Het verloren telefoonnummer

De boomlange, keurig geklede jongeman stapte uit de laatste trein op Nijverdal. Nu was het nog een stukje fietsen naar zijn afgelegen woning. Het werd al donker, het was eind september. De jongeman wist toen nog niet dat zijn mobiele telefoon was blijven liggen in de trein. Naast de fietsenstalling stond een slank meisje met lang, blond krullend haar.

Ze was een jaar of zestien of zeventien en ze keek geschrokken. Ze wees naar een rek. ‘Hier stond mijn scooter,’ huilde ze. ‘Gejat, gvd!’ De jongeman merkte haar op. Hoewel hij niet een bijzonder inlevend persoon was, bood hij haar direct een lift aan . ‘De banden zijn wel zacht,’ verontschuldigde hij zich.

Toch nam ze het aanbod vloekend aan en ze slingerden weg, langs het spoor.

II

Zij zou hem vertellen hoe hij moest rijden. De tocht ging door een tunneltje en daarna een stukje door een donker naaldbos.  De weg was zanderig en hobbelig.

 ‘Hier links,’ zei ze en ze kwamen langs een heideveld. Hij was daar nog nooit in het donker  geweest, maar vond het nog niet spannend.  Ze reden langs het Buitencentrum van Staatsbosbeheer en langs de schaapskooi. Maar schapen zagen ze niet. Hij vroeg zich af of de wolven hier in de buurt zouden zijn.

Dan de Paltheweg. Rechtsaf naar de Bergweg naar Haarle. Over de hei en landgoed de Noetselenberg. Naar de Grote Koningsbelt.  Dan rechtsaf de Sprokkelweg. En weer naar rechts  de Nijverdalseweg op, richting het dorp Holten. 

Ze reden door en passeerden een schuilhut voor vogelliefhebbers. Het regende zacht. ‘Hier rechts,’ zei ze. ‘Hier bij dit vennetje is heel lang geleden een priester vermoord. Op zijn kop geslagen.’ Ze pauzeerden even. Ze nam een sigaret en stak hem aan. Hij weigerde. Hij vroeg waar ze vandaan kwam. Ze zei: ‘Uit Zwolle, maar nu woon ik tijdelijk in Holten. Tijdelijk.’

Ze reden verder. Hij moest flink trappen. Ze wees een half vermolmde boom aan op een kruising. ‘Een vriend van me heeft hier een einde aan zijn leven gemaakt. Met een touw,’ zei ze. ‘Hij vroeg me nog of ik ook mee wilde doen.’

Er dreef mist over de heuvels en de landerijen. In de donkere lucht klonk het

krijsende geluid van een jagende roofvogel.

Het meisje kletste vrolijk over haar judo en haar blessures en haar telefoon die kapot  was en dat ze een nieuwe zou krijgen.

‘Ik woon in Zwolle, want ik studeer daar civiele techniek.’

‘Echt?’

‘Ja, ik ben het enige meisje.’

‘Is dat niet lastig?’

‘Nee, hoor, dat is prima. En ik hou ervan. Ik heb eerst een technische opleiding MBO gedaan.’

‘Wat voor opleiding?’

‘Weg en waterbouw. Heerlijk vak.’

‘En nu HBO?’

‘Ja, maar ik woon nu in Holten bij een vriendin.’

‘O, is er iets gebeurd?’

‘Het werd me teveel. Dat studeren is best zwaar en ik heb twee ouders waar ik voor moet zorgen.’

‘Zijn ze niet gezond?’

‘Nee, mijn vader is licht dementerend en mijn moeder kan heel slecht lopen.’

Hij vroeg even niet verder. Het trappen kostte hem veel energie.

‘Ik ben junior accountant,’ zei hij. ‘Ik controleer bedrijven of ze aan alle regels voldoen, maar ik geef ook adviezen. Het is een saaie, vervelende baan en dat past bij me

want ik ben ook saai en vervelend. En ik heb een dikke pukkel op mijn neus.’

‘Woon je alleen?’ ging ze verder zonder in te gaan op die pukkel.

‘Ja, ik woon in Nijverdal, alleen, met twee katten.’ Dat was niet waar, het was slechts een kat en een vriendin.

‘O, katten, ik ben gek op katten. Maar:  je rijdt dus nu de verkeerde kant uit?’

‘Ja.’

‘Dus dat doe je voor mij?’

‘Ja, ik laat een vrouw niet alleen staan, want..’

‘Want?’

‘Het is moeilijk te zeggen. Maar een familielid,

een nichtje van me, is op een nacht omgebracht

door een rare kerel.’

‘Zo hee.’

‘Vertrouw je mij wel?’

‘Ja.’

‘Hoe weet je zo zeker dat ik ook niet zo iemand ben?’

‘O, dat zag ik meteen aan je neus en aan je pukkel. Ik doe aan judo en ik leg straatjes aan

bij mensen, als bijbaan.’

‘Je bent sterk.’

‘Dat kun je wel zeggen,’ lachte ze. ‘En ik zag aan jou dat jij geen man bent met harde spieren. Ik zag je handen en ik dacht: daar kun je geen meisje pijn mee doen.’

‘Ik kan wel een mes bij me hebben, of een pistool en een stuk touw.’

‘Dat heb je niet. En dan nog: ik kan heel hard gillen. En ik heb een baco in mijn rugzak. Een zwaar stuk gereedschap. Daar sla ik mee voor je kanis.’

‘Wat is een baco?’

‘Een moersleutel, dat je dat niet weet.’

‘Wie gaat je hier horen meisje? Hoe heet je eigenlijk?’

‘Ik heet Strigida, weet je wat dat betekent?’

‘Nee.’

‘Dat betekent: uil.’

‘Ik heet Meles. Weet je wat dat betekent?’

‘Neuh.’

‘Dat betekent: das. Een diertje dat vooral ’s nachts leeft.’

‘En klopt dat?’

‘Ja, dat klopt aardig. En ik graaf gangen, vind ik leuk.’

‘Ik klauw mijn nagels in de tegenstanders. En in mannen die niet leuk zijn. En dan scheur ik ze aan stukken.’

‘Dus ik moet voor jou oppassen?’

‘Ja.’ Ze grinnikte.

‘Ik vecht ook graag met andere meisjes. Gisteren nog met een lelijk wijf in een dancing. Ze stond op mijn tenen. Expres! Dan ben ik niet zo aardig als nu. Dus ze had een blauw oog en een hersenschudding. Jammer dat ze toen mijn telefoon tegen de muur heeft gegooid. Helemaal verrot. Klere heks.’

En zo spraken zij verder terwijl hij dapper doortrapte en af en toe spijt had van zijn edelmoedige aanbod. Zij klaagde erover dat hij vieze winden liet. Hij zei dat dat kwam omdat hij uiensoep genomen had en dat hij dat niet had moeten doen.

En net toen zij naar zijn darmklachten wilde vragen, kwamen zij bij een open landschap, met een enkele knoestige eik en heidestruiken. Het begon harder te regenen.

Op een splitsing van vier wegen zag Meles een grote boom met drie ferme takken die uit de stam kronkelden als slangen. Achter de boom rees tot zijn verbazing een schaduw op van een briesend paard. Daarop zat een vrouw die een pijl en boog op hen richtte. Zij droeg een lange witte jurk en haar haar werd bijeen gehouden door een doek. Haar gezicht was scherp en strak en zij had een forse neus. Zij keek treurig. Zij zei niets, keek hen aan.

III

Meles, erg geschrokken van de verschijning, wist dat zij nu niets hadden aan de bravour van Strigidae. Wat konden zij doen tegen zo’n pijl? Niets. Hij deed zijn handen in de lucht en riep: ‘Ik geef me over!’

Ook Strigida deed hetzelfde. Maar de vrouw zei niets en het paard brieste. Meles hield niet van paarden. De vrouw liet na enige seconden haar boog zakken en klakte met haar tong.

‘Goodbye!’ zei ze en ze trok aan de teugels. Het paard draaide en zij galoppeerden weg.

Minutenlang stonden de jongeman en het meisje geschrokken naast elkaar. ‘Wie was dat?’ vroeg ze bibberig. ‘Geen idee,’ zei hij. Ik ben me rot geschrokken.’

‘God, ik leef nog,’ zei hij en vouwde zijn handen.

‘Wat doe jij nou?’ vroeg ze.

‘Stil, ik bid,’ zei hij. ‘God bedanken voor de redding.’

‘Schei uit met die flauwekul,’ zei ze hard. ‘God bestaat niet.’

Toen hoorde zij een kermend, piepend geluid als van een gewond dier. Ze stak haar vinger

op. ‘Stil eens! Ik hoor iets vreemds.’  Hij staakte zijn gebeden. Nu hoorde hij het ook. 

