog niet. Ik werkte nog in de administratie. Voor mijn gevoel is het dus best lang geleden. Het stukje ging als volgt:
Nee hoor, zo groot was hij niet, had niet in de pijp gepast. De foto is gemaakt in Tilburg, in het museum
Vanmorgen toen ik de wasmachine vulde, op de zolder, hoorde ik een geluid. Het kwam uit een pijp die van het dak naar beneden loopt, maar niet meer wordt gebruikt. Aan het gefladder en gekrabbel te horen zou het een vogel kunnen zijn of een vleermuis.
Ik probeerde de pijp open te krijgen, maar er zat veel plakkerige tape omheen. Met een Stanleymes probeerde ik dat te verwijderen. Maar plotseling hoorde ik geen geluid meer. ‘Het beestje is gestorven van de stress,’ dacht ik.
Ik deed de gereedschapskist verdrietig dicht en ging naar beneden. Het krabbelen begon weer. Het was een onverdraaglijk, schurend, metaalachtig geluid en het ging het hele huis door. Mijn kat Minoes raakte nu ook overstuur. Ik besloot haar even op te sluiten. Daarna pakte ik een schroevendraaier, wrikte woest in op het onderstuk en hield de kattenmand er onder. En door een spleetje zag ik haar zitten: een spreeuw. Een jonkie, zwart. ‘Help me nou ,’ ze klonk driftig.
Eindelijk beukte ik door het plastic. Het gat was groot genoeg. Zij zag het ook en viel uit de pijp. Daarna vloog ze in een oogwenk de trap af, het huis in. Ik ging haar achterna met de poezenverhuismand en dook boven op haar. Ze schreeuwde het uit, het was een ijselijke kreet. Ze ontglipte en fladderde door mijn kamer. Ze draaide omhoog en verdween weer in het trapgat. Ik rende achter haar aan, terug naar de zolder. Daar bleef ze rondjes draaien boven de wasmachine en tikte met haar snaveltje tegen het glas.
Toen zag ik wat ze bedoelde: Mijn Minoes, zat in de wasmachine. Ik had haar opgesloten! Ik rukte aan de deur en greep de poes. Ze mankeerde niets. Achter me hoorde ik de vogel tokkelen. Ik keek haar aan en ze verdween door de gesloopte pijp naar buiten. Ik stopte mijn hoofd erin om te kijken. Een gele kwak landde op mijn neus. Toch riep ik haar na: ‘Vogeltje, held, als je in de buurt bent, kom dan nog eens langs en neem dan de normale weg via de achtertuin.’
Mijn geliefde liet ik achter in onze boom en ik zweefde langs het late rode licht dat over de hoge takken gleed. Mijn oren bleven op de hoge snelheid van de glijvlucht naar de grond speuren naar het geringste geluid in de struiken, diep beneden mij. Ik moet toegeven dat het dit jaar een slecht muizenjaar is en dat het mij bezorgd maakt hoe ik mijn vrouw en takkelingen moet voeden.
Aan de rechterkant, aan de rand van het bos, hoorde ik een geritsel dat mijn bloed in vuur en vlam zette, omdat het zo goed als zeker van een klein knagertje moest zijn. Ik sloeg mijn vleugels naar beneden, alsof ik afzette tegen de lucht en steeg. Nu was ik een moment boven de boomtoppen. Ik gleed een stuk door en draaide naar rechts, om met de zon in de rug, mijn dodelijke stortvlucht te kunnen beginnen. Daar ging ik. Een ervaren jager, vleugels dichtgevouwen, blik op de muis. Hij kon niet ontsnappen.
De muis merkte niet dat mijn klauwen hem bliksemsnel opensneden. Het bloed spoot op mijn veren. De dood was een zucht, zonder enige spijt. Omhoog met het nog warme diertje, naar het ongeduldige, hongerige nest. Zonder zelf er iets van te eten. Een onbaatzuchtige moordenaar ben ik, maar het is zoals het is.
