De Plant: oefening in het schrijven van een modern sprookje, 5 jaar geleden (2015)

‘Die Droogieter, dat was een boef. Maar je zou het niet zeggen als je hem zag. Keurige heer. Net gekleed, geplooide broek, marineblauw jasje op een effen overhemd. Welbespraakt, voorkomend. Hij kwam binnen in mijn hotel Keizersgracht met naast zich een dametje. 


Ken je hotel Keizersgracht? Ja, ik heb een hotel. Overgenomen van mijn vader, die is overleden. Het hotel ligt een eindje hiervandaan, vlak bij het Zwarte Bos, dat ken je wel. Nou, bien, ik had een toestand met die Droogieter en dat vreemde dametje. Monica, heette ze, Monica Soleil. Ze droeg een mantelpakje en een hoedje met daarboven op een veer van een uil. Ik schoot ervan in de lach. 


En ze komt binnen en ze zegt: ‘Wat heb u een leuke rok aan en wat een leuke rooie bloese en wat een hippe rooie schoenen. Waar heb u die gekocht?’  Ze had een piepstem als een pasgeboren katje, daar moest ik zo vreselijk om lachen. En ze zegt ineens: ‘Stop, ik hoor een stem!’ Ik zeg: ‘Ik hoor ook wel eens een stem en die zegt dat ik de loterij heb gewonnen.’  ‘Ik hoor de stem die zegt dat ik hier moet gaan liggen.’ En ze ging liggen, ze was net twee minuten binnen, zoiets verzin je niet. En toen zei Droogieter: ‘Monica, jij stelt je aan, ga onmiddellijk staan, vervelend mens.’ Ik dacht: ik heb wel rare gasten gehad, maar dit slaat alles. Het werd nog gekker want Droogieter zei: ‘Mejuffrouw, ik kom hier afscheid nemen van het leven, hier in dit afgelegen gebied wil ik mijn einde vinden. Ik wil een kamer voor twee maanden, mejuffrouw, is de baas er ook?’ ‘Ik ben de baas,’ zei ik. Hij keek me aan en lachte voorzichtig. Hij knikte en nam de kamersleutel. Zij stapten tegelijk op de deur af, struikelden over elkaar en hun koffers en het was een kluwen benen, armen en woordengekletter. 


De eerste tijd maakte ik me geen zorgen. Ze gedroegen zich min of meer als normale gasten. Wel ging Monica nog een aantal malen voor de hotelkamer van andere gasten liggen, omdat de stem dat zei, en stak Droogieter een verhaal af over zijn gruwelijke einde. Dat deed hij een paar keer in de eetkamer en dat nam ik hem niet in dank af. Ik sprak hem daarover aan en zei: ‘Luister mijnheer, je mag misschien doodvallen en creperen in mijn hotel en dan ik wil ik je best oprapen en begraven in de tuin, maar je gaat het niet vertellen aan mijn klanten.’ Hij keek me aan met dat snorretje op dat witte gezichtje en zei toen iets van: ‘Mevrouw, sterven doen we eens allemaal en ziet u het als een eer dat ik uw hotel heb verkozen tot hospice.’  ‘Mijn bedrijf is geen sterfhuis,’ galmde ik terug en zo gingen we verontwaardigd uit elkaar, maar het moet gezegd, ik heb hem daarna er niet meer over gehoord.


Ik ging gewoon door met mijn werk en met het schillen van de appels, want een van de geheimen van dit hotel is de superieure appeltaart, een oud familierecept. Ik schil de appels met een machientje, ook weer van een voorvader, en daarom word ik het appelmeisje genoemd. Nee, het is een geheim, je krijgt het recept niet. Ik schil die appels laat in de avond, als ik klaar ben, kan ik daar goed op slapen. Maar ik lag al in bed, de wolven huilden in het bos, toen ik gestommel van beneden hoorde. Ik pakte papa’s Winchester, een dubbelloops exemplaar dat naast mijn bed staat. Met twee tellen was ik beneden. 


Het hotel heeft twee verdiepingen, met mooie eikenhouten trappen en rode vloerkleden, echt mooi, kom eens langs. Ik slaap op de zolder. Goed, de buitendeur stond open. Een spoor van zand leidde naar de deur van het excentrieke stel. Ik klopte op de deur. Monica Soleil deed open. Haar haar zat door elkaar, ze zag er niet uit. Grote vissenogen, wat een lelijke vrouw. Is alles goed? Ik klonk niet oprecht. ‘Wellicht,’ zei ze. Ook al zo’n typisch antwoord. Wie zegt er nou ‘wellicht?’  Op de trap ontdekte ik bloedsporen. Was de dokter toch bezig heen te gaan? Ik hoorde niets meer en had er vrede mee. Ik klom naar de zolder. Legde de Win naast me op bed en probeerde te gaan slapen.


De weken na het voorval vertoonden Droogieter en zijn Monica zich niet meer. Ze bleven op hun kamer en ik zette het eten voor de deur. Het werd helemaal opgegeten, dus ik concludeerde dat de dokter nog leefde.