Het kwam van links, van achter de boom met de drie takken. Ze liepen er op hun tenen

heen. Het water sopte in zijn schoenen. Ze zagen op ongeveer tien meter daarachter

een waterput. De put was van oude, verbrokkelde stenen. Een meter boven de

stenen ronding was een afdak gemaakt, van hout en bekleed met scheve dakpannen. Aan

het dak hing in het midden een rafelig touw. Het geluid werd sterker. Ze tuurden over de

rand. Er viel niet veel te zien. Wel konden ze de omtrek van een emmertje zien dat aan het

uiteinde van het touw zat. Er kwam gehuil uit het emmertje.

‘We moeten zien wat erin zit,’ zei hij stoer.

‘Hoe dan?’ vroeg zij. 

‘Ik ga over de rand en jij houdt mijn benen vast.’

‘Vind je vriendin het niet vervelend dat een vreemde vrouw je benen pakt.’

‘Ik heb geen vriendin,’ loog hij en hij liet zich over de rand zakken. Zij pakte zijn

onderstel en droeg hem met haar sterk geworden schouders. Hij hing op zijn kop in de

put.

‘Zie je iets?’ vroeg ze desondanks haar moeilijke toestand.

‘Nee.’

Ze steunde. ‘Duurt het nog lang?’

Hij stak zijn lange boomtakken in de emmer.

‘Ik heb iets!’ riep hij. ‘Loop achteruit.’

Ze liep achteruit en trok het lange lijf met al haar kracht naar boven. Het was zwaarder

dan welke judomatch ze eerder had gedaan.  Ze kreunde en trok zijn broek

van zijn magere achterwerk.

De man riep: ‘Los!’  en hij lag vertwijfeld naast de put en had iets in zijn armen.

Het huilde. Ze hoefde niet lang te kijken: het was een baby, een hele kleine baby, ingepakt

in een of ander vies kleedje.

Ademloos staarde ze naar het kindje. Wat was het: een jongen of een meisje?

‘Een baby,’ hijgde ze. ‘Je hebt een baby gered.’

‘Jij ook,’ zei hij zacht. ‘Jij ook.’

En daarna dachten beiden even na. Het regende nog steeds. De maan verdween

achter een wolk.

‘Hoelang ligt ze of hij  al in die emmer?’ vroeg ze. ‘Ik denk kort,’ sprak hij. ‘Die vrouw van

daarnet..’

‘Dat is de moeder.’

‘Wat een vreselijke trut om zomaar je kind te dumpen.’ Ze pakte de baby op en drukte die tegen zich aan.

‘Misschien was ze in de war,’ zei hij. ‘Dat gebeurt wel meer dat mensen wanhopig zijn.’

Hij hoorde aan zijn stem dat het hem niet koud liet.

‘Ik ga 112 bellen,’ zei hij. Hij zocht in zijn jaszak, in zijn tas, maar de telefoon was

nergens. ‘Fuck,’ vloekte hij. ‘In de trein laten liggen.’

‘Wat nu?’   

‘Ik weet het niet,’ hij haalde zijn schouders op. ‘We moeten het kind ergens onderbrengen.

Zo snel mogelijk.’

IV

‘Laten we doorfietsen naar jouw huis.’

‘Als we eerder iets zien, moeten we daar hulp vragen.’

Ze ging voorzichtig achterop de fiets zitten met de baby  dicht tegen haar aan.

En zo reden ze door de nacht. Bij de actie was hij zijn schoenen verloren, dus hij reed in zijn ondergoed en op zijn sokken. Hij dacht aan de gevolgen van het vinden. De politie zou willen weten wat hij midden in de nacht deed op de hei met een onbekend meisje en een baby. En eerlijk gezegd had hij daar geen goede verklaring voor. Als hij daar aan zou toevoegen dat hij een vreemde vrouw op een paard had gezien, met een pijl en een boog zouden ze hem waarschijnlijk opsluiten.

V

Maar het werd nog gekker, want een kilometer verderop stond het paard. Groot en machtig. Het hief zijn hoofd op en snoof. De manen wapperden. Ze bleven  voorzichtig staan.

‘Shit,’ zei het meisje.

‘Wat nu weer?’

Naast het paard lag de vrouw. Haar armen lagen over haar hoofd gevouwen alsof ze zich

wilde beschermen tegen slagen. Ze ademde wel. En ze snikte zachtjes.

‘Ook dat nog,’ zei de man. Hij knielde bij de vrouw. Die sprak een onverstaanbare zin

maar de betekenis was hem duidelijk: ‘wegwezen!’

‘Is ze dood?’ vroeg  Strigida.

‘Nee.’

‘Kom, we gaan.’ Hij wees naar de horizon waar een  persoon stond die langzaam dichterbij leek te komen. ‘Dat is de man die haar heeft willen vermoorden. Natuurlijk haar ex. Hij is er achter gekomen dat ze hun kind heeft gedropt in de put en heeft wraak genomen.’

‘Je kijkt teveel Netflix,’ zei hij grimmig. ‘Stap op, we moeten snel door.’

En ze reden verder door de nacht die steeds weer met nieuwe verrassingen leek aan te

komen. Zij besloot snel haar rijbewijs te gaan halen en hij nam zich voor zijn motorfiets 

op te laten knappen. Al was zijn vriendin daar tegen.

 VI

In de verte, boven de toppen van in de wind zwiepende bomen, rees een toren van een kasteel op. Hij nam het waar en meende zich iets te herinneren. Hij stopte.

‘Is hier niet ergens een museum in een kasteel gevestigd?’

‘Ik ga nooit naar een museum.’

Hij zuchtte. ‘Als het een museum is, is er ook meestal een nachtwaker. We kunnen het

proberen. Eens?’ Ze knikte en beefde. Ze had het koud. ‘De band is lek,’ zei ze. ‘Het is beter te gaan lopen.’

Ze liepen verder en merkten niet dat de man die ze eerder hadden opgemerkt, steeds dichterbij kwam. Het rommelde boven hun hoofden en lichtflitsen schoten fel langs hun hoofden en boorden zich krakend zonder erbarmen in de natte grond. Het pas was smal en verlaten.

‘Een boom kan omvallen,’ zei zij.

‘Jij doet toch judo,’ zei hij. ‘Dan vang jij hem op.’  

Eindelijk kwamen ze aan bij kasteel Nijhuis dat een museum voor moderne kunst herbergde. Het had vier torentjes en een slotgracht. Recht voor de ingang was een rond grasveld met in het midden een onduidelijk kunstwerk. Uit een van de ramen naast de entree viel een streep licht. Een schaduw daarachter bewoog: een bewaker haalde een kopje koffie. 

En hoewel Jeff helemaal geen zin meer had in de baan als nachtwaker, was hij wel nog betrokken bij zijn werk en lette hij op als er verdachte zaken voorbijkwamen. En dat leek nu te gebeuren, want hij meende meerdere personen te zien bij de ingang. Maar een inbreker zou het niet zijn, want die zou zeker niet de hoofdingang nemen. Tot zijn verbazing  begonnen de individuen wild te zwaaien en te roepen. Alsof zij in nood waren. Het zou een valstrik kunnen zijn, dacht Jeff, maar zijn intuïtie sprak hem tegen. Voorzichtig opende hij de deur nadat hij eerst het alarm had afgezet. Meles en Strigida stormden binnen met de baby.

‘We hebben een baby gevonden!’ Ze riepen door elkaar en het was moeilijk voor Jeff om precies te weten te komen wat er was gebeurd.

 VII

En terwijl ze daar bezig waren met de baby, verscheen een man. Achter zich sleepte hij

een kanon uit de Franse tijd. En het was schietklaar en hij vuurde op het gebouw. Twee daverende explosies galmden langs de wanden van het oude kasteel. Kalk en stenen brokkelden naar beneden.

‘Geef mijn kind!’ brulde de man. ‘Mijn kind!’ Jeff scheen met zijn lantaarn naar buiten. Ze

zagen dat de  waanzinnige man jong was, en lang haar had dat half over zijn gezicht viel. Hij was ongeveer een meter zestig. Een Jerommeke. Achter hem dook daarna een vrouw op.

‘De vrouw van de pijl en boog!’ riep Strigida angstig. Ze tuurden maar zagen geen paard.

Jeff wilde naar buiten. Hij durfde niet.

De volgende seconde richtte de vrouw de boog op haar man. Maar helaas tot haar

ongeluk, brak de boog en was zij ongewapend.

Weer een seconde later stormde de onbekende man op haar af. Hij had iets in zijn

hand, het glom in het donker. Strigida realiseerde zich dat dit een mes zou

kunnen zijn. Zij zag nog maar één oplossing, een gevaarlijke, maar dat leek haar beter dan

getuige te zijn van een zinloze moord. Zij rende de regen in, met grote passen. In

vier seconden was zij bij hem. In die korte tijd had zij besloten met welke techniek zij de

aanvaller zou vloeren. Een Uki-Goshi leek haar het beste: een heupworp.

Zij pakte de man bij zijn rechterarm en draaide haar rug naar zijn buik. Met een geweldige zwaai vloog de man naar de aarde. Zijn hoofd raakte  de sokkel van het beeld en hij verloor het bewustzijn. Even was hij uitgeschakeld.  Zij liep naar de vrouw om te vragen hoe het ging, toen de aanvaller opstond en  in haar richting kwam. Hoewel ze nu ook weer een techniek had kunnen inzetten, vond ze het nu beter om het op een lopen te zetten.