Toen ik weer hoogte had gewonnen en naar het allerlaatste licht vloog, merkte ik de boswezens op. Ze waren kleine, bewegende bomen, twee stuks. De een was denk ik een vrouwtje, want ze was kleiner en ze droeg iets in haar armen. De ander was het mannetje. Hij liep hard en had een tak in zijn hand die aan het uiteinde breed en plat uitliep. Ik maakte een rondje uit nieuwsgierigheid, op de thermiek die er nog was en zag ze stoppen. De man begon met de tak aarde weg te halen en hij was er erg druk mee bezig.
Ik hoorde de schrille roep van mijn vrouwtje. Ik riep terug en bemerkte meteen dat de de twee wandelbomen geschrokken omhoog keken en naar me wezen. De vrouw legde een pakje neer op de grond. Ik fladderde weg naar mijn nest en zag de vrouw en de takkelingen blij naar me kijken. Ze rukten de muis uit mijn klauwen en begonnen hem opgelucht uit elkaar te trekken.
Ik vloog weer over de bomen, op zoek naar een verse muis. Maar mijn aandacht werd getrokken door een wezen tussen het gras. Het lag op de rug en de vier zachte pootjes spartelden. De twee bomen die het hadden neergelegd, waren weg. Ik streek langs het dier en ging zitten. Ik bekeek het aandachtig. Het had een zachte, naakte, roze huid. Als een pasgeboren muis. Maar dit schepsel hoorde hier niet in het bos. De grote ronde, blauwe ogen waren open en er stroomde water uit. Het maakte een oorverdovend geluid dat door mijn zenuwen knerste. Als ik niets zou doen, zou het sterven en de vossen en de kraaien zouden het opeten. Maar wat moest ik doen? Ik had honger en ik moest eten halen voor mijn hongerige kroost. Als ik niet at, ging ik vannacht sterven, ik moest eten.
Ik vloog op en sprak mezelf moed in. Als ik eten kon vinden voor mij en mijn nageslacht, dan zou ik ook een oplossing kunnen bedenken voor het hulpeloze boompje. Ik steeg hoger en hoger. Het gekrijs duurde voort. Het galmde tegen de stammen van de bomen. Ik hoorde de eekhoorns en de egels klagen over het lawaai.
Zoals altijd in mijn leven, vond ik een uitweg uit ellende. Eerder in mijn leven werd mijn broedplaats onverwacht gekapt en kwam mijn eerste vrouw om het leven door een blikseminslag. Ik werd daar sterker van. Ik bleef uitkijken naar een nieuwe kans.
In de struiken zag ik een glinstering. Het waren geen muizenogen. Het was het naakte vel van een wandelboom. Ik scheerde erover heen. Het waren twee wandelbomen in hun eerste huid. Ze maakten hijgende geluiden alsof ze moe waren. Ik kon ze laten schrikken. Dan zouden ze vluchten en de kleine boom snel ontdekken. Ik maakte me gereed voor de aanval.
Ik vouwde mijn vleugels op en ongeveer een meter boven de grond stak ik ze uit om te remmen. Ik spreidde mijn klauwen en hakte ze in het ronde, dikke vlees van de grootste wandelboom. Ik hoorde hem gillen. De ander gilde ook. Ik vloog op. Ze riepen naar me. Ik steeg op. Draaide naar rechts, naar links. Ik zag ze rennen, zwaaiend met hun armen. Ze waren dicht bij de kleine boom. Ze stopten. Ze ontdekten de kleine. Ze krijsten nog harder. De kleinere boom rende terug naar de struiken. Hij had iets in zijn klauw en hield het tegen zijn oor.
