Een ongeluk en weg spullen..?

Mijn treinreis, op vrijdag 1 juni 2018, was van Naarden-Bussum naar Alkmaar. Ik stapte uit op Amsterdam Centraal. Toen ik op perron 8 stond te wachten, zag ik een schim in het trapgat van het platform vallen. Ik ging meteen kijken en vond allereerst een tas met daarnaast een laptop. Iets verderop zat een jonge vrouw bibberend van schrik met haar rug tegen de tegelmuur. ‘Gevallen,’ zei ze. ‘Twee nachten gewerkt in de horeca.’ Ik stopte de laptop in haar tas. ‘Dankjewel,’ zei ze bevend. ‘De vorige keer werd ik aangereden door een taxi. Toen hebben onbekenden mijn laptop meegenomen. Dank.’ Ik nam plaats naast haar en sprak met haar. Ze droeg hoge, hippe, trendy schoenen. ‘Ik ben een brekebeen,’ zei ze en ze huilde zacht. Er kwamen hulptroepen uit het station. Ik nam afscheid van de ongelukkige. ‘Je gaat even mee met de ambu,’ zei een man in een groen pak.

‘Hoe heet je?’ vroeg ik. ‘Selma,’ snikte ze. En ze werd meegenomen.

Dit was mijn laatste treinreis. Ik ben wel geschrokken omdat de val zo onverwacht gebeurde. Ook vraag ik me af wie er van een willekeurig slachtoffer dat op straat ligt, spullen steelt. Volstrekt verwerpelijk vind ik dat. wie doet nou zoiets? En hoe gaat het met Selma de pechvogel? 

Dit schreef ik op 3 juni 2018 als opdracht in het schrijfboek 333 dingen om te schrijven.

stootblok in spoorwegmuseum Utrecht

Schrijf een gedicht over de wind

lekker windje

Ik kan verheven over je schrijven, wind,

maar je bent slechts bewegende lucht, meer niet.

Ik kan over je schrijven dat je warmte brengt,

soms breng je ook ijzige kou

en stuifmeel  zodat sommigen koorts en loopneuzen van je krijgen.

Soms blaas je zo hard dat mijn haarstukje niet blijft zitten.

Soms blaas je helemaal niet en dan lig ik met mijn jacht voor joker

op zee.

Nee wind, ik kan verheven over je schrijven,

maar dat doe ik niet, want

je bent niets meer dan stuiterende moleculen.

Je bent gewoon lucht voor me.

Naar aanleiding van: 333 dingen om over te schrijven

Juli 2019 

Op de Sallandse Heuvelrug zomer 2020

De tocht naar boven is toch nog wel een stuk, maar daarboven is het wel de moeite waard: op de Sallandse Heuvelrug. Er zijn niet veel heuvels in dit platte land, maar deze is leuk. Bovenop trof mij een span met een paardje. Ik weet niet veel van paarden: vindt zo’n beest dat leuk met die oogklepjes en dat karretje?

Misschien wel. Ooit was ik als kleuter aan het spelen op een weide toen er een schaduw over mij heen trok: de schaduw van een ontsnapt paard. Het dier maakte een flinke sprong mij te ontwijken. Best lief.

Mooi paardje
de kaart van de Sallandse omgeving
Een schedel van een knaagdier, eens aan onze dierenarts laten zien. Ze wist ook niet precies van wie het was.

Vincent van Gogh in Zundert

We gingen naar een verjaardag van Anja’s nichtje Lianne in Breda. Het is al een paar jaar geleden. Op de kaart zag ik dat Zundert niet ver weg was. Dus reden we er heen over een smalle weg. Zundert is een plaats waar de familie Van Gogh bivakkeerde omdat zijn vader was beroepen. Dat betekent dat een gemeente van christenen een dominee vraagt om daar te komen preken.

Vincent van Gogh woonde op die manier met zijn zussen en broer Theo en ouders in Zundert, Brabant. Wat ik me realiseerde toen ik daar was, was dat zijn vader dominee was en dat ze dus protestants waren. Geen probleem in het protestantse Nederland zou je denken. Toch wel: het hele dorp was katholiek en de familie Van Gogh niet. Zijn vader was een soort zendeling die schapen in het hok moest zien te krijgen. Maar hoe is dat voor de kleine Vincent geweest? Voor de mensen van die tijd was je geloofsrichting een reden om niet met je om te gaan. Gelukkig kennen kinderen dat verschil niet. Dus ik denk dat hij wel vriendjes gehad heeft. Op de foto zie je een huisje naast de kerk van Van Gogh. En de kerk zelf. Het huis van de familie kun je na de pandemie bezoeken.

