‘Poep!’ riep de medewerkster van de natuurwinkel in mijn richting. Eerst dacht ik nog dat ze het over natuurlijke mest had, het zou niet raar zijn in zo’n natuurlijke productenwinkel, echter dit op deze manier duidelijk maken zou wel een vreemde manier van reclame maken zijn. ‘Poep!’ riep ze nogmaals en ze wees naar de kinderwagen. Ze moest een goeie neus hebben dat ze kon ruiken wat Thijsje had gedaan. Ze kwam op ons af en wees op de banden. Ik zag daar eigenlijk niets, er zaten wel blaadjes aangeplakt. Nou zij wel dus. Ze doodde me met een blik en pakte plastic om de banden te reinigen. ‘Het is wat modder!’ stamelde ik. ‘Het is poep!’ riep ze nogmaals. Thijsje probeerde haar nu ook te kalmeren door een allerliefste brede glimlach van oor tot oor naar haar te zenden, maar zelfs dat kon haar vermurwen. Wij waren boeven en verdienden dat ze ons met een rot ei uit de biologische ren konden bekogelen, of met een tomaat zonder insecticide. We kochten nog wel een natuurlijk papje dat door een collega zakelijk en streng werd afgerekend. Als ze kinderen heeft dan is ze zo’n moeder die de hele dag loopt te zwabberen en te mopperen dat ze met hun baggerpoten op de Chesterfield staan te springen. Thijs is blij dat ie bij ons woont, zegt ie. Mama dweilt weleens fanatiek met de Hara, maar ze gaat er daarna makkelijker mee om.
Lang geleden

Dit is een foto van toen ik nog bij Altra Jeugdzorg werkte en daar op de administratie de lonen deed. Het was een gezellige tijd. we hebben leuke feesten gehad, onder andere op de Zeedijk. Ik was nog niet getrouwd, misschien kende ik Anja niet eens, of net wel. Wij zaten in een hoge toren, naast het station van Amsterdam en keken naar de mensen, de grachten. We zagen Sail binnenvaren en de helikopter met de voetballers van het Nederlands elftal kwam overvliegen. Toen kwam er een nieuwe directrice die zei dat zij een oud huis had laten afbreken. En die woorden zeiden me genoeg. Nu is er van Altra nog weinig over. Altra onderwijs. Dat moest ik overigens doen bij Altra: ik had de taak een nieuw salarissysteem te gaan implementeren. En dat ging helemaal fout. Liep helemaal in de soep. Kwam door niet door mij hoor. Het was de digitale weg die niet mee wilde werken. Vanwege de troep die het veroorzaakte besloot een interim directeur de taken uit te besteden en stond ik met een enkel been buiten. Zo ging het. Geen spijt.
Rap Beroepsgerichte Leerweg bk vmbo
Deze rap is door mij deze week gemaakt, voor mijn leerlingen van de beroepsgerichte leerweg. Ik heb hem ook voorgedragen in de klas.
Rap Beroepsgerichte Leerweg bk vmbo
Al die stress
In de les
En die theorie
Krijg het niet in mijn kop
Dat ik zeg
Stop
Ik wil werken
Met mijn handen
Voor een job
Dat leren
Dat kan ik niet
Krijg het niet in mijn kop
Wat ik ook doe
Ik word moe
Van die theorie
Ik kan het niet
Ik kan het niet
En mijn vader die wordt kwaad
En hij dreigt
Je gaat naar bijles
Anders is het te laat
Je gaat van de straat
Ik splash je telefoon
Maar papa,
Ik ben je zoon
Maar ik kan het niet
Het lukt me niet
Laat me gaan huiswerk ho ho no
Laat me gaan huiswerk ho ho no
Ik vind een baan
En ik kook je soep
Clean je troep
Metsel je muur
Helemaal niet duur
Giet je lood
Bak je brood
Laat me gaan huiswerk hoho no
Laat me gaan huiswerk hoho no
Dat leren zit me tot hier
En de mentor zegt
Waarom ben je in de les een klier
En dat lezen meester
Dat is niet voor een mens,
Maar voor een dier
En als jij later langs de kant staat met pech
Dan kom ik die kar voor je maken
Want ik leer met mijn handen
Mijn handen zijn mijn brein
En niemand krijgt ze klein
Laat me gaan huiswerk hohono
Laat me gaan huiswerk hohono
Papa laat me gaan
Huiswerk hohono