Mijn leven was voorbij. Ik gleed dwarrelend naar beneden en kwam hard op de grond terecht. Ik legde mijn kop neer. Mijn ogen namen zeer veel blauwe lichten en bomen waar. De wandelbomen stonden allen in een cirkel om het gevonden diertje. Op mijn vlieghoogte draaide een enorm wezen met ronddraaiende takken en vol klaterend geluid als van een enorme regenbui.
Was dat mijn vrouw naast me? Droomde ik? Het waren haar poten. Ze miste een klauwtje aan haar rechterpoot. Het moest haar zijn. Ze was het. Ze had een dikke rat in haar snavel. De darmen hingen uit zijn buik. Ze zei dat ik een hap moest nemen. ‘Eet maar mijn liefste,’ kraste ze.
Ik deed het. Ik opende mijn snavel en ik nam een hap. Het sterkte me. Ik kon weer verder vliegen. Met veel moeite bewoog ik mijn vleugels. Ze plakten aan mijn lijf. Maar ik kon vliegen. Samen stegen we op. We zagen de wandelbomen de kleine boom inpakken. De blauwe lichten verdwenen . De twee naakte bomen zochten hun kleding. ‘Wat is daar aan de hand liefste?’ vroeg mijn vrouw bezorgd. Ik gaf geen antwoord en we landden op ons nest. We hoorden onze pluizebolletjes hard piepen.
De kleintjes waren dolblij met de rat, gevangen door hun trotse moeder. We aten en de zon kwam langzaam weer op boven het bos. De eeuwige zon zou ons verwarmen, het water laten verdampen en vallen voor het woud dat zou groeien en voedsel voor ons zou maken in de holen en struiken. Wij zouden de knagers vangen en zo de kringloop van het leven beheersen. Wij zouden onze jonkies nooit achter laten in het duister. We zouden ze leren vliegen en daarna vrijlaten om verderop hun eigen nest te beginnen.
En de wandelbomen zouden naar ons zoeken, maar hun ogen waren niet sterk, ze zouden moeite moeten doen en misschien zouden ze denken dat wij gemene dieren waren die hen aanvielen. Maar kwamen ze te dichtbij, dan zouden we onze roep door het bos jagen en ze zouden snel verdwijnen, want ze vonden ons angstaanjagend.
Op: https://alkmaardichtstad.nl/gedichten/ verscheen plotseling een gedicht van mij, dat ik in twee minuten heb geschreven. Misschien moet ik dat vaker doen, want met gedichten weet ik niet goed raad. Ik schrijf er vrijwel nooit een. Nu dus ‘my home is not always my castle’.
Thuiszijn en de thee alweer koud laten worden
het badwater over de rand laten lekken
en teveel vis gegeten zodat er weinig ruimte is voor de Mexicaanse bonen
dat zijn grote problemen van thuiszijn
ook al die vervloekte mail checken en daarop willen reageren, want stel je voor
dat ze me niet serieus nemen
wat valt er te lachen?
Ik droom regelmatig niet thuis te zijn maar in een slappe kroeg aan een bar te hangen
naast me verwelkte theebloemen zo zacht met de prachtigste verhalen
en dan zo hard te lachen dat we van de kruk storten
en de ondernemer vraagt of we nog wat lusten
maar nu is alles eenzaam
alles is eenzaamheid
dat thuiszijn waar je naar verlangt dat 65 plus verlangen
dat is helemaal niks
afschaffen dat pensioen ik werk door tot ik opnieuw
En ik voelde iets kriebelen in mijn keel en ik belde de GGD voor een afspraak. Ik maakt een afspraak voor een snelle test, klaar terwijl u wacht. Dat was om 11.30 op dinsdag. Op woensdag om 16.30 was de sneltoets een slomotest geworden…want er kwam geen uitslag, geen bericht.. niks tot op heden en….