Maar het werd nog gekker. De zomer was al over de helft en ik liep met een mandje onder mijn arm door het bos om appeltjes te plukken. Ik zing daar altijd liedjes bij van Queen. Het is heerlijk in de open lucht de Bohemian Rapsody te kwelen. Easy come, easy go…Ik strekte mijn arm naar een prachtig rood exemplaar toen daar tussen twee bomen een man naar mijn stond te kijken. Ik pakte direct het padvindersmes van mijn grootvader, waarop drie kruisjes stonden, en omklemde het.


“Goedmorgen,’ zei de man. Hij had een hazenlip, een oog, een bochel en een houten poot. Mijn god, wat een vreselijk exemplaar. ‘Goedmorgen, schrik u nie, ik wil u geen kwaa doen.’ Hij sliste ook nog.

‘Wat wil je van me?’ Ik zette mijn tanden op elkaar en klonk als een ratelslang met hoofdpijn. Ik schrok nog meer toen ik zijn gele puntschoenen zag, hij zou toch geen makelaar zijn, mijn god, het toppunt.

‘U kun me help,’ hij lachte vals, ‘die man bij u in het hotel, Droogieter, hij heef mijn bestool.’

‘Ik ga weg,’ ik stapte achteruit,’ en ik wil u niet meer zien hier, dit is mijn plek. Ik was nu al ver genoeg van hem verwijderd.

‘Ik gee u vijfhonderd duizend, u verdien als u doe wat ik u vraa..’

Ik was al weer in het hotel. Had weer hartkloppingen. En de opmerking over die vijfhonderdduizend hoorde ik telkens weer. Ik zou het hotel kunnen verkopen –veel zou ik er niet voor krijgen- en zou voor dat geld een ander hotel kunnen kopen in de stad. Wat zou het heerlijk zijn weer in een stad te kunnen wonen. Goed, daarmee zou een einde komen aan vijfhonderd jaar hotelieren in het Zwarte Bos, maar mijn vadertje zou er mee kunnen leven. Zijn enige, lieve kleine meid gunde hij alles. En wat is een hotel? Een firma die geld moet verdienen.


Ochtend in het bos, je kon de herfst al ruiken. Ik klopte aan bij het nog enig bewoonde huisje van het vroegere gouddelversdorp. Verzakte vensters, nergens verf. Een tandeloos besje doet open. Nekrita heet zij. Ik bood wat paddenstoelen aan. Zij kocht er drie. Huh, wat rook ze verschrikkelijk uit haar zwarte bos. Naast het huis zag ik een herenfiets staan. Vast van die gebochelde. Hoewel, fietsen met een houten poot, ik weet niet of dat gaat. Ik boog me voorover naar de stinkende put. ‘Logeert er een man met een oog, een bochel en een houten poot bij jou?’ Schichtig smakte ze de deur dicht. Ik wist enough, weet je. 


Twee dagen later. Actie. Het werd slecht weer. De paden in het bos werden modderstromen, wat een zootje. De takken zwiepten wild in de wind, maar ik was onderweg naar de vijfhonderdduizend. – wil je het allemaal nog weten, als ik je niet verveel, doe mij dan maar een colaatje.


Waar was ik? Ja, ik kwam doorweekt en met laarzen vol prut aan bij het wrakkige huisje. De bliksem sloeg naast me, eerlijk waar. En onder een luizig afdak stond hij, de man uit het zwarte bos, die zei dat Droogieter, een stervende zwaan, van hem gestolen zou hebben. Wat een leugenaar. ‘Ga naa  kamer van  dokter,’ zei de creep,‘ en neem  plant die op de tafel staa. Bren die plant bij mie. Praa hier met nieman over. Ga snel. ‘ 


Toen ik terugkwam trof ik in de hal een jankende Monica. ‘Wat doe jij hier?’ brieste ik zo ongevoelig mogelijk. ‘De dokter gaat sterven. Hij zei het me. Hij staat nu op zijn kop in bed en dat is het teken.’  Sinds wanneer gaan de stervenden op hun kop in bed staan, dacht ik. Of is de ratio geweken, een delier, of een dementieve aanval.

We gingen naar boven. Monica sjokte naast me. ‘De dokter zocht een plant in het Zwarte bos, een nieuw medicijn tegen zijn ziekte, zijn laatste hoop. En toen vond ik die plant. Wat waren we blij. Ik heb de bladeren zo bewerkt zoals hij zei, maar kennelijk nog niet goed genoeg. Nomme de patat, wat een drame..’ Ze schudde met haar hoofd en ik was bang dat het van dat kippenekje af zou glijden en de trappen af ging rollen.