‘Kom!’ riep Meles en hij wees op een bootje dat in de gracht lag afgemeerd.

Zij nam een aanloop en sprong in het vaartuig. Meles roeide met een kracht die hij nog niet

van zichzelf kende. Zijn handen deden pijn van het trekken aan de spanen.

Ze konden zien dat de vrouw van het paard het museum in rende. De man vloekte hemel

en aarde bij elkaar aan de waterkant. En zo roeiden zij naar de overkant. ‘Hier nemen wij afscheid,’ zei Strigida. 

‘Hoezo?’ vroeg hij verbluft. ‘Je bent nog lang niet thuis.’

‘Ik kom verder wel alleen thuis hoor,’ zei ze en ze stopte een klein stukje papier in zijn hand. Daarna rende ze weg in de richting van het bos. Ze verdween voor altijd voor hij iets had kunnen zeggen. Aan de kant van het kasteel zag hij blauwe zwaailichten.

VIII

Zijn therapeut was gekleed in een blauw mantelpakje volgens de laatste mode  en heette Bokita. Ze had rode nagels. En Meles was haar klant.

‘Ik kan niets meer,’ zei hij.

‘Waarom niet?’ Ze tuitte haar lippen.

‘Omdat ik ..die baby.. ik droom er elke nacht over. Het was vreselijk.’

‘Maar je hebt die baby toch gered?’

‘Ik voel me verscheurd en ik ben woedend, hoe kan iemand zoiets doen?’

‘Heb je er met andere mensen over gesproken?’

‘Nee. Dat kan ik niet en ze zouden me niet geloven.’

‘Heb je er met dat meisje over gesproken?’

‘Ik ben haar telefoonnummer kwijtgeraakt.’

‘Je had haar nummer?’ Ze was oprecht verbaasd.

‘Ja, op een klein briefje. Maar dat is weg. Kwijtgeraakt.’

‘Je zei dat ze een judoka was.’

‘Ja, dat zei ze, maar ik heb haar niet kunnen vinden, niet in Holten of op internet. En ik heb de judobond gebeld en die kenden geen Strigida.’

‘Ze heeft die naam verzonnen?’

‘Ja, strigida betekent uil en dat kan geen echte naam zijn.’

‘Je hoort tegenwoordig wel gekkere namen.’

‘Ja.’

‘En toch: ze heeft die man met een heupworp gevloerd. Dat was echte judo.’

‘Heb je geprobeerd iets te weten te komen over de baby?’

‘Ik heb onder een valse naam gebeld met de politie, maar die mochten niets zeggen.’

‘Joh, wat vreselijk.’

‘Ik keek rond bij het station. Ik ben door Holten gereden, diverse malen, maar ze is er niet.’

‘Je moet kijken wat je er van geleerd hebt,’ zei de therapeut. ‘Dat is belangrijker.’

‘Ik heb een heldhaftige daad verricht,’ zei hij. ‘Maar ik ben er niet gelukkiger van geworden.’

‘En ik heb heftige dingen meegemaakt. Die gek heeft met twee zware kogels geschoten

en een behoorlijke deuk in het gebouw gemaakt, maar het had ook mijn hoofd

kunnen zijn.’ ‘Neem de tijd om het op te schrijven,’ zei de therapeute en maak een lijstje van dingen die jou gelukkig maken. Ik zie je volgende week.’

Hij hoorde het aan en knikte braaf. Achter hem werd de deur op slot gedraaid.

Een eekhoorn daalde uit een dennenboom naar beneden, wreef tussen zijn pootjes en

keek hem lang aan. Het was een prachtig schepsel, met een vlammend rode staart.

Hij wist dat hij de spookgeschiedenis niet kon veranderen, dat deze vast verankerd was in

de krochten van zijn brein. Het avontuur had zijn leven op zijn grondvesten doen trillen. Toen hij midden in de nacht was thuisgekomen, zonder broek, was zijn vriendin zeer boos geworden en ze had hem het huis uitgeworpen.

Sinds dit alles kon hij niet goed meer slapen, maakte door de vermoeidheid fouten op zijn

werk en verloor zijn baan. Hij deed nu wat eenvoudiger werk in de lokale supermarkt.

Toen hij op een zomerse avond nog even door een park liep, meende hij Strigida in de

verte te zien spelen met een kind. Ja, dat moest haar zijn. Zijn hart veerde op. Dat moest

haar zijn. Even lang, even blond, even sterk. Ze tilde het meisje op en zwaaide het rond.

Hij keek nog eens. Nee, ze was het niet. Hij liep door. Hij  hoorde niet dat de jonge vrouw zacht in het oor van het kind fluisterde: ‘Zwaai maar naar mijnheer Meles, hij is een lieve mijnheer, maar je mag het nooit tegen hem zeggen. Afgesproken?’

Je weet waar ik woon

Je weet waar ik woon

Ik leef niet in een droom

Ik leef ergens op de wereld

Ik ben zomaar ooit eens aan komen drijven

Lag tussen de blaadjes van een bloem

Dat is lang geleden

Nu ben ik wereldburger

Ik kan overal tevreden leven

Misschien woon ik vandaag in Shanghai

En morgen in Montreal

Misschien in het zand van Addis Abbeba

Ik heb een paspoort

Maar wat moet ik er mee?

Landen bestaan niet, zijn gemaakt

Soms draag ik een lange jas

Soms alleen een hemd

Maar vrienden herkennen me overal

Omdat ze weten waar ik woon

Het is geen geheim.

Maar een beschermde plek

Is meer dan je huis

Meer dan je sloten op je deur

Meer dan de tralies op je raam

Meer dan de waakhond en het alarm

Meer dan het wantrouwen naar je donkere buurman

Een beschermde plek is je zelfrespect

Die als een schaduw met je meereist

En over de hoge gemetselde muren glijdt

Maar om kort te zijn:

Ik verhuis nooit

Blijf altijd dezelfde

Op dezelfde plaats

In dezelfde straat.

En vergeten doe ik niemand

Dus als je aanbelt

Dan weet je nu waar ik woon.  

Het wonder van de heide

De heide bij Nijverdal

De heide, rust

in grote stilte,

maar in de struiken gonzen de insecten,

op zoek naar honing,

allemaal of het vanzelfsprekend is,

en nou ja,  dat is het ook wel,

maar het is ook een mysterie,

want je ziet vrijwel geen dier,

maar ze zien jou wel.

Dassen, konijnen, wilde zwijnen,

waar zijn jullie?

Buizerd, uil, hermelijn?  

Mensen zijn er wel,

in een oudemensen karretje,

op gymschoenen,

of slaperig onder een oude eik.

Het is warm, zand kleeft in mijn schoenen,

en een beest stak me onder mijn trui.

Als het maar geen teek is.

Met twee jeukbulten rijker, loop ik verder

over de heuvels.

Kraantje Lek/Overveen, Een Hollandse zomerdag

De Blinkerd bij Kraantje Lek

Just a perfect day
Drink sangria in a park
And then later
When it gets dark we go home
Just a perfect day
Feed animals in the zoo
And then later a movie, too
And then home

Oh it’s such a perfect day
I’m glad I spend it with you
Oh such a perfect dayyou just keep me hangin on
You just keep me hangin on

Just a perfect day
Problems are left to know
Weekenders all night long
It’s such fun
Just a perfect day
You make me forget myself
I thought I was someone else
Someone good

Lou Reed

De Holle Boom

Het was een Hollandse zomerdag. Zo’n dag  dat de zon er is, maar zo nu en dan ook niet, omdat zij zich verschuilt achter de wolken. Niemand in Holland vindt dat erg. Iedereen werkt, iedereen slaapt, iedereen vrijt onder de steeds wisselende luchten achter de dikke dijken. En merkt ook al lang niet meer dat het Hollandse licht het mooiste licht is op de wereld.   

In die gegeven omstandigheden streek een man op het overvolle terras van Kraantje Lek in Overveen over zijn witte snor en keek met droevige ogen om zich heen naar de spelende kinderen. De betekenis van lol maken ontging hem al enige jaren, want hij leefde in een onzichtbare zwarte doos, waarin hij twee denkbeeldige kijkgaatjes had gemaakt om naar de wereld te kijken. Hij droeg die dag zijn grijze jasje en daaronder een effen blauw overhemd. Zijn broek was net zo wit als de laatste plukjes haar op zijn hoofd. Hij was een oude, formele journalist met een kwartpagina op het sportkatern. Dat was het en meer wenste hij niet. Hij bestelde een kop koffie met een glas water en keek naar het oude gebouw. Het was wit als een huisje van Hans en Grietje en had uitslaande deuren. Het stemde

hem mild, als er niet zoveel kinderen waren geweest, was hij een dag blijven zitten. Naast hem, aan een andere tafel waarop een half afgekloven stuk taart lag, ontdekte hij een vrouw met lang, zilverkleurig verwilderd haar.