En het zou niet zo erg zijn als je zo’n coronatest gedaan hebt, en je wacht het af en er is niks aan de hand. En het zou niet zo erg zijn als je een coronasneltest hebt gedaan en dat ze zeggen dat je het dan weet in een dag en dat je het dan niet weet in een dag en dat zij van de GGD Noordholland geen antwoord geven op je vragen. Maar als je zoals ik werkt in een onderwijsinstelling, wordt het wel erg, want de school draait door en wil weten waar je blijft en dat je dan moet zeggen dat de uitslag er niet is en dat je niet weet hoe het komt.
En het zou niet zo erg zijn als je dat ook aan leerlingen kunt uitleggen, dat je niet zo ziek bent, wel met verkoudheidsklachten, maar dat je niet naar school komt. Dat begrijpen ze niet. En ik ook niet.
En het zou niet zo erg zijn als je de tijd hebt, zonder eindexamens en eindtoetsen en dat je zonder dat alles gewoon wacht tot je een halve ons weegt en naar buiten gaat, positief of negatief, want ze laten toch niets van zich horen. En dat je dan fijn in de tram stapt en de halve stad besmet.
En het zou niet zo erg zijn als je net niet in alle kranten hebt gelezen hoe overheidsinstellingen – denk aan de belastingventjes- met burgers om kunnen gaan en je vermalen tussen de oudhollandse maalstenen van hun gestaalde windbuilenmolens.
En het zou niet zo erg zijn, als je boven alles uit kon vliegen en er om zou kunnen lachen als een merel na een vers gelegd ei. Maar ik ben geen vogel. Ik ben een burgerman met een identiteitsnummer, zodat ik altijd opgespoord kan worden. En mijn eventuele coronavirus?
Ach, het zal wel niet zo erg zijn. Niet zo erg als wachten op de GGD. Tot je haar over de gestoeptegelde straten sleept en je van je baard een mondlapje kan breien.
Vanmorgen kwam Anja thuis na een nachtdienst. Ze ploegde door de sneeuw met haar fiets, een mountainbike. Ze belde om 7.49 dat ze haar tocht van 4 kilometer ging beginnen. Ze deed er een uur over. Een uur in een sneeuwstorm bij een temperatuur onder nul. Ik maakte me wel enige zorgen. Gelukkig is ze nu thuis, en ik hoop dat haar collega’s van het ziekenhuis ook goed zijn thuisgekomen. Hierboven de foto van haar thuiskomst. Ze zegt dat ze geen kou heeft gevoeld. Maar ik heb me wel wat zorgen gemaakt over haar expeditie.
In december 2010 kwam ik vast te zitten in Amsterdam, vanwege een vreselijke sneeuwstorm. Maar ik herinner me dat het me twee keer is gebeurd. Wanneer was die andere keer? Dat zoeken we op.
Ik probeerde gisteren naar huis te gaan. Het was net drie uur geweest toen ik op het Centraal Station aankwam. Het was me gelijk duidelijk: hier was iets ergs aan de hand. De informatie borden waren helemaal blanco en er kwam een omroepbericht dat wegens de extreme sneeuwval het treinverkeer in het hele land ernstig ontregeld was.
In de hal gonsde het van de zenuwachtige geluiden van ongeruste passagiers. Vooral buitenlanders klampten willekeurige mensen aan om een klein beetje informatie. Maar info kwam er niet of nauwelijks. De borden zwegen en ook de stem uit het plafond zweeg. Er waren wel wat medewerkers van de NS, met een rode pet, maar die waren zo overspannen dat ik het vragen maar na liet.’Hou je klep!’ riep er een tegen een mevrouw. Zelf werd ik uitgelachen toen ik aan zo’n medewerker vroeg of het nou aan de treinen lag of aan de sneeuw of aan iets anders.