Laat me gaan huiswerk hohono
Laat me gaan huiswerk hohono
Papa laat me gaan
Hohono
hohono
Er zit een koe in de brievenbus
Er zit een koe in de brievenbus. We willen graag weten hoe zij erin gekomen is. Maar hoe krijgen we de koe eruit? Ze is in zijn geheel verdwenen in de bus. Een echt wonder is het. Moeten we aan haar staart trekken? Ze zegt dat het ook niet haar schuld is, maar dat ze er plotseling in zat. Ze stond in de wei en het volgende moment zat ze hoepla in de bus naast het wijkkrantje en een aanmaning van een deurwaarder. Ze loeit aan een stuk door en ze moet dringend gemolken worden. De buren staan nu voor de deur te kijken naar het dier. Zij praten smalend over een lekker biefstukkie, maar daar willen wij niets van horen, wij willen de koe levend uit de bus halen. Nu zult u zeggen dat het toch een kwestie is van de bus openmaken met een sleutel of een snijbrander, maar wij hebben dat geprobeerd en de koe zit met haar hals vast in de klep. Een ernstig probleem inderdaad. Iemand stelde voor haar in te smeren met Hollandse roomboter en haar dan eruit te sjorren.
Ik denk zelf nu: als ze erin gekomen is, dan moet ze er ook uitgetoverd kunnen worden. Bij deze dan ook een oproep aan diegene die dit heeft gedaan om het ook weer ongedaan te maken. Ze heeft namelijk ook wat koeienvlaaien gemaakt op de post en de krant van vandaag. En we hebben bezoek gehad van een paar stoere stieren, dus we durven ook niet meer naar buiten. Help ons.
vriendelijke groet,
familie van Berkel
De Bruid van Reyde: gedichten van Leontine Wagter (1966)
Deze week ontving ik een dichtbundel geschreven door de Groningse dichteres Leontine Wagter. In deze bundel neemt zij ons mee op haar persoonlijke reis door het mystieke hogeland en de sterren in het universum, op zoek naar liefde en verbondenheid met het aardse leven.
Ook het verlangen naar heelheid is een groot en belangrijk thema in dit werk dat vele, fraaie illustraties kent van onder andere Geert de Brabander en Marius de Schaar.
Een mooi treffend voorbeeld van haar uitstekende werk is het gedicht: mijn liefste
mijn liefste
ik schrijf je nu in mijn thuishaven
de meeuwen heb ik op zee gelaten
schaar me nu onder stadse raven
zo ver van jou uit zicht verlaten
eerder zag ik je nog op golven deinen
toen ik pure zijde vervoerde
en de horizon zag verdwijnen
witte duiven jouw naam uitkoerden
eens zal ik opnieuw uitvaren
met één en dezelfde dromen
hoop opnieuw jouw gelaat te ontwaren
dat mij voor nu is ontnomen
Leontine Wagter,
Uit: De Bruid van Reyde; Uitgeverij de Wilg, 2020

Een duif met een cadeautje
Het was een prachtige, wonderschone zomeravond. Stijf was ik, nog altijd, maar wel de enige die naar de donkerpaarsblauwe pracht van de haag van sterren stond te kijken. Zo lang binnengeweest.
De mensen, de buren, zij keken naar de voetbalwedstrijd. En toen gebeurde het, mijn vriend, toen gebeurde het. Er klapwiekte een duif door mijn lauwe vrede. Ik zag direct dat er iets aan de hand was met haar, want ze vloog traag en laag, alsof ze een knobbelzwaan van 12 kilo was. Ik scherpte mijn blik, dat werkte nog godzijdank, en merkte op dat zij een prachtig ingepakte doos in haar snavel droeg. Als een cadeautje, met een lint eromheen.
Dat bevreemdde mij zeer, mon ami, het was heel weird. Een duif met een cadeautje. Midden in de zomernacht, als het nou kerst was. Ik staarde haar met open mond na en plotseling verdween zij aan de roze horizon uit beeld. Het pakje in haar bek. Al peinzend hinkte ik naar huis met gedachten in mijn hoofd. Kan een duif een doos stelen, zoals kraaien het gemunt hebben op sieraden? Nee, dacht ik, dat is heel vreemd. Ik vertelde het mijn vrouw die me bezorgd aankeek.