Dit is een huisje naast de kerk van dominee van Gogh in Zundert.

Di is de kerk van Van Gogh senior.

Geest uit de fles verzameling gedichten

Nu is de bundel Geest uit de Fles met gedichten eindelijk uit de fles gekomen. In deze bundel staan verzen van onder andere: Anja Henke, Annemarie Kuster, Paul Roelofsen, Gerrit Haring, Felix Hogeboom, Leontine Wagter, Sarah van de Berg, Dick van Hoeve, Rhea Ruppert en Hans Nusink.

De prachtige illustraties zijn van Jelle Bouwhuis. De bundel bevat mooie gedichten van dichters die nog niet zo veel bekendheid genieten, maar waarvan het werk wel de moeite waard is om kennis van te nemen. Ik heb deze verzameling met plezier samengesteld.

Wil je de gedichten lezen, dan stuur je een berichtje naar mijn e-mailadres: sber01@hotmail.com en je ontvangt dan een link naar het werk.

Leiden Ari en Rembrandt, juli 2020

Huis van WA Alexander, waar hij hoorde te studeren

Vorige zomer maakten we een wandeling door Leiden, want er was niets open. We sloften over het Rapenburg, heel mooi en oud. We stopten even bij de voormalige studentenwoning van prins pils, die inmiddels prins speedboot heet en is gezakt in de populariteitpolls.

Vlak naast dat huis is een studentenwoning geweest waar Paul van Vliet en anderen theater Pepijn begonnen.

Een Leidse bal gekleed in een belachelijke 19e eeuwse pandjesjas met hoed staarde in een etalage en zei: ‘Zelfs veur mij is dat iets te begrotelijk.’

In de buurt woonden ook prinses Beatrix en de auteur Kneppelhout die schreef over het

studentenleven van 150 jaar geleden. Verrassend herkenbaar.  

We aten een koekje aan een Leidse gracht en ik moest even denken aan de stamboom van de familie Van Berkel. Ze woonden hier in ieder geval vanaf 1605. In dat jaar, aan het begin van de Gouden Eeuw, werd Ari van Berkel geboren.   

Omstreeks diezelfde tijd werd in 1606 Rembrandt van Rijn geboren, in dezelfde stad. De gedachte komt nu bij me boven dat Ari en Rembrandt samen gespeeld hebben op de gracht. Het zou best kunnen, Ari was niet van stand en Rembrandt ook niet. Misschien heeft Ari wel gezegd: ‘Zit je nou alweer poppetjes te tekenen? Kom we gaan klauwen.’ Klauwen is een spelletje met een stukje bot, populair in de 17e eeuw.

Populair was ook een stukje brandend papier aan elkaar door te geven tot het laatste kind ‘Au’ riep.

Ik dwaal af. De Van Berkels woonden minimaal driehonderd jaar in Leiden. Dat is lang. Een van hen sloot zich aan bij de patriotten, eind 18e eeuw, en verhuisde naar Frankrijk.

Mijn overgrootvader was militair en woonde met zijn gezin op de Garenmarkt. Van dat gezin stierven twee kinderen voor hun 18e verjaardag. Dat waren jongens, dus mijn opa bleef als enige jongen over, tussen vier meiden.

Zo was het leven dat met het lot is verweven.

En we stapten naar het station, want onze reizen staan ook altijd in het teken van het grote, blauwgele gevaar.

Prachtig toch? Het oude Leiden

1 januari 2021

Het nieuwe jaar is begonnen. Anja is een uurtje geleden op de fiets gestapt naar haar werk in het ziekenhuis. De dienst begint om 7 uur. Er zullen meer pleegs zijn die nu al weer bezig zijn. Een niet zo zichtbaar legertje. Eveneens zullen er veel andere hulpdiensten zijn die nu begonnen zijn. Dat is eigenlijk geen werk meer, dat is een manier van leven. Daar moet je wel respect voor hebben.

Vreemd genoeg kom ik op internet commentaren tegen van mensen die schrijven dat zij voor een behandeling in het ziekenhuis waren, recent, en dat het daar heel rustig was en dat er dus niets aan de hand was en dat het personeel het niet zo zwaar kon hebben als ze beweerden in de media. Die mensen bestaan. Ze zijn dezelfde types die beweren dat de aarde plat is omdat je er niet afvalt.

De wartaal die ze uitslaan lijkt wel veel op de taal van de fascisten. Met die taal wordt een werkelijkheid bedacht die totaal niet-logisch is, maar door deze te blijven herhalen klinkt het steeds waarschijnlijker. Ik citeer de woorden van zo’n willekeurige gek, geplukt van internet. Overigens valt op hoe gemakkelijk deze opmerkingen te vinden zijn.