Voor het loket van de info stond een lange, zinloze rij wachtenden. ‘Wacht u op de omroepberichten!’ was het enige wat ze hoorden. Ik ging met de massa mee omhoog via de roltrap om mijn geluk te proberen, maar op het perron was het zo druk dat ik met enige moeite weer ben afgedaald. Beneden heb ik een zak friet genomen. Eten is een voorwaarde in het survivallen. Naast me stond een meisje te klagen dat ze al de hele dag onderweg was. Klagen heeft geen zin dacht ik, vooruit kijken wel, oplossingen bedenken. Een taxi nemen? Wel duur, maar gezien de toestand op de weg ook onmogelijk, net als de bus. Een kennis vriend bellen en hopen dat die thuis is? Heeft meer zin. Ik belde Mark. Hij nam op, zei dat hij nog op zijn werk zat. Maar aan zijn stem kon ik horen dat ik zo bij hem terecht kon. Ik beloofde hem later te bellen. Mark is een kanjer. Wel jammer dat ik hem zo lang uit het oog ben verloren. Maar ja, zo is het gegaan.
Het werd steeds drukker op het station. De stemming werd ook anders. Er was veel openheid en saamhorigheid, je kon zo iemand aanspreken, dat is ’s morgens in de forenstrein wel anders. Ik wil niet zeggen dat ik deze ramp leuk vond, maar de gezelligheid was bijzonder. Toch leek het me beter ergens een kroegje op te zoeken voor de warmte en een glas wijn. Ik glibberde door de Warmoes naar de Dam en passeerde een aantal hotels. Ik twijfelde er niet aan dat ik ze niet nodig zou hebben. De warmoes was in kerstsfeer. Het grootste deel van de winkels bestaat uit artikelen voor hennep, seks en de herenliefde dus dat geeft een apart contrast. Ik belde mijn zus terwijl ik langs Madame Tussauds waggelde. Ik zag dat de boom op de Dam geen lichtjes had, was het geld op?
Zus had ook geen informatie over de toestand op het spoor, de NS site lag plat. Ik voelde me een beetje somber worden. Na een moeizame week op het werk wilde ik snel naar huis, maar een grote kracht hield dat tegen: de natuur, onvoorspelbaar en machtig. Ik ging de Kalverstraat door, dan naar het Spui en door de Voetboogstraat in. Het cafe was er nog steeds: de Schutter, pleisterplaats van hangstudenten. Nog steeds even bruin, even smoezelig en even gezellig al voorheen. Boven de tafels hangen afgrijselijke nep leren lampen uit de jaren zeventig. De bar zit nog steeds dwars op het trapgat. Enige verandering is dat de rokers nu achter een glazen pui zitten te blowen. Ik bestelde een glas wijn en nam mijn boek van Graham Green er bij. De derde man, uitstekende literatuur in deze benarde toestand. Smokkel verhaal in het Wenen van na de oorlog.
Ik vertelde de jongeman achter de bar van mijn probleem. Hij ging op internet kijken of hij wat kon vinden. Aardige vent. hij kon niks vinden. Ik bestelde een biefstukje met rijst. Even later kwam hij met een biefstukje met aardappels. Ik denk niet dat hij een goeie kelner is, maar sympathiek is hij wel. Ik at de maaltijd en had een licht blues gevoel, zo moest een truck chauffeur of een handelsagent zich voelen. Wel naar huis willen, maar niet kunnen. Na de maaltijd voelde ik me wel weer sterk genoeg voor de terugtocht. Ik verwachtte niet dat het allemaal opgelost zou zijn. Ik gleed terug over de blubberige voorburgwal en kwam weer bij het station. Het was nog steeds een chaos. Ik ving een omroepbericht op voor de trein naar Rotterdam en de trein naar Utrecht.
Waar zouden de trein reizende collega’s van de Zilveren Toren zijn? Ik had nog wel vanaf het CS naar de Toren gebeld om te waarschuwen. Plotseling hoorde ik het woord ‘Alkmaar’ en 8a. Ik spoedde me naar het perron en zag inderdaad een trein naar Den Helder, het was te mooi om waar te zijn!