Ze had een erg slanke, doorzichtige gestalte en op haar gezicht schuurden ontelbare diepe geultjes sporen van een lang en ingewikkeld leven. Maar zij lachte hard in zichzelf en sloeg van blijdschap op haar knieën. Dat verbaasde hem, maar het ergerde hem minder dan het rumoer van de kinderen. Hij richtte zich tot haar en vroeg neutraal: ‘Waarom lacht u?’

Ze haalde haar schouders op en lachte verder alsof ze niets gehoord had. Hij nam een slok van zijn koffie en vouwde zijn handen achter zijn hoofd. Even leek het hem beter niet naar zijn afspraak te gaan. Een keertje spijbelen, hoe zou de redactie daarop reageren?

Door zijn diepe gedachten merkte hij niet dat de lachende vrouw naast hem kwam zitten. Ze spreidde haar gerimpelde handen uit en hij zag dat haar lange nagels roze gelakt waren, met rode stippen als op een paddenstoel.

‘Waarom lacht u zo?’ vroeg hij op een neutrale toon die toch medelijden verried.

‘Omdat ik zo gelukkig ben. Voor het eerst in tachtig jaar ben ik gelukkig. Voor het eerst.’ Haar stem klonk als het krassen van een kraai in haar laatste uren. Maar er was ondanks de erbarmelijke geluidskwaliteit wel een vriendelijke toon in, die hem aanmoedigde. 

‘Dus al die jaren was u niet gelukkig?’ vroeg hij nonchalant en hij wachtte af of deze vraag niet te impertinent was. Het was wel erg direct, vond hij.

‘Wat?’

‘U was al die tijd niet gelukkig?’

‘Ja en hoe. Tot mijn tiende levensjaar was ik gelukkig. Toen kwam mijn stiefvader in mijn leven. Voor die tijd kwam ik hier bij Kraantje Lek en de Holle Bolle Boom en was gelukkig. Maar dat is lang geleden. De boom is half omgewaaid en de resten zijn in brons gegoten.

‘Brons? Boom?’ De man kneep met zijn ogen en zag iets wat op een boom leek.

‘Brons omdat de mensen er zo aan gehecht waren. Dus vanwege de herinnering aan goede tijden.’ Ze pakte een gouden aansteker en stak een sigaret aan. ‘Ook eentje?’ Vroeg ze. Hij accepteerde de sigaret en het vuurtje.

‘Roken is slecht,’ zei hij.

‘Ja,’ blies ze en liet een wolkje giftige rook ontsnappen. ‘Maar ik kan niet stoppen.’

‘Heb jij fijne herinneringen aan deze plaats?’

‘Ik ben hier nog nooit eerder geweest,’ zei hij en hij vroeg zich af waarom niet. De plaats had iets wat hem bijzonder aansprak.  

‘O.’

‘Ik kwam hier langs en stopte voor een plas, ik moet eigenlijk naar Zandvoort voor de Formule 1. Interview.’

‘Is dat met die mannen op zo’n klein fietsje? Ik vind dat zo dapper dat ze op zo’n fiets van een berg durven storten.’

‘Nee. Nee, het is iets anders. Maar toen kwam ik hier. Ik heb rust nodig.’

‘’ Dan is dit niet zo’n goeie dag,’ zuchtte ze. Veel kinderen uit Haarlem en omstreken vandaag. Iedereen kent het hier. Vroeger al, toen iedereen nog geloofde dat de kindjes uit de holle boom kwamen.’

‘Eerlijk? Uit een boom?’ Hij lachte voorzichtig. Het was een halve glimlach. Een bijzonder flauwe aanzet tot,  want hij lachte nooit. In ieder geval sinds twee jaar niet meer, toen het leven hem hard te grazen nam. Sinds die tijd had hij een andere blik in zijn ogen van een waterigdroevige soort, zoals zeemannen als ze aan boord gaan voor een lange reis om de wereld. Van de ellende was zijn snor grijsgeworden en slap gaan hangen als de blaadjes van de enige plant op een slonzige studentenkamer.

De vrouw met de zwartrode jas moest weer heel hard lachen. ‘Kindjes uit de boom,’ hikte ze, ‘en heel Overveen Haarlem en Zandvoort geloofde het.’

‘De kinderen wel,’ zei hij.

Hij wenkte een serveerster. ‘Nog een stukje appeltaart,’zei hij. “Die taart is verrukkelijk.’

‘Wat wilt u?’ vroeg hij aan zijn gesprekspartner.

‘Een geitenmelk,’ zei ze.

‘We hebben geen geit mevrouw,’ zei het meisje.

En weer lachte de vrouw oorverdovend hard.

‘Wel gewone melk. Van de koe.’

‘Nee bah, doe dan maar konijnenkeutelthee.’ De vrouw bleek over een onbeschaamd soort humor te beschikken, maar misschien kon het haar vanwege haar leeftijd niets meer schelen.

Zij legde met een teder gebaar een hand op de mouw van zijn jasje.

“In mijn jas zitten mijn herinneringen,’ fluisterde ze. ’Zelf erin geborduurd. Ze deed haar jas open. Wil je ze zien?’

Hij knikte. Waarom ook niet. Het was spontaner en minder voorspelbaar dan een interview met een gelikte woordvoerder van een Formule1 racer.

In de voering zag hij diverse vogels. Hij herkende een duif en een kraai. ‘Voordat ik gek werd, was ik bioloog,’ lispelde ze. ‘En vogelexpert.’

‘Interessant.’

‘Vogels en vrijheid daar hield ik van.’

‘Ja.’

‘Maar toen werd ik loco. Kierewiet. En ben ik uit een dakraam gesprongen, want ik dacht dat ik kon vliegen. Dat zie je hier.’ Hij zag een geborduurd pannenkoekenhuisje met een persoon die er overheen vloog. ‘In het gekkenhuis heb ik deze jas gemaakt. Heel lang overgedaan. Maar toen was ik ook voldoende genezen om weer naar buiten te kunnen. Hoewel, ik ben nog niet helemaal normaal. Maar ik heb zoveel meegemaakt. Ik ben als kind van pleeggezin naar pleeggezin gebracht, toen ik tiener werd sliep ik in parken en verdiende geld met dingen die ik u, zo’n keurige man, niet ga vertellen. Toen ik dertig was heeft een ex me bijna vermoord en mijn drie kinderen ben ik kwijtgeraakt. Ik weet niet waar ze zijn.’ Ze staarde naar haar nagels. Even leek het erop dat ze wilde gaan huilen. ‘Maar nu heb ik een nieuw leven. Ik schilder, ik brush, ik paint en ik  heb een nieuwe vlam. Hij is 78. Samen gaan we ’s nachts naar fabrieksterreinen en treinstellen en we zetten een tag.’

‘Een tag?’

‘Een kleurige afdruk in een grijze, drukkende wereld.’ Ze haalde twee spuitbussen uit de diepte van haar jaszakken.

‘Dat mag toch niet?’ protesteerde hij.    

Ze negeerde zijn bezwaar. ‘Wat zijn uw herinneringen?’ ging ze verder.

Ze keek hem onderzoekend aan. Ze had een spitse neus en kleine ronde ogen. Ze leek op een muisje.

Hij haalde zijn schouders op. Hij kon niet zo goed praten, hij was altijd diegene die de voorgekookte vragen stelde. Het was niet moeilijk journalist te zijn.

‘U bent iemand verloren,’ zei ze zacht. ‘Ik zie het aan de iris in uw ogen. Wie was het?’

Hij slikte.

Herinneringen slopen zoals elke dag in zijn geest naar voren. Die paarse dag. Paars was voor hem de kleur van de ellende. Hij droeg die dag een paarse jas. Ook vroeger als er iets was, droeg hij altijd paars.

Die paarse dag kwam hij zijn woonkamer binnen. In de stoel bij het open raam zat Rob. Het leek of hij sliep. Zijn boek, een studie over Couperus, lag geopend op zijn schoot. Zijn hoofd was gebogen. De kleur van zijn gezicht was wit als het pleisterwerk dat ze samen op de muren hadden aangebracht. Rob werd veertig. Twee dagen daarvoor hadden ze zijn verjaardag groots gevierd met al zijn vrienden. Maar John zag het direct: zijn grote liefde was voor altijd heen.

Vocht drupte uit zijn ogen.

De vrouw stond op en zonder iets te zeggen pakte ze zijn arm. Ze had een flinke kromming in haar rug.

‘We gaan naar de blinkerd,’ zei ze en ze wees naar de zandheuvel achter Kraantje Lek.

Hij aarzelde niet, maar stond op en volgde haar als een schoolkind de juf. Het kwam hem voor dat hij in haar macht was gekomen, zoals hij weleens gezien had op televisie, bij een hypnoseshow.

Ze beklommen het duin. Zij, krom als een oude eik, hij een grijze ambtenaar. Niemand lette op hen, hoewel het een niet alledaagse combinatie was. Ze zouden moeder en zoon kunnen zijn.  