‘We staan twee nul achter,’ zei ze dof. ‘Jij hebt dus niks gezien?’ vroeg ik zacht en bescheiden. ‘Nee,’ zei ze, ‘wil je een biertje?’ En terwijl ze inschonk lette ze met een oog op het scherm. ‘Een duif met een cadeautje, dat is wel raar Ron, misschien moet je.., misschien is het wel een boodschap aan jou.’
Ik staarde haar verbluft aan. Mirjam, nooit zweverig, altijd right to the point, mijn stoere motorrijdster, moestuinfanaat, klusjesvrouw. ‘Een boodschap. Wat voor boodschap?’ ‘Wel, dat je een presentje voor me moet kopen!’ We gniffelden allebei en loerden uit het raam als spionnen van een geheime dienst. Geen duif te bekennen. ‘Niemand zal ooit weten wat er in dat pakje zat Ron,’ zei ze, ‘maar wie het heeft gezien, moet het zelf uitpakken, dat mooie cadeau.’
‘Ik ken je zo niet Mir,’ zuchtte ik. Ik zag een vochtige glans uit haar ogen naar beneden druppen. ‘Jij Ron, jij moet je hart weer gaan volgen, je bent zo triest geworden, zo teleurgesteld.’ Nu moest ik ook slikken, dat begrijp je. ‘Ga weer dansen Ron, dan maak je mij ook weer gelukkig, word weer mijn kampioen, je doet me pijn zoals je nu leeft.’
Ik vroeg me af hoe ik dat moest doen met mijn kunstbeen, maar als je iets echt wilt kan het, zelfs met een houten poot. Dus ik strekte mijn armen, sprong op, tapte als Fred Astaire met mijn goede been en rolde om van een heuveltje. We lachten zo hard dat het schuim van mijn biertje uit het glas stroomde. Sorry.
Op mijn schouder voelde ik iets neerkomen. Een vogelstrontje. ‘Geen vogel te zien motormuis,’ hikte Mirjam, ‘de duif wil je nog groeten.’
Ja, vriend, ik weet niet wat ik ervan moet denken en jij ook niet, maar neem er nog eentje van mij en geloof me: ik ben zo blij dat ik me weer zo licht voel, ik heb er weer zin in.

Perron 1
Perron 1 (het gesloopte station)
Hier nam ik afscheid van jou op het perron,
het was een zachte avond,
in de late zomerzon.
Een laatste zoen,
langs je wang een traan,
een: schrijf je wel,
je zei: ‘Hij komt eraan.’
De intercity nam je mee
en ik zag je nooit meer
de fluit klonk om half twee,
dat was hier ongeveer.
Dit station is nu gesloopt,
maar niet mijn hoop, Desirée,
stap uit en kus me
in het puin van perron 2.
En het sluitsein van de trein,
het rode licht, wordt langzaam vaag,
ik ben gelukkig zonder jou,
ik ben heel dom gelukkig,
op een ingestorte halte,
vandaag.

Gezocht: bezorger van medicijnen
Ik las onlangs een vacaturetekst. Die ging als volgt:
“Voor een bedrijf in Zaandam zoeken we gemotiveerde krachten die minimaal een jaar een rijbewijs B hebben. Je zult medicijnen bezorgen bij mensen thuis. Dagelijks tussen ongeveer 9.00 en 10.00 uur krijg je telefoon over je starttijd. Daarna start je tussen ongeveer 11.00 en 14.00 uur en eindig je tussen ongeveer 18.00 en 21.00 uur. Je hebt dagelijks ongeveer 60 stops. Salaris is afhankelijk van leeftijd, maar maximaal 9.70 bruto per uur. In het bezit van een navigatiesysteem. Heb je interesse? Reageer dan nu door online te solliciteren. Als je niet aan de voorwaarden voldoet zullen we geen contact met je opnemen.”
Ik fantaseerde hier het volgende bij:
Je rost door rood, je knalt je bus voor de deur, oeps, een deukje in de bumper, gelukkig niet van dat ouwe ding dat je hebt gekregen, maar van zo’n invalidenautootje, shit, de invalide zat er nog in. Nou ja, hopelijk is hij niet dood.