De tijd was nu half zeven. Ik had ook regelmatig contact met Anja. Ik zag de stroom beestjes op de telefoon hard achteruit gaan, wel iets om rekening mee te houden. De trein was over en overvol. De machinist waarschuwde ons dat hij niet zou vertrekken als we ons niet gedroegen. En mocht er iemand flauwvallen dan kon de conducteur er niet bij komen. Hij adviseerde dan maar 112 te bellen. Heel langzaam kwam de trein in beweging. Wij zaten boven nog redelijk, maar op het portaal waren het haringen in een ton.
We kwamen bij Sloterdijk. Daar stonden nog heel wat kantoorpiefjes al uren te blauwbekken, dus die waren echt wild om er in te komen! Bij de deuren stond politie om de orde er in te houden. We tsjoekten door het witte landschap.
Naast me stond een dame die volgens mij een concert moest geven met een of ander instrument. Ik hoorde ook van mensen dat ze van Schiphol terug naar huis gingen. De vlucht was geannuleerd. Naast me zat een man aan een pilsje. De sfeer in de trein was uitgelaten alsof we op een carnavalsavond waren. De machinist deed er een paar lollige uitspraken bij: ‘Dames en heren een prettige mededeling: wij gaan het bovenste en onderste deel van deze trein niet splitsen!’ Hij gaf steeds goede informatie, bij wijze van uitzondering op de rest van het spoor personeel. Chapeau.
Toen dreigden we alsnog voor Uitgeest te stranden. Alkmaar was nog niet klaar met de wissels. Ik voelde de neiging om een plasje te doen, dat kon weleens een probleem worden: voor de wc stond een enorme boel opgefokte lieden. Dus laat maar.
Naast ons stond een meisje met een kerstpakket: een espresso apparaat. Daar had ze toch wel mee rondgezeuld al die tijd. Ze zei dat ze zelf geen koffie lustte. Ik zag op het station ook wankele oudjes rondscharrelen en mensen met baby’s. Niet zo best allemaal dacht ik. Waar zijn de noodscenario’s? Behalve de gratis koffie onderneemt de NS niks voor de zwakkere reizigers. Die kunnen gewoon doodvallen.
Gelukkig stopte de trein niet in Uitgeest. Bij eerdere rampen heb ik daar weleens gestaan om dat het ding niet meer verder ging, en dat wil ik niet nog eens. Uitgeest is een ramp, er is daar helemaal, helemaal niks, je staat gewoon bloot aan de elementen. Eindelijk bereikten we Alkmaar.
In de verte zag ik mijn zwangere Anja aan komen scharrelen. Er liep een vrouw naast haar die op weg was naar haar gestrande dochter. Het was nu acht uur, vijf uur later. Jammer van mijn vrijdagavond. Maar als je eenmaal thuis bent vergeet je alles snel. Ik ben alleen nog niet vergeten hoe slecht het spoorpersoneel functioneert als de boel plat gaat. Wat gaan ze daar aan doen?
Het is nu 23.30 zaterdag 6 februari. Ik kijk naar buiten en het is zoals het altijd is. De voorspellingen zijn wel wat zorgelijk. Hopen sneeuw, ijs en een hele koude wind.
Anja is naar haar werk. Ze heeft nachtdienst. Ik hoop dat ze morgenochtend enigszins goed thuis kan komen. In mijn archief vond ik een foto uit februari 2017. Dat moet dan eigenlijk wel de laatste keer geweest zijn dat er hier sneeuw viel. We wachten het even af wat er gaat gebeuren.
Ik ga een verslag opzoeken van een ijzige winterse dag die het hele leven platlegde, in 2010. Eens kijken of ik die kan vinden en posten. Voor nu wens ik iedereen een gezonde nacht.
Enige zorgen zijn de mensen die zonder dak rondhangen of in een park slapen en diverse huisdieren, katten, honden die ergens thuishoren, maar de weg kwijt zijn.
Dit is een foto uit de winter van 2017 alweer 4 jaar geleden