De heuvel, gevuld met kinderen, blonk in de zonneschijn en hij begreep nu de naam. Hij kon niet geloven dat hij daar boven stond. Hij was al vijftig. Als de mensen nu maar niet dachten dat hij net zo gek was als de dame bij hem, of dat zij meenden dat hij hier kwam om kinderen te lokken.

De vrouw met de mantel bleef staan, wees naar beneden en zei: ‘Alles wat je kan helpen tegen verdriet is het spel met het zand en de wind. Ren zo hard mogelijk, spreid je armen en word een duivel!’

‘Duivel?’ herhaalde hij schaapachtig.

‘Een duivel om het verdriet op te vreten.’

Ze lachte verontrustend luid en speerde naar beneden. Halverwege liet ze zich vallen en rolde  om haar as als een echte maniak. Hij zag dat geen enkel spelend kind op deze zandberg het een probleem vond. Hij wilde het ook wel proberen. Als het zou helpen tegen dat tranenmonster dat in zijn borst rondwoelde, waarom niet?

Hij stormde naar beneden achter haar aan als een losgebroken koe. De wind tintelde om zijn oren en hij rolde om en om en om. Hij verloor zijn sleutels, telefoon en zakboekje. En zijn zonnebril. Het was een genot dit te mogen doen. Maar hij schaamde zich teveel voor een tweede keer en zocht de magiër. Ze stond met haar armen gevouwen om  de holle bronzen boom. En klom erin.

‘Plezier!’ Krijste ze en verdween.

Hij liep naar de boom, keek erin en omhoog, maar daarin was ze niet. Ook tussen de vlaai fietsen en op het goedgevulde terras was ze niet. Hij sprak het personeel aan, maar dat haalde onverschillig zijn schouders op. Dus betaalde hij het verschuldigde bedrag, pakte het handvat van zijn auto en merkte een vage, misselijkmakende verflucht op. Hij stapte in zijn auto en wreef over zijn snor zoals hij altijd deed voor het wegrijden. Dat was een gewoonte geworden omdat hij bijgelovig was. Hij keek in zijn binnenspiegel en meende haar te zien.

Er werd op zijn raampje geklopt. Het was de vrouw. Hij drukte op een knopje.

‘Dacht je dat ik al weg was? We moeten toch gewoon afscheid kunnen nemen?”

Hij keek haar aan.  Een lichte irritatie bekroop hem. Maar hij zei netjes: ‘Dat is waar, maar u was weg, ik kon u nergens vinden. Waar was u?’ Hij wilde weg.

‘Geef je me dan je aansteker terug?’

Hij gaf het.

‘Ik ben wel gek, maar niet gek’, lachte ze.

Hij reed door de duinen en Rob zat weer naast hem.

‘Lachen,’ sliste hij. Rob had een licht spraakgebrek.  ‘Dat jij van dat duin afging, man, dat deed je nooit voor ik doodging.’ 

‘Dat durfde ik niet Rob,’  gaf hij terug.

‘Je was een schijterd.’

‘Misschien. Maar ik was ook serieus. Want wie heeft al het geld verdiend bij ons? Wie heeft jou alles laten doen wat je wilde?’ 

‘Je was zo serieus Johnny boy, zo serieus tuttut, wat kon jij moeilijk doen.’

Hij zag Zandvoort naderen. ‘Ik mis je Rob,’ zei hij. ‘Maar ik ga zo aan het werk. Dus ga asjeblieft terug naar boven.’

Hij remde en het spook van zijn verbeelding verliet de wagen. Hij kwam op Zandvoort aan.

Hij had geen tijd meer om te kunnen zien hoe hij eruit zag, klopte nog wat zand van zijn jasje en zijn broek en stapte uit op het circuit. Het was een lange, zwarte slang die door de duinen kronkelde. Een dodelijk beest, vooral in de bochten. Daar kwamen mensen op af, op die geur van bloed en crashes. Ed, zijn eindredacteur liep op hem af.

‘Hee John, alles goed?’

Hij knikte. Hij had vandaag weer even gelachen en een kick gekregen van duinrennen. Misschien kon hij stiekem ergens een duin uitzoeken en wegrollen als een kind.

‘Wat heb jij nou gedaan?’ wees de redacteur. Zijn arm ging richting de peperdure leaseauto.

Op het linkerportier van de metallicgrijze Rover waren  over de breedte, grote, vette, gele letters geverfd  met de woorden: Kus me, kietel me. Plezier! John. Daaronder zijn telefoonnummer. Op de motorkap lachte een groot rood hart hen toe. De maker had het voorzien van een paar ogen en een mond. Ook daaronder stond: Plezier!  

De coureurs van het maffe benzinecircus kwamen kijken en scheurden uit hun leren pakken van het lachen om deze dwaasheid. Hij voelde een gat in het bitumen waarin hij weg wilde zakken. Of misschien was het beter als een racemonster over hem heen zou knallen en hem hier dood achter zou laten. Het werd nog erger. 

‘Kijk eens in de spiegel,’ zei de cameraman. Een

productiedame met opgespoten lippen, leende hem haar spiegeltje. In de weerspiegeling ontwaarde hij een snor zo geel als een badeend.

Hij steeg uit zichzelf op van schaamte en racete over het circuit langs de mortale checkpoints en de Vip tribunes. Toen hij terugkwam in zijn lichaam zat alleen de redacteur met zijn arm om hem heen.

‘Ik breng je naar huis,’ zei hij. “Enig idee wie dit gedaan kan hebben?’

John antwoordde niet, haalde zijn schouders op. ‘Zijn er mensen met wie je problemen hebt gehad de laatste tijd?’

“Nee,’ hij schudde zijn hoofd.

‘Een vrouw, een ex misschien?’

‘Nee.’  

‘Ik breng je naar huis. En dan zorg ik dat de auto wordt hersteld.’

Ze reden naar zijn flat. Onderweg vroeg hij de redacteur te stoppen. Aan de linkerkant waren hoge duinen. ’Stop hier maar,’ zei hij. ‘Ik loop zelf verder.’

Hij wachtte tot de auto uit het zicht was, beklom het duin en rende als een idioot naar beneden.

‘Dit is zo goed,’ zei hij in zichzelf. Er passeerde een onbekende vrouw. ‘Wilt u mij kietelen mevrouw en

kussen?’ vroeg hij beleefd, want hij was overmoedig geworden.

Ze sloeg hem hard op zijn neus met een handtasje.

Hij lachte oerend hard.

De avond kwam over het vlakke land. De zon zakte roodoranje in de lauwe Noordzee. Op het terras van Kraantje Lek zaten nog twee gasten te drinken en te praten over de liefde, over de toekomst en over vandaag. Op de achtergrond zong Sinatra een weemoedig liedje over oud worden. September of my years.

De oude vrouw zat in bed met haar liefde George en zij streelde zijn rug. ‘Ik heb vandaag een man ontmoet die erg verdrietig was. Ik heb hem wat opgevrolijkt.’

‘Laten we gaan schlafen,’ zei haar Duitse vriend. ‘Ik dacht dat je misschien nog een treinstel wilde doen, liefje.’  ‘Ich ben moe liebchen.’

De coureurs van het racecircuit sliepen in hun mandjes naast hun glimmende bolides. Een van hen droomde dat hij de wedstrijd won in een badeendgele auto met een hartje erop. Omdat hij gewonnen had, liet hij zijn snor geel verven.

John lag alleen in zijn tweepersoonsbed en sprak tegen de foto van Rob. ‘Ik heb vandaag lol gehad en ik ben afgegaan en in elkaar geslagen.’

‘Je moet niet zeuren John,’ zei de overledene.

‘Ik hou van je.’

‘Morgen ga je op zoek naar een andere vent, lieverd. Je weet nu hoe je moet lachen. Doe je best.’ Hij deed het licht uit.

En de nacht gleed over de huizen en bracht de slaap en de dromen naar de kleine mensen.

Rond

Rond zijn haar geheimen,

rond is ook haar lach,

rond zijn alle vragen,

die ik niet stellen mag.

Rond zijn haar lippen,

rond is ook haar hand,

rond zijn al haar kussen,

elke keer sta ik in brand.

Rond en rond,

draai me rond,

in je vierkant,

je boksring,

stuur me van,

hoek naar hoek,

in een vloek.

Draai me rond

rond en rond.

Lekker ding.

Ik wil naar de maan,

ronde schijf van geluk,

als ik kon,

nog even door naar de zon,

op de fiets,

want daar is zij,

maar wie ben ik?

Ik weet het niet.

Ik draai rond,

een antwoord krijg ik niet.

Zij is op haar balkon,

met een kopje thee,

wat zeggen de buren,

van verdieping twee.

Ze is zo jong,

ze doet maar wat,

ze koopt haar kleren,

gaat naar een concert,

dat hert,

in de wilde stad.

Ze lakt haar nagels,

en ze heeft een kat

maar wie is ze,

die schat,

ze draait rond en rond,

antwoord geeft ze niet.

Rond zijn haar woorden,

rond is haar stem,

rond haar verschijning,

en ik zit klem.

Rond zijn haar tanden

rond is ook haar voet,

rond zijn al haar tranen

als ze niet weet wat ze moet.