De eerste versnelling blijft steeds hangen. Moet je optrekken in zijn twee. Er is ook een luchtje om van te kotsen, raampjes maar open, wat zouden ze hebben uitgespookt in dat ding? Ja mensen, dit is uw medicijnenbezorger, maar in de Zaan heee, je weet dat je hier alleen stapvoets ken rijden, piepkleine straatjes, geen doorkomen aan. Radio effe an voor de fileberichten. Ach, laat maar, dit dorp is een en al verstopping. Ik dacht net aan die medicijnen, moeten die niet precies op tijd worden ingenomen? Ik werd net stilgezet door de politie, ze wilden mijn papieren zien, ja zo kom ik nooit op tijd met die hartpilletjes. Dat gaat doden opleveren.
Zorg in Nederland, en waarom kon dit niet op de fiets? Man, ik was met het fietsie al drie keer klaar geweest. Nou, weer zo’n straatje in. Kijk, ze staan al klaar bij de deur. Beetje razend. Zal ik het pakje dan maar door het raam flikkeren. Scheelt ook weer tijd. Zestig adressies, dat zijn er 7 per uur, geen tijd te verliezen mensen. Fuck, ze staan al voor mijn bus. Een familielid, opa begint blauw aan te lopen, of ze aan de andere kant van de stad meer betalen? Ik zou het niet weten mevrouwtje, ik ben maar de bezorger, niet de dokter. Vlug dat pakkie. Nou, kom op, zeur niet zo en neem dat ding aan, neem het aan van dit loonslaafje.
Ik moet pissen onderhand, geen tijd voor in dit schema. Die boom daar dan maar nemen? O nee, die politieflik staat er weer. Dan heb ik straks een prent voor wildplassen. Doe maar niet. Hup, in zijn achteruit, blijft ook hangen. Gloeiende, wat een hondenbaan. En de batterij van de Tomtom is ook leeg, waarom moet ik mijn eigen systeem meenemen? Ik heb die nooit bijgewerkt, soms kom ik bij een rotonde, kent hij nog niet. Nou ok, vooruit. O jee, een appje. De baas. Of ik nog even langs een apotheek kan, want ze zijn wat vergeten te leveren. Hebben ze wel door hoe de medicijntjes in dit land aan de ouderen gebracht worden? Was ik maar Sinterklaas, dan had ik een paard, dat ging een stuk sneller.
Die 9 euries 70 dat is ook nog bruto ook, dus daar gaat ook nog wat van aan de schatkist. Doe je daar je best voor. Als ik zo doorga, moet ik straks zelf nog aan de medicijneninfuus. Ik zag die man van de post weleens met zo’n bussie rondrijden, die zag er ook niet vrolijk uit. Zo, adresje 23, dat zijn er nog 37, maar tegen die tijd is de helft al overleden, dus dat scheelt. Zet ik die patatkar bij dat nieuwe Zaanse gemeentehuis en dan wacht ik tot het negen uur is. Wat een baan. Zeg minister van de arbeid word het niet eens tijd dat we eens gaan kijken wat die rotbaantjes die er nog over zijn allemaal inhouden? Wel je een daggie met me ruilen? Ik nou ga ik pissen tegen de banden van deze formule 1, want ik mag natuurlijk wel zeiken tegen mijn eigen schicht, of mag dat ook niet?
John (37), oud-werknemer KPN, inmiddels drie jaar thuis en zo blij als een klontje met zijn nieuwe baantje
Bedenk een luxeprobleem waar je eens iemand over hebt horen klagen. Schrijf nu een recht voor zijn raap adviescolumn aan degene met dat probleem.
Beste Julia,
Jij hebt een probleem, zeg je. Je klaagt er de hele dag over op ons advocatenkantoor. Ik word er groen en geel van, van jouw probleem. Het is namelijk geen probleem, het is een luxeprobleem, dus geen echt probleem. Het is misschien een probleem voor jou, maar niet voor mij, niet voor de collegae en de rest van de juridische wereld.
Jouw probleem is het volgende: welke tas zal ik volgende week meenemen op mijn vakantie naar Ibiza? Zal ik mijn rode tas op wieltjes meenemen of mijn roze weekendtas met het opschrift: ‘I love lesbian.’ Je bent niet eens lesbisch. Jouw probleem is dat jij aandacht wil, Julia, want niemand van onze afdeling wil weten dat jouw rode tas op wieltjes zo handig is op het vliegveld om mee naar de incheck te rollen. Weet jij wel hoeveel tenen jij daarmee beschadigt, Julia?