We renden de kamer van de dokter binnen. De kamer lag vol met kleren en papieren. Asbakken ook nog, terwijl in mijn hotel niet gerookt mag worden. Monica wees op de dokter die op zijn kop stond, precies zoals zij had gezegd.  En daar, naast het bed, op een tafeltje stond de levensreddende plant. Zo’n plant zie je ook wel eens in de supermarkt, helemaal niks bijzonders. Of toch? Ik zou het ding mee kunnen nemen en de dokter zijn laatste kans ontnemen. Nou en? Het verhaal kon niet waar zijn, nou ja, dat weet je niet, zei een ander stemmetje tegen me. Dat van mijn overleden moeder. Je weet niet meisje. En toen hoorde ik de stem van mijn vader tegen mijn moeder zeggen dat ze zich er niet mee moest bemoeien en dat die dokter toch wel dood zou gaan en dat het verhaal van dat plantje onzin was. En toen kregen die stemmen ruzie, niet normaal.


‘Ik ga dood,’ een zucht. ‘Nee!’ Monica sloeg haar handen voor haar gezicht. ‘Jij hebt toch je plant, hier vreet dan eens, waarom eet je niet?’ Ik keek van Monica naar de plant naar de dokter. Het werd me teveel. Zij rukte een blad van de steel en hield dit bij zijn mond. Hij opende als een hert en kauwde. Dit was mijn moment om de plant mee te nemen. De plant die me onafhankelijk zou maken. Een rot plantje, en dat zou hem beter moeten maken?

Maar stel dat het wel zo was, dan zou het mijn schuld kunnen zijn en dan zou die achterlijke Monica me kunnen aanklagen of zoiets. Nee, het was beter de plant even te laten staan. Als hij dan toch gestorven was, dan zou ik alsnog kunnen cashen. Of misschien kon ik wel een stekkie ervan kweken..nog mooier!


En weg was ik weer. Schillen. Ondertussen steeds bozer worden op de man uit het bos. Een plant stelen van een stervende oude man die daarop zijn laatste hoop gevestigd had. Mijn geweten begon op te spelen. Met een kwartier stond ik voor het instortgevaarhuisje en smeet een steen naar binnen.


‘Wa doe jij nou?’ riep Quasimodo. ‘Jij haalt je plant zelf, oplichter! Schoft!’ En met de woede kwam ook de wanhoop dat ik behalve zijn ruiten ook mijn eigen ruiten aan het ingooien was. Maar hij gaf het niet zomaar op. Hij rende naar me toe en keek me doordringend aan. Ik werd verliefd op dat ene hazelnootbruine oog en ik vergat de bochel en de houten poot. Liefde maakt blind. Ik besloot de schurk te gehoorzamen als een echt gangsterliefje.


Ik klom in bed, deed mijn avondgebed en hoorde een gil. Monica! Twee seconden later was ik bij haar en zag het raam open staan. De dokter en de plant waren weg. Het gordijn wapperde en het regende bakken uit de lucht. Ik schoot een regenjas aan en in mijn flanellen pyjama rende ik naar buiten. Bij de Duivelsberg zag ik een donkere gedaante wegschieten. De dokter. Hij klom omhoog en iedereen weet, jij ook, hoe gevaarlijk die berg is in dit weer. Door erosie van het goud zoeken is de berg kaal en glibberig geworden. Een misstap en je valt en..


‘Stop!’ riep ik. De dokter luisterde niet. Een wolk schoof ook nog eens voor de maan. En hij viel en hij viel de eeuwigheid in. De arme stakker. 


Het werd lichter en ik beklom de berg om hem te zoeken. 


In plaats van het slachtoffer kwam ik halverwege de gebochelde van de Notre Dame tegen. ‘Ook een lekker wandelingetje maken? ‘ sarcastisch was ik nooit, maar ik kon het wel zijn. Er was geen draad meer droog aan zijn lijf. 


‘De plant is weg,’ zei de man somber.

‘Dus een mensenleven kan jou niet schelen?’ riep ik en haastte me naar beneden.

‘De plant had miljoenen mensen kunnen redden.’

‘Onzin, bij de Albert Heijn heb je een betere, maar die zal je niet redden.’


Monica stond achter me en ging liggen in de modderstroom.

‘De dokter was niet ongeneeslijk ziek, mevrouw,’ hijgde Quasimodo. ‘Ik zal me voorstellen, ik ben Oek Muis, ik ben onderzoeker. Ik heb die zeldzame plant ontdekt, we hadden daarmee een geweldig nieuw medicijn kunnen maken. Hij heeft het van me gestolen.’

Ik was helemaal klaar met dit verhaal en nam de hand van Monica. Ik trok haar hardhandig mee.


Samen ruimden we de spullen van de dokter op. Zijn papieren, zijn kleren deden we in een zak. Ik wilde voortdurend vragen of hij echt ziek was. Ik deed dat niet. Plotseling bleef Monica strak staan, als een pilaar. Haar ogen werden heel groot. Knikkers. Vuur kwam eruit. ‘Mijn bakkerij uit!’ knalde ze. 

‘Pardon?’  

‘Nu eruit! Wel brood kopen op de pof, maar nooit betalen, niet? Hufter! Ik maak je koud.” Ze botste tegen me aan en we vielen achterover op de beddenspiraal. Het piepte akelig toen zij mij probeerde te wurgen. We vochten