Rond en rond,

draai me rond,

in je vierkant,

je boksring,

stuur me van,

hoek naar hoek,

in een vloek.

Draai me rond

rond en rond.

Lekker ding.

Ik wil naar de maan,

ronde schijf van geluk,

als ik kon,

nog even door naar de zon,

op de fiets,

want daar is zij,

maar wie ben ik?

Ik weet het niet.

Sjoerd

 augustus 2023

Nobel

Eindelijk, na zes jaar schrijven en nog eens schrijven en beginnen en weer opnieuw beginnen, heb ik het verhaal over de Alkmaarse zeerover Nobel (1590(?)- 1628) kunnen afmaken. Ik heb een boek gemaakt vanuit het perspectief van een een fictieve tijdgenoot. Uiteraard is het boekje (125 bladzijden) te krijgen, bij mij, op aanvraag.

Als de rijke, jonge Jannetje in 1628 een opdracht uitvoert voor haar vriendin, belandt ze in een avontuur met de zeerover IJsbrand Nobel. Een spannend verhaal over liefde, vriendschap, loyaliteit en vechten voor je leven. Zal zij ooit weer vaste grond onder haar voeten krijgen?

Een fragment uit het boek:

16 januari 1628

Ze roert in de stenen pot waarin bruine bonen pruttelen. Ik begrijp niet waarom ze dat Bregje, de meid, niet laat doen. Ze is een vrouw waar de rijkste mannen van dit land naar kijken en toch kookt ze zelf. Ik begrijp haar niet. Echt niet. Ze plaagt me ook met allerlei kerels die lelijk zijn. 

´Maar je kunt toch met Michiel trouwen?’ zegt ze zacht en ze blaast over de pot.

‘Trouw jij met hem.’

‘Ik trouw nooit meer.’

‘Dat vind ik dom.’

‘Iedereen mag zijn mening hebben.’

‘Ik vind het raar dat je nog steeds voor papa dekt.’

‘Papa is nog steeds aanwezig. Ik voel hem.’

‘Ja, maar niet met zijn lijf.’

‘ Ik mis hem elke dag mama.’ Ze streelt mijn hand.

‘Dat begrijp ik, lieverd.’ Ze schept de bonen op.

Aan de buitenwereld  laat ik niets merken,’ ga ik verder, ‘maar vaak moet ik weer denken aan die dag.’

Ze gaat zitten en wijst dat ik dat ook moet doen. We hebben het er iedere dag over.‘Hij was zo’n fijne man, ik herinner me dat toen ik hem voor het eerst zag, ik langs het water liep en mijn schoen verloor.’

‘Dat was raar.’

‘Ja, en hij kwam hem brengen. Hij was in de haven voor zaken.’

‘Er zat poep aan die schoen.’

‘Dat heeft hij er afgehaald voor me. Dus als er ooit een man voor je komt, stamp in de kak en vraag hem het eraf te halen.’

‘En zo raakten jullie aan de praat.’

‘Ja, en het was liefde, het was een huwelijk uit liefde, wie kan dat nou zeggen tegenwoordig? Ze trouwen toch allemaal om de poen.’

Even zijn we stil. We horen onze poes klagend miauwen.

‘Ik herinner me zijn sterke armen,’ zeg ik dromerig.

‘Die mooie ogen, die heb je van hem, schat.’

‘En toen die dag. Hij was nooit ziek.’

‘Nee, maar hij heeft het wel opgelopen. Ach, wat doet het er toe, het is gebeurd. Eet je bonen. Ze worden koud.’

‘Ik droom er nog van, mama, die nare tijd.’

‘Probeer het te vergeten.’

‘Ik zie de paniek in je ogen, de dokter die gaat aderlaten, het zweet van papa, de angst overal.’

‘Je moet door met je leven, schatje. Papa is daarboven in Gods handen, hij ziet je en houdt van je.’

‘Ik zie ze daarboven, papa en zusje. Ze spelen verstoppertje, ze varen door de wolken, maar toch wil ik dat ze hier weer zijn. Ze horen bij ons.’

‘Stop toch met zo te praten, je maakt me in de war.’

‘Ik hou mijn mond niet. Nooit.’

Nu wordt ze kwaad. Ik zie de rode blosjes op haar wangen. Ze pakt een haardpook en komt op me af. Ik hou een stoel voor me. Het ziet er weer belachelijk uit, maar zo gaat het bijna elke dag. Ik hou het niet meer uit met dat mens en het ergste is dat zij buiten de deur heel geliefd is. Niemand kan zich voorstellen dat ze een heks is. Een hele knappe heks.

En zo staan we tegenover elkaar, als lelijke wijven. Ik zeg tegen haar: ‘Je bent een lelijk wijf, een droes, een duivel en je hoort op de brandstapel.’  

‘En jou moeten ze onthoofden en je kop op de Grote Kerk zetten!’

En ja hoor, daarna lachen we weer, we rollen over de grond van het lachen, dat doen we ook elke dag. We zijn allebei gek. Maar het kan ook van het verdriet komen. Toen papa en Hilleke op dezelfde dag heengingen, waren we heel verdrietig.

We hoopten dat het over zou gaan, maar dat deed het niet. De beul kan beter je duim afzagen, dat is nog minder pijnlijk. En op een dag wist ik het: we zijn gek geworden. Voor de buitenwereld lijken we normaal, maar dat zijn we niet. We zijn van lotje getikt. We schelden elkaar uit, we vechten, krabben, trekken aan elkaars haren, we gooien met potten en pannen en daarna lachen we uren tot we pijn in onze buik hebben. Dat is niet normaal. Ik schud mijn krullen door elkaar. Ik vraag me af van wie ik die heb. Mijn moeder, Elisabeth, heeft lang, donker, stijl haar. Tot op haar kont.

‘Ik heb je nog niet verteld van vandaag,’ zeg ik. 

‘Ik wil het niet weten,’ zegt ze.

‘Goed, dan niet.’ ‘Waarom zou ik het willen weten?’

‘Allemachtig, je bent toch mijn moeder.’

‘Nee, dat ben ik niet. Echt niet.’

‘Goed, je bent niet mijn moeder.’

‘Vertel je verhaal, anders krijg je geen eten.’

‘Dat vind ik zo raar aan jou: je wil het niet weten en daarna wil je het zo graag weten dat ik anders geen eten krijg.’

‘Ik ben bang.’

‘Waarvoor?’

‘Dat je niet de waarheid vertelt. Je bent een liegbeest. Altijd geweest.’

‘Dat is niet waar, dat weet je.’ We zwijgen. De stilte kruipt door ons blinkende, pronkende huis…


Buien van augustus

De schotel met eten voor de egel,

is pap, drijft in het hemelwater,

en waar het diertje is,

hij zou nog kunnen slapen,

verscholen onder de weggewaaide poster

van dat Italiaanse dorp, met

oude warme stenen onder een huid van dik groen blad,

ja, onze kat hangt nu in de gordijnen,

en een reiger staat met zijn poten in de vijver van de

buurman,

waar je ook kijkt, altijd is er natuur, ook aan het einde van de

regenboog die winterslaapt.

Een liefdesverhaal in de lift van de Euromast, Rotterdam

Het licht ging uit. En de lift stond stil. Daarin stond Edgar.

‘Ik vind dit niet grappig,’ zei hij tegen zichzelf.

‘Wat?’ antwoordde iemand.

‘Dat we hier in het donker staan.’

 ‘Waar moet jij heen?’

‘Naar iemand.’

‘Wat heb je?’

‘Van alles.’

‘En jij?’

‘Ik ga wat doen.’

‘Wat?’

Hij zweeg.

‘Je mag het me best vertellen hoor.’

‘Ik ben Edgar,’ zei hij tenslotte. ‘Jij?’

‘Cindy.’

Edgar hoestte.

‘Ik was buiten en dat was wel even wennen.’

‘Ja.’

‘Hoe lang zal het gaan duren?’

‘Als er een monteur is.’

‘Of de brandweer.’

‘Is er een telefoon?’

Hij voelde langs de wanden.

‘Ja, hier.’

‘Probeer te bellen.’

Hij drukte op de toetsen.

Hij hoorde een stem.

Het kan wel even duren, zei de stem.

‘Waarom is er geen licht in dit ding?’

De stem was al weg.

Hij zakte tegen de wand van de lift. Bleef zitten.

‘Mijn leven is als deze lift,’ zei hij aarzelend.

Ze ging ook zitten, naast hem. Ze dacht na over zijn woorden.

‘We zitten wel droog.’

‘Het is hier koud.’

Ja, koud en donker.’

‘Ik weet niet wat je hier hebt.’

‘O, dat.’

‘Het voelt zacht.’

‘Ja.’

‘Mag ik het gebruiken?’

‘Nu?’

“Ja, ik heb het koud.’

‘Nee.’

‘Waarom niet? Is het een jas?’

‘Nee.’

‘Een trui?’

‘Nee.’ 

‘Denk je altijd alleen aan jezelf?’