En besef jij wel dat zo’n wieltje af kan breken? Julia, onder ons: jij hebt geen 30 liter koffer nodig en geen 30 liter tas. Ik reken je voor wat je nodig hebt: een miniscuul bikini’tje, een pakje condomen, je aansteker, een toilettas met je tandenborstel en pasta en meer niet. Je haarborstel laat je thuis. Krijg je zo’n lekkere wilde Ibiza haardos van.
En doe deze spullen in een Dirk van den Broek tas. Morgen ga ik deze brief hardop voorlezen als jij weer over je tassenprobleem begint. Zo hard mogelijk, want jij hebt recht op de waarheid.
Je collega Bianca
Nb: stop met kijken naar Patrick, want hij is van mij (al weet hij dat nog niet)
Uit: 333 dingen om over te schrijven 2020
De Plant: oefening in het schrijven van een modern sprookje, 5 jaar geleden (2015)
‘Die Droogieter, dat was een boef. Maar je zou het niet zeggen als je hem zag. Keurige heer. Net gekleed, geplooide broek, marineblauw jasje op een effen overhemd. Welbespraakt, voorkomend. Hij kwam binnen in mijn hotel Keizersgracht met naast zich een dametje.
Ken je hotel Keizersgracht? Ja, ik heb een hotel. Overgenomen van mijn vader, die is overleden. Het hotel ligt een eindje hiervandaan, vlak bij het Zwarte Bos, dat ken je wel. Nou, bien, ik had een toestand met die Droogieter en dat vreemde dametje. Monica, heette ze, Monica Soleil. Ze droeg een mantelpakje en een hoedje met daarboven op een veer van een uil. Ik schoot ervan in de lach.
En ze komt binnen en ze zegt: ‘Wat heb u een leuke rok aan en wat een leuke rooie bloese en wat een hippe rooie schoenen. Waar heb u die gekocht?’ Ze had een piepstem als een pasgeboren katje, daar moest ik zo vreselijk om lachen. En ze zegt ineens: ‘Stop, ik hoor een stem!’ Ik zeg: ‘Ik hoor ook wel eens een stem en die zegt dat ik de loterij heb gewonnen.’ ‘Ik hoor de stem die zegt dat ik hier moet gaan liggen.’ En ze ging liggen, ze was net twee minuten binnen, zoiets verzin je niet. En toen zei Droogieter: ‘Monica, jij stelt je aan, ga onmiddellijk staan, vervelend mens.’ Ik dacht: ik heb wel rare gasten gehad, maar dit slaat alles. Het werd nog gekker want Droogieter zei: ‘Mejuffrouw, ik kom hier afscheid nemen van het leven, hier in dit afgelegen gebied wil ik mijn einde vinden. Ik wil een kamer voor twee maanden, mejuffrouw, is de baas er ook?’ ‘Ik ben de baas,’ zei ik. Hij keek me aan en lachte voorzichtig. Hij knikte en nam de kamersleutel. Zij stapten tegelijk op de deur af, struikelden over elkaar en hun koffers en het was een kluwen benen, armen en woordengekletter.
De eerste tijd maakte ik me geen zorgen. Ze gedroegen zich min of meer als normale gasten. Wel ging Monica nog een aantal malen voor de hotelkamer van andere gasten liggen, omdat de stem dat zei, en stak Droogieter een verhaal af over zijn gruwelijke einde. Dat deed hij een paar keer in de eetkamer en dat nam ik hem niet in dank af. Ik sprak hem daarover aan en zei: ‘Luister mijnheer, je mag misschien doodvallen en creperen in mijn hotel en dan ik wil ik je best oprapen en begraven in de tuin, maar je gaat het niet vertellen aan mijn klanten.’ Hij keek me aan met dat snorretje op dat witte gezichtje en zei toen iets van: ‘Mevrouw, sterven doen we eens allemaal en ziet u het als een eer dat ik uw hotel heb verkozen tot hospice.’ ‘Mijn bedrijf is geen sterfhuis,’ galmde ik terug en zo gingen we verontwaardigd uit elkaar, maar het moet gezegd, ik heb hem daarna er niet meer over gehoord.