Misschien moet u zich ook eens gaan verdiepen in de wereldorde. Deze griepvirus is alleen bedoeld om een wereldorde te creëren. Heeft niks met COVID te maken. Vorig jaar en de jaren daar voor waren de IC ook overvol met de zelfde ziekteverschijnsels longontsteking en beademing. Nu gebruiken ze dit om andere redenen. Een avondklok die volgende week van kracht gaat ? Gaat het virus na 8 uur leven of zo ? Mensen moeten meer informatie zoeken wat er werkelijk aan de hand is. Dat is geen Corona virus.

Laten we kijken naar de logica van deze schrijver. ‘Er is een wereldorde die moet worden gemaakt door een griepvirus.’ Roept veel vragen op: wat is een wereldorde? Ik heb geen idee. In ieder geval moet deze gemaakt door middel van een griepvirus. Kennelijk zijn er mensen die de wereld willen besmetten met griep. Een samenzwering dus van wie? Zulke complotten zijn er meer. We lezen verder: ‘vorig jaar lagen de IC ook overvol met dezelfde ziekteverschijnsels longontsteking en beademing. ‘ Vorig jaar lagen er inderdaad mensen op de IC, waarvan sommigen met longontsteking, meestal als complicatie. Maar overvol was het niet. Dat komt omdat de IC bedoeld als laatste redmiddel.

Dan begint de schrijver over de avondklok. Tamelijk vreemd, want er is helemaal geen avondklok. Willem Wartaal heeft het daarbij over 8 uur. Probeert een relatie te leggen tussen het gedrag van het virus en een opgelegde maatregel. Deze maatregel zou ervan uitgaan dat het virus ’s avonds actief wordt. Dat vindt schrijver belachelijk. En dat is het ook, vooral omdat het door schrijver verzonnen is. Schrijver gaat nog verder door te stellen dat er geen coronavirus is.

Ik probeer me het inktzwarte wereldbeeld van deze angsthaas voor te stellen. De wereld wordt gedomineerd door een orde die de macht wil grijpen. (vergelijk: joden, communisten complotten) Deze orde wordt niet benoemd als groep. Maar er is wel een constante dreiging. Om de orde te verkrijgen is er een griepvirus bedacht en dat virus heeft niets met Covid te maken. Covid is verzonnen en de verhalen vanuit het ziekenhuis zijn ook niet waar.

Ik vind het ernstig dat er groepen mensen zijn die met zulke gedachtes rondlopen. Dat ze in leugens geloven. Dat ze niet kritisch durven kijken naar hun eigen uitlatingen.

Maar aan al deze theorie heeft mijn Anja niets. Ze doet haar job. Zoals al die anderen. Deze foto wil ik hierbij plaatsen. Het is een gedichtje van Willem Wilmink en ik kwam het tegen in Enschede vorig jaar. Er staat: ik zie, ik zie wat jij niet hoort dat geeft volgens mij aan dat de werkelijkheid zeer complex is en onze zintuigen en ons brein ons kunnen bedriegen. Voor mij betekent dit dat we moeten blijven onderzoeken en kritische vragen stellen, vooral over wat we zelf voor waarheid aannemen.

Het oudejaarsavonddiner dat we nooit meer zullen vergeten

Oudejaarsavond 1990 Sjoerd als student Rozengracht Amsterdam

Toen wisten we nog niet dat onze jongen, onze lieve zoon Joris , iets mankeerde. Iets met de aspergesziekte of zoiets. Daardoor was zijn motoriek gevuld met slungelachtigheid zodat het leek of hij geen enkele controle had over zijn lijf en leden.

Het volgende gebeurde: het was tijd voor het oudejaarsavonddiner. Onze toch wel deftige familie zat in het beste laatsteavondmaalkleed aan de tafel. Opa, oma, tante Jo en oom Hendrik. Freule Josje, die nooit iets zegt, was uitgenodigd, dame van de liefdadigheid, notaris Swinkels en zijn stijve vrouw mevrouw  Van Teenen en natuurlijk Hermannus LeTronc, de eeuwige, beschonken vrijgezel.

De stemming was ernstig. Tot hij, de lieve jongen, binnenkwam om ons een gezegend nieuwjaar  te wensen. Hij maakte een vrolijke groetbeweging met zijn linkerarm, en struikelde een fractie van een seconde daarna met zijn rechtervoet over zijn linkervoet. Het lange lijf boog naar voren en dreigde te vallen. Daarom strekte hij de rechterarm uit om de val te breken, echter, die hand verdween in de schaal met dampende aardappelen. De valbeweging ging verder en om de schrik van de hete pommes de terres te overleven, trok hij aan het wit damasten tafelkleed. Bij het schuiven kletterde de soepterrine oorverdovend van de tafel. Een aantal aardappels rolden in de schoot van tante Jo. ‘Nee!’ riep onze moeder. De vermicelli droop van het hoofd van oom Hendrik en hij deed pogingen zich daarvan te bevrijden. Tante Jo jammerde: ‘Hendrik, wat afschuwelijk, we gaan naar huis, nu meteen!’  Hermannus gniffelde en keek juffrouw Josje aan die probeerde niet te lachen. De notaris keek zuur, erg zuur.     

De rest van de avond ging voortreffelijk, omdat hij, onze lieve zoon Joris, een aparte plek in de kamer kreeg, aan een tafeltje bij het raam, waar hij geen enkel kwaad kon doen. Zo nu en dan dreigde hij op te staan  en keek een ieder strak in zijn richting. Dan ging hij braaf weer zitten. Aandoenlijk was het moment dat hij zijn vingertje opstak en met een lief stemmetje vroeg of hij asjeblieft naar de wc mocht.

Het gezelschap keurde dit goed en at verder van de voortreffelijke gegrilde kabeljauw.

De jongen stond op, maakte een dansje waarbij hij een duur schilderij aanraakte dat driftig heen en weer zwaaide.  Nu was hij bijna bij de tafel. Iedereen hield zijn adem in bij de te verwachten passage. Maar tante Jo niet, zij was gulzig en genoot verschrikkelijk van de overheerlijke vis. Zij had niet in de gaten dat een dikke graat mee naar binnen ging. Ze verslikte zich. Och, arme.

Onze lieve zoon Joris, zag het gebeuren. Hij zag haar blauw worden en driftig met haar armen bewegen. Er kwam geen woord meer uit haar keel. Met zijn lange armen duwde hij  haar borst naar voren, tot ze voorover gebogen zat. Daarna sloeg hij haar met de rechterhand recht tussen de schouderbladen.

Tante Jo braakte en op de stinkende vloeistof dreef de visgraat mee naar buiten zoals het rioolwater in de open zee stroomt. 

Zij dankte onze lieve jongen duizendmaal voor het redden van haar leven en ook de andere gasten waren zeer opgetogen.

‘Joris verdient een standbeeld,’ riep oom Hendrik. ‘Verdomd, ik ga dat deze week regelen!’

‘Geen dank hoor,’ zei Joris en misschien wel vanwege enige verlegenheid, pakte hij zijn accordeon en speelde muziek die doorgaans in het geheel niet gepast werd gevonden.

Zuid zuid west van Ameland,

daar ligt een kolkje diep,

daar vangt men schol en schellevis,

maar mooie meisjes niet.

Hoog is de zolder

laag is de vloer,

mooi is het meisje,

maar lelijk is d’r moer!

Hoog hoog  ja hoog,

de ballast die is droog,

maar onder op de grond,

is hij zo nat als stront!

Het gezelschap zong mee uit volle borst. Tante Jo, in een schone jurk van mij, oom Hendrik, papa en de notaris: allemaal het hoogste lied. En meende ik nu ineens de heer Swinkels: ‘lelijk is d’r hoer’  te horen zingen, in plaats van: ‘moer. ’ Papa ging op tafel staan en sloeg de maat. Mevrouw Van Teenen hing met haar kont, per ongeluk, boven de vlam van een kaars. Iedereen danste en klapte en stampte mee. Oma deed een handstand en opa riep: ‘What the fuck!’

En toen sloeg de klok twaalf. Buiten knalde het vuurwerk. Men keek beteuterd naar de tafel. Het schaamrood op de kaken, vanwege de ongepaste frivoliteiten. Er werd gekucht.

Joris borg zijn accordeon op. ‘Ik ga naar bed,’ zuchtte hij.

‘Wilt u allemaal een glas op het nieuwe jaar?’ vroeg mijn moeder verlegen.

Men stemde daar mee in. En zo werd er getoast en geproost.

‘Een avond om nooit te vergeten,’ zei oom Hendrik.

‘Een bijzonder kind heeft u,’ zei  tante Jo.  

‘Ik ben verliefd op Joris ,’ flapte freule Josje eruit. Ze kleurde rood.

Iedereen keek naar de kleurige sporen die de vuurpijlen in de  donkere nacht maakten, maar was in gedachten bij het ogenblik van de Joris magie. Het was  een heerlijke avond  om nooit te vergeten. En zonder over te praten, in stilte van te genieten.  

Bonnie Parlevliet, de moeder van Joris Tussenmeren