“Je mag tegen me aan komen zitten.’

‘Ik ken je niet.’

‘Dan leer je me kennen.’

‘Misschien wil ik dat niet.’

‘Waarom niet? Ik ben Edgar, ik ben een

man die omhoog wil en daarna naar

beneden. Die enthousiast is.’

‘Omhoog wil en daarna naar beneden,

bedoel je seks?’ ze klonk geschrokken en

kroop weg.

‘Nee, geen seks. Kom terug. Ik heb het

over mijn leven. Mijn mislukte leven.’

Ze kalmeerde.

‘Mag ik je hand vasthouden?’

‘Dat is goed.’

Ze pakte zijn hand. Haar hand voelde klam.

‘Vertel.’

‘Het is niet goed gegaan. Mijn vader sloeg me.’

‘Hoe vaak?’

‘Vaak. Ik heb het niet geteld.’

‘En daarna?’

‘Van huis weggelopen. Twee keer een KFC overvallen. Daarna wat in de shit

gehandeld.’

‘Shit?’

‘Dope, coke, weet je.’

‘O.’’

‘En daarvoor heb ik tien jaar in de Longe gezeten.’

‘Dat is lang.’

‘Ja. Waar ruikt het hier naar? Heb je in de poep getrapt?’

‘Nee.’

‘Hoe lang zitten we hier al?’

‘Tien minuten.’

‘Waarom kan dat licht niet aan?’

‘Geen idee. Mag ik tegen je aan komen zitten?’

‘Ok.’

‘Zo?’

‘Ja, is goed.’

‘Cindy, jij, wat heb jij gedaan?’

‘Niks strafbaars.’

‘Dat bedoel ik niet. In je leven, werk, relaties.’

‘O. Ja. Ik ben directrice geweest van een heel  groot bedrijf.’

‘Geweest.’

‘Ja, dat is voorbij. Ruzie met iemand.’

‘Man, vrouw?’

‘Een vrouw. Mijn compagnon.  We hadden in bedrijf in hondenpoepzakjes. Zij wilde me kussen, ze zei dat ze van me hield. Ik wilde niet, wees haar af, toen is zij slechte verhalen over me gaan vertellen.’

‘Wat voor verhalen?’

‘Ik vind het moeilijk dat te vertellen. Maar ze vertelde dat ik naakt over het kerkhof danste en het bloed van gestolen cavia’s dronk.’

‘Stil eens. Ik dacht iets te horen buiten.’

‘Ik hoor het ook.’

‘Stemmen.’

‘Heb jij eten bij je?’

‘Nee.’

‘Ik ook niet.’

‘Wat is dat zachte spul waar ik tegen aan lig?’

‘Dat is een lang verhaal.’

‘Vertel. Wat ruik je lekker.’

‘Dank je.’

Hij  streelde over haar haren. Het voelde stevig en krullerig. Hij probeerde

zich voor te stellen hoe ze eruit zag.

‘Ik was vrijgekomen, twee weken geleden en ik was thuis. Er was verder niemand. De

meeste mensen, eh, je weet, als je thuiskomt na tien jaar staatshotel dan

wachten er niet veel op je. Toen zag ik op tv een gast die hetzelfde

had meegemaakt. Hij zei: je moet niet wachten op anderen, je moet jezelf

aanpakken, je moet een begin maken. Een sterk begin. Iets waar jij verder mee

kan. Hij was basejumper. Weet je wat dat is?’

‘Nee.’

‘Dat is iemand die van hoogtes van ongeveer honderd meter naar beneden

springt.’

‘Getsie.’

‘Nee, supervet. Dus dat wou ik ook. Ik ben met een paar basejumpgasten gaan praten.’

‘En vandaag wou je gaan springen?’

‘Yep, 185 meter, zo hoog is de toren.’

‘En daarom zit je in de lift?’

‘Yes sir.’

‘Maar waarom, ik snap het niet, dat is toch hartstikke gevaarlijk?’

‘Ik heb een parachute.’

‘Ah, dus dat is dat zachte spul waar ik op lig?’

‘Alweer goed.’’

‘Jezus man, dit moet je echt niet doen.’

‘Dat zegt iedereen, maar het gaat erom wat ik ervan vind. Niet die en die.’

‘Je bent gek!’

‘Dat vind jij. Hee, waarom ga je nu weg?’

‘Ik vind dit zo vreselijk. Dus jij wilde naar boven naar de omloop op de toren en dan

hup er van af.’

‘Nee, nee, door het raam van het restaurant. Dat bovenste stuk van de

Euromast, daar kom ik niet op.’

‘Door het raam? En die mensen die daar eten die schrikken zich dan dood, joh. Dit

is belachelijk! Ga iets anders doen voor je vreselijke ego. En, en, dit heb jij toch

helemaal niet nodig. ‘

‘Ik vind van wel. Als moment om weer goed te beginnen, begrijp je.’

‘En de politie dan, heb je daar aan gedacht? Ze staan je alweer op te

wachten.’

Hij kuchte.

‘Dat is waar. Nee, niet aan gedacht. Dat is niet prettig.’

‘Dus?’

‘Nou ja, ik zit toch hier.’

‘Dus?’

‘Misschien een andere keer.’

Ze zwegen. Hij dacht aan een stevig verhoor dat zou volgen. Justitie zou weer

naar hem kijken. Dat onbekende mens had misschien gelijk. Hij moest iets doen,

springen, maar niet van de Euromast. Hij werd misselijk van het idee aan het

Openbaar Ministerie.

‘Ik hoor weer geluiden buiten,’ zei ze. ‘Ze zijn bezig ons te bevrijden.’

‘Ja, kom je weer hier zitten?’

Ze vleide zich tegen hem aan. Hun lippen zochten elkaar. Het voelde of hij vleugels

kreeg van haar. Misschien moest hij naar haar luisteren.

‘Voelt goed bij jou,’ zei ze. ‘En je zoent lekker.’

‘Wat kwam jij hier doen Cindy?’

‘Ik wil het er liever niet over hebben, Edgar.’

‘Mm.’

‘Is dat ja of nee?’

‘Ik heb jou ook alles verteld.’

‘Ik ga op bezoek.’

‘Op afspraak?’

‘Nee.’

‘Wat ben je dan van plan?’

‘Niks.’

‘Wel. Je gaat iets doen, kom op, vertel.’

‘Jij hoeft dat niet te weten.’

‘Je gaat iets uitspoken met die compagnon.’

‘Nee hoor.’

‘Je liegt. Wat heb je bij je?’

‘Een taart.’

‘Lekker.’

‘Niet voor jou.’

‘Jammer.’

‘Het is een bijzondere taart.’

Metaal schuurde op de deur, het kwam van buiten.

Hij schrok. ‘Het is een taart met een bom. Mijn god, o nee, shit, er zitten explosieven 

in. Jezus, laat ze opschieten.’

Hij duwde haar opzij en hield zijn handen tegen zijn oren. Ze zag het niet.

‘Rustig, rustig. Het is poep. Het is een taart met poep van mijn hond Teun. Die wilde ik…’

‘Daarom stinkt het hier!’

‘Ja.’ Ze snikte.

Ze omarmden elkaar.

‘Dat moet je niet doen,’ zei hij zacht. ‘Je wilde die taart in haar bek douwen. Dat

moet je niet doen.’

‘Nee, Maar ze was zo gemeen.’

Ze zakten weer tegen de zijkant van de lift. De liftdeur werd opengetrokken. Twee

monteurs, een kleine en een hele lange, schenen met lampen naar binnen.  ‘Goeiemiddag,’ zei de kleinste.

‘Komt u maar naar buiten.’

Even later stonden ze voor de liften.

‘Alles goed?’ vroeg de langste. Edgar en Cindy knikten braaf als schoolkinderen.

‘Wat stinkt het hier,’ zei de kleinste. ‘U heeft hier toch niet zitten schijten?’

Ze namen de trap naar beneden.

Maar toen zij beneden waren aangekomen en aan een drukke straat stonden, wees Edgar plotseling naar een man aan de overkant die  snel op hen afkwam.

‘Wegwezen,’ riep hij, ‘dat is Bram v.d. E, een hitman!’  Edgar draaide om en rende

de toren in. Cindy hobbelde achter hem aan, in haar rugzak de taart. Hijgend

kwamen zij boven. Bram v.d. E. nam de lift en zocht hen. Hij verwachtte dat ook zij de lift zouden nemen.

Maar zij kwamen aan de linkerkant uit het trappenhuis en konden daardoor

ongezien  langs  hem heen glippen naar het restaurant.

Hun vlucht voerde langs etende mensen. Plotseling zag Cindy zag haar compagnon

Jeanet F. lunchen met een onbekende vrouw.  Het werd tijd voor de afrekening.

Zij pakte de taart, liep zonder aarzeling naar haar toe en drukte het gebak 

met een klap op het hoofd van F. F. gilde oorverdovend.  Zij riep woorden

die we hier niet op zullen schrijven en krijste om advocaten, schadevergoedingen

en heftige wraak.