Ik ging gewoon door met mijn werk en met het schillen van de appels, want een van de geheimen van dit hotel is de superieure appeltaart, een oud familierecept. Ik schil de appels met een machientje, ook weer van een voorvader, en daarom word ik het appelmeisje genoemd. Nee, het is een geheim, je krijgt het recept niet. Ik schil die appels laat in de avond, als ik klaar ben, kan ik daar goed op slapen. Maar ik lag al in bed, de wolven huilden in het bos, toen ik gestommel van beneden hoorde. Ik pakte papa’s Winchester, een dubbelloops exemplaar dat naast mijn bed staat. Met twee tellen was ik beneden.
Het hotel heeft twee verdiepingen, met mooie eikenhouten trappen en rode vloerkleden, echt mooi, kom eens langs. Ik slaap op de zolder. Goed, de buitendeur stond open. Een spoor van zand leidde naar de deur van het excentrieke stel. Ik klopte op de deur. Monica Soleil deed open. Haar haar zat door elkaar, ze zag er niet uit. Grote vissenogen, wat een lelijke vrouw. Is alles goed? Ik klonk niet oprecht. ‘Wellicht,’ zei ze. Ook al zo’n typisch antwoord. Wie zegt er nou ‘wellicht?’ Op de trap ontdekte ik bloedsporen. Was de dokter toch bezig heen te gaan? Ik hoorde niets meer en had er vrede mee. Ik klom naar de zolder. Legde de Win naast me op bed en probeerde te gaan slapen.
De weken na het voorval vertoonden Droogieter en zijn Monica zich niet meer. Ze bleven op hun kamer en ik zette het eten voor de deur. Het werd helemaal opgegeten, dus ik concludeerde dat de dokter nog leefde.
Maar het werd nog gekker. De zomer was al over de helft en ik liep met een mandje onder mijn arm door het bos om appeltjes te plukken. Ik zing daar altijd liedjes bij van Queen. Het is heerlijk in de open lucht de Bohemian Rapsody te kwelen. Easy come, easy go…Ik strekte mijn arm naar een prachtig rood exemplaar toen daar tussen twee bomen een man naar mijn stond te kijken. Ik pakte direct het padvindersmes van mijn grootvader, waarop drie kruisjes stonden, en omklemde het.
“Goedmorgen,’ zei de man. Hij had een hazenlip, een oog, een bochel en een houten poot. Mijn god, wat een vreselijk exemplaar. ‘Goedmorgen, schrik u nie, ik wil u geen kwaa doen.’ Hij sliste ook nog.
‘Wat wil je van me?’ Ik zette mijn tanden op elkaar en klonk als een ratelslang met hoofdpijn. Ik schrok nog meer toen ik zijn gele puntschoenen zag, hij zou toch geen makelaar zijn, mijn god, het toppunt.
‘U kun me help,’ hij lachte vals, ‘die man bij u in het hotel, Droogieter, hij heef mijn bestool.’
‘Ik ga weg,’ ik stapte achteruit,’ en ik wil u niet meer zien hier, dit is mijn plek. Ik was nu al ver genoeg van hem verwijderd.
‘Ik gee u vijfhonderd duizend, u verdien als u doe wat ik u vraa..’
Ik was al weer in het hotel. Had weer hartkloppingen. En de opmerking over die vijfhonderdduizend hoorde ik telkens weer. Ik zou het hotel kunnen verkopen –veel zou ik er niet voor krijgen- en zou voor dat geld een ander hotel kunnen kopen in de stad. Wat zou het heerlijk zijn weer in een stad te kunnen wonen. Goed, daarmee zou een einde komen aan vijfhonderd jaar hotelieren in het Zwarte Bos, maar mijn vadertje zou er mee kunnen leven. Zijn enige, lieve kleine meid gunde hij alles. En wat is een hotel? Een firma die geld moet verdienen.
Ochtend in het bos, je kon de herfst al ruiken. Ik klopte aan bij het nog enig bewoonde huisje van het vroegere gouddelversdorp. Verzakte vensters, nergens verf. Een tandeloos besje doet open. Nekrita heet zij. Ik bood wat paddenstoelen aan. Zij kocht er drie. Huh, wat rook ze verschrikkelijk uit haar zwarte bos. Naast het huis zag ik een herenfiets staan. Vast van die gebochelde. Hoewel, fietsen met een houten poot, ik weet niet of dat gaat. Ik boog me voorover naar de stinkende put. ‘Logeert er een man met een oog, een bochel en een houten poot bij jou?’ Schichtig smakte ze de deur dicht. Ik wist enough, weet je.
Twee dagen later. Actie. Het werd slecht weer. De paden in het bos werden modderstromen, wat een zootje. De takken zwiepten wild in de wind, maar ik was onderweg naar de vijfhonderdduizend. – wil je het allemaal nog weten, als ik je niet verveel, doe mij dan maar een colaatje.
Waar was ik? Ja, ik kwam doorweekt en met laarzen vol prut aan bij het wrakkige huisje. De bliksem sloeg naast me, eerlijk waar. En onder een luizig afdak stond hij, de man uit het zwarte bos, die zei dat Droogieter, een stervende zwaan, van hem gestolen zou hebben. Wat een leugenaar. ‘Ga naa kamer van dokter,’ zei de creep,‘ en neem plant die op de tafel staa. Bren die plant bij mie. Praa hier met nieman over. Ga snel. ‘
Toen ik terugkwam trof ik in de hal een jankende Monica. ‘Wat doe jij hier?’ brieste ik zo ongevoelig mogelijk. ‘De dokter gaat sterven. Hij zei het me. Hij staat nu op zijn kop in bed en dat is het teken.’ Sinds wanneer gaan de stervenden op hun kop in bed staan, dacht ik. Of is de ratio geweken, een delier, of een dementieve aanval.
We gingen naar boven. Monica sjokte naast me. ‘De dokter zocht een plant in het Zwarte bos, een nieuw medicijn tegen zijn ziekte, zijn laatste hoop. En toen vond ik die plant. Wat waren we blij. Ik heb de bladeren zo bewerkt zoals hij zei, maar kennelijk nog niet goed genoeg. Nomme de patat, wat een drame..’ Ze schudde met haar hoofd en ik was bang dat het van dat kippenekje af zou glijden en de trappen af ging rollen.
We renden de kamer van de dokter binnen. De kamer lag vol met kleren en papieren. Asbakken ook nog, terwijl in mijn hotel niet gerookt mag worden. Monica wees op de dokter die op zijn kop stond, precies zoals zij had gezegd. En daar, naast het bed, op een tafeltje stond de levensreddende plant. Zo’n plant zie je ook wel eens in de supermarkt, helemaal niks bijzonders. Of toch? Ik zou het ding mee kunnen nemen en de dokter zijn laatste kans ontnemen. Nou en? Het verhaal kon niet waar zijn, nou ja, dat weet je niet, zei een ander stemmetje tegen me. Dat van mijn overleden moeder. Je weet niet meisje. En toen hoorde ik de stem van mijn vader tegen mijn moeder zeggen dat ze zich er niet mee moest bemoeien en dat die dokter toch wel dood zou gaan en dat het verhaal van dat plantje onzin was. En toen kregen die stemmen ruzie, niet normaal.
‘Ik ga dood,’ een zucht. ‘Nee!’ Monica sloeg haar handen voor haar gezicht. ‘Jij hebt toch je plant, hier vreet dan eens, waarom eet je niet?’ Ik keek van Monica naar de plant naar de dokter. Het werd me teveel. Zij rukte een blad van de steel en hield dit bij zijn mond. Hij opende als een hert en kauwde. Dit was mijn moment om de plant mee te nemen. De plant die me onafhankelijk zou maken. Een rot plantje, en dat zou hem beter moeten maken?
Maar stel dat het wel zo was, dan zou het mijn schuld kunnen zijn en dan zou die achterlijke Monica me kunnen aanklagen of zoiets. Nee, het was beter de plant even te laten staan. Als hij dan toch gestorven was, dan zou ik alsnog kunnen cashen. Of misschien kon ik wel een stekkie ervan kweken..nog mooier!
En weg was ik weer. Schillen. Ondertussen steeds bozer worden op de man uit het bos. Een plant stelen van een stervende oude man die daarop zijn laatste hoop gevestigd had. Mijn geweten begon op te spelen. Met een kwartier stond ik voor het instortgevaarhuisje en smeet een steen naar binnen.