Bram van den E. reageerde op  haar tumult. Hij merkte daarbij  Edgar op, nam

zijn pistool en loste een schot. De paniek in het horecadeel was daarna

immens. Mensen stoven alle kanten uit. Eten en drinken ging door de lucht, tafels vielen

om. Er was gegil en geschreeuw.

Edgar opende een raam om aan de dood te ontkomen en bood Cindy zijn rug aan. Samen jumpten zij naar buiten.  De val was duizelingwekkend, maar kort, want de parachute vouwde zich razendsnel open en zo konden zij zachtjes  langs de toren naar beneden

glijden. Tijd om ervan te genieten was er niet.

Bram v.d. E. vocht ondertussen met een aantal stevig gebouwde klanten en met de beveiliging. Hij werd met heel veel moeite overmeesterd. Vijf mannen zaten daarbij boven op hem.

Wat daarna gebeurde

Drie maanden trouwden Edgar en Cindy, naar verluidt, in een lift van de Euromast.

Onder luid geluich stapte het kersverse stel naar buiten.  De receptie zou in het

restaurant zijn geweest, maar we hebben nog niemand kunnen spreken die daarbij

aanwezig was. Er gaan verhalen rond dat Jeanet F. tijdens dat feestje vuurwerk

heeft afgestoken om de sprinklerinstallatie in werking te zetten.

Ook dat weten we niet zeker. We weten evenmin waar Edgar en Cindy zijn

gebleven. Iemand zegt ze in Dubai te hebben gezien. Iemand anders beweert

dat zij in Boedapest een kinderboerderij zijn begonnen.

De duif en de ekster

‘Zo,’ zei de brutale duif. ’Jij draagt een mooi pak. Ik hou wel van dat kekke zwart-wit.’ De ekster keek met een arrogante blik naar de duif. ‘Jij bent een akelige, grijze mus,’ kraste hij. ‘Ik ben een duif,’ zei de duif. ‘Waarom spreekt u mij aan met ‘mus’? Waarom kijkt u zo op mij neer?’ ‘U hebt niet het recht mij aan te spreken. Ik ben nu eenmaal de koning van de achtertuin en u moet wachten tot ik uitgegeten ben. Dus ga nu weg.’

‘U weet niet alles van mij.’

‘Dat wil ik ook niet.’ ‘U zou nog raar opkijken. Ik, die grijze mus waar u over sprak, ik, ik, ik heb een groot geheim.’ De ekster dacht even na. Wellicht viel hier een voordeel te behalen. ‘Wat voor geheim?’ lispelde hij.

‘Niet verder vertellen?’

‘Ik zweer het.’

‘Goed,’ zei de duif en hij koerde heel zacht. ‘Ik ben supersupersupergoed in de weg zoeken en vinden. Als ik in de lucht ben, ik kan niet verdwalen, ik vind de weg terug altijd. Altijd.’ ‘Ik lach me dood,’ fluisterde de ekster. ‘Wat u bijzonder vindt, is helemaal niet bijzonder. Iedere vogel, ook rare vogels, kunnen het.’

De ekster steeg op, draaide een rondje en riep vanuit de lucht: ‘Kijk dan! Ik kan het ook!’ De duif keek naar het zwartblauwe gevaarte dat naar rechts dook. ‘Dat is geen navigeren!’ riep hij. ‘Dat is vliegen…dat…’ De ekster zag een schaduw bewegen bij de duif. ‘Pas op!’ riep hij. ‘Een kat!’ Maar het was al te laat en de duif verdween in de bek van een Cyperse kater. Het beestje schoot in de bosjes met de prooi slap hangend tussen de tanden.

De ekster was erg geschrokken van het voorval en vloog snel weg. In paniek steeds verder van de tuin. Hij daalde, steeg en streek neer op een fietspad. De eerste fietser wist hem nog te ontwijken, de tweede reed over zijn staart. Het deed hem vreselijk pijn. Hij hipte weg naar de struiken en dacht aan zijn vrouwtje dat nu boos en ongerust zou zijn over zijn lange afwezigheid. Hij probeerde te vliegen en dat lukte, maar hij miste zijn roer, zodat hij schommelend door de lucht ging. Uitgeput stortte hij neer in zomaar een tuin en bleef eenzaam en in verwarring liggen. Een hond ontfermde zich over hem.

‘Hoi,’ sprak de hond. Het was een groot, donker en langharig exemplaar met droevige ogen. ‘Hoi,’ zei hij nogmaals. ‘Wie bent u?’ ‘Ik ben een ekster,’ zei de gevallen vogel. ‘Ik ben de weg kwijt, weet u misschien hoe ik terug kan komen in een tuin met een rode deur en een blauw schuurtje en twee halfdode coniferen?’ ‘Ik kan je niet helpen,’ zei de hond op een melancholische toon, ‘Ik weet het ook niet. Ik zit hier sinds gisteren. Godzijdank. Ik ben door mijn baas aan een boom gebonden. En nu ben ik hier, dit hier is een dierenasiel.’

‘O, nou, mijn vrouw denkt vast dat ik dood ben.’ ‘Ah, u bent getrouwd, dat is verdrietig zeg. Wat is er gebeurd?’  Hij kwijlde. ‘Ik heb een duif uitgelachen en ben geschrokken van een kat. Die vrat de duif op. Ik heb het zelf gezien. Het was een vreselijke misdaad. Hoe kan dat toch gebeuren in dit land? Ach, het is verschrikkelijk. Ik ben ontsnapt, maar nu ben ik de weg kwijt.’

‘En uw staart is een puinhoop.’

De hond was nog niet uitgesproken of een groot vangnet werd om de getroffen ekster gevouwen en hij werd meegenomen naar een ruimte om onderzocht te worden. Daarna stopte men hem in een kooi. Zo beefde hij daar die nacht en had diepe spijt van zijn opmerkingen naar de duif. Hij kraste in zichzelf en snikte. Plotseling hoorde hij een bekende stem naast hem die zei: ‘Kijk nou eens, daar is ekster. Nou dat is toevallig. Wat is er gebeurd?’ De ekster kon de vogel die dat zei niet zien, maar hij herkende duidelijk de duif. ‘Duif!’ riep hij uit. ‘Of ik ben nu dood en spreek met je in het hiernamaals of er is een wonder gebeurd!’ ‘Een wonder,’ zei de duif opgewekt. ‘Ja, het is een wonder. Een echt wonder. De kat, de criminele aanvaller schrok ergens van toen hij met mij liep en liet me voor dood achter. Kinderen hebben me opgeraapt en hier naar toe gebracht. Ik mis een pootje. Hoe gaat het met jou?’ ‘Ik mis een pen uit mijn staart, maar erger is dat ik jou zo heb beledigd. Het spijt me,  als we niet zo hadden gesproken dan was dit allemaal niet gebeurd. Kun je me vergeven?’

De wolharige hond jankte, hij luisterde stiekem mee.

De duif koerde: ‘Ik vergeef het je, en nu moet je niet meer janken, er zijn genoeg vogels die na een slecht leven eindigen als pasteitje.’ De ekster zweeg beschroomd en wenste hem een goedenacht.

Een week later werden zij beiden tegelijk vrijgelaten in de achtertuin van het asiel. Ze stegen met trots en zelfvertrouwen op in de blauwe lucht. De duif vloog voorop naar de plek waar het misdrijf had plaatsgevonden. De ekster volgde en landde. Hij zocht zijn vrouw.

Daar zat zij.

‘Zo,’ sprak zij onderkoeld. ’Ben je daar weer, laf stuk ekster? Zo stoer mij in de steek te laten. Zak toch in de vogelstront.’ ‘Het spijt mij erg,’ beefde de eksterman. ‘Dat zal best,’ krijste ze. ‘Maar ik heb nu geen tijd, ik  moet gaan..’

‘Maar schatje, ik kan het uitleggen.’

De vrouw knikte met haar kopje naar een man op de schutting. ‘Wij hebben een nest,’ sprak deze zelfgenoegzaam. De ekster slikte. De duif liet een traan van medelijden. ‘Ik ben ook alleen,’ zuchtte hij. ‘Mijn vrouw is dicht bij de zon.’

Ze zwegen. De eksterman en vrouw zaten op een appelboom. ‘Het komt goed,’ sprak de duif. ‘Als het voorjaar komt, zal er nieuw geluk en nieuw leven zijn. Hij nam plaats op de voet van de parasol, deed zijn ogen dicht en steeg op naar de duivenhemel. De ekster wilde ook dood, maar hij richtte zich eerst naar de andere eksterman. Als een kogel vloog hij recht op hem af en boorde zijn snavel diep in diens borst. Er klonk gekraak, gefladder en de man stortte uit de boom, en bleef liggen met de pootjes omhoog. Niet ver van de gestorven duif.

De kat zag het gebeuren en zei hoofdschuddend: ‘Wat een geweld, waar is dat toch allemaal voor nodig. Het is een schande!’ Twee eksters poepten tegelijkertijd op zijn kop en vlogen naar een nieuw groot nest in een oude beuk.

En de geest van de duif zag dat het goed was.