‘Wa doe jij nou?’ riep Quasimodo. ‘Jij haalt je plant zelf, oplichter! Schoft!’ En met de woede kwam ook de wanhoop dat ik behalve zijn ruiten ook mijn eigen ruiten aan het ingooien was. Maar hij gaf het niet zomaar op. Hij rende naar me toe en keek me doordringend aan. Ik werd verliefd op dat ene hazelnootbruine oog en ik vergat de bochel en de houten poot. Liefde maakt blind. Ik besloot de schurk te gehoorzamen als een echt gangsterliefje.
Ik klom in bed, deed mijn avondgebed en hoorde een gil. Monica! Twee seconden later was ik bij haar en zag het raam open staan. De dokter en de plant waren weg. Het gordijn wapperde en het regende bakken uit de lucht. Ik schoot een regenjas aan en in mijn flanellen pyjama rende ik naar buiten. Bij de Duivelsberg zag ik een donkere gedaante wegschieten. De dokter. Hij klom omhoog en iedereen weet, jij ook, hoe gevaarlijk die berg is in dit weer. Door erosie van het goud zoeken is de berg kaal en glibberig geworden. Een misstap en je valt en..
‘Stop!’ riep ik. De dokter luisterde niet. Een wolk schoof ook nog eens voor de maan. En hij viel en hij viel de eeuwigheid in. De arme stakker.
Het werd lichter en ik beklom de berg om hem te zoeken.
In plaats van het slachtoffer kwam ik halverwege de gebochelde van de Notre Dame tegen. ‘Ook een lekker wandelingetje maken? ‘ sarcastisch was ik nooit, maar ik kon het wel zijn. Er was geen draad meer droog aan zijn lijf.
‘De plant is weg,’ zei de man somber.
‘Dus een mensenleven kan jou niet schelen?’ riep ik en haastte me naar beneden.
‘De plant had miljoenen mensen kunnen redden.’
‘Onzin, bij de Albert Heijn heb je een betere, maar die zal je niet redden.’
Monica stond achter me en ging liggen in de modderstroom.
‘De dokter was niet ongeneeslijk ziek, mevrouw,’ hijgde Quasimodo. ‘Ik zal me voorstellen, ik ben Oek Muis, ik ben onderzoeker. Ik heb die zeldzame plant ontdekt, we hadden daarmee een geweldig nieuw medicijn kunnen maken. Hij heeft het van me gestolen.’
Ik was helemaal klaar met dit verhaal en nam de hand van Monica. Ik trok haar hardhandig mee.
Samen ruimden we de spullen van de dokter op. Zijn papieren, zijn kleren deden we in een zak. Ik wilde voortdurend vragen of hij echt ziek was. Ik deed dat niet. Plotseling bleef Monica strak staan, als een pilaar. Haar ogen werden heel groot. Knikkers. Vuur kwam eruit. ‘Mijn bakkerij uit!’ knalde ze.
‘Pardon?’
‘Nu eruit! Wel brood kopen op de pof, maar nooit betalen, niet? Hufter! Ik maak je koud.” Ze botste tegen me aan en we vielen achterover op de beddenspiraal. Het piepte akelig toen zij mij probeerde te wurgen. We vochten als straatkatten en rolden van het bed over de houten vloer. Monica liet los.
De aanval was voorbij. ’Sorry,’ prevelde ze. ‘Beetje moeite soms met psychotische agressieregulatie, ben ik ook voor behandeld.’ Ik hijgde nog als een pakpaard, maar desondanks ontwaarde ik onder het bed de plant waar het allemaal mee begonnen was.
Ik besloot hem direct terug te brengen naar zijn eenogige eigenaar. Ik klopte aan bij het besje in het donkere bos. Ze deed open en lachte haar giechel breed. ‘Is die rare mijnheer er nog?’vroeg ik. Ze wenkte.
De man keek. Ik stak mijn arm met de plant uit. Hij wachtte en pakte een koffer. ‘Die is voor jou,’ zei hij. ‘Het geld,’ het klonk als een samenzwering.
En nu zit ik hier lekker in een barretje in de stad. Ik ben happy hier. Hotel Keizersgracht verkocht, ik ben a rich woman.
‘Ober. Mag ik even afrekenen? Hee, laat het wisselgeld maar zitten. Vriend, ik zie aan je gezicht dat je wil weten wat er in de koffer zat. Ja, vijfhonderdduizend, dat klopt. Vijfhonderdduizend vruchtensnoepjes, zo’n hartje, met daarop:
‘ slim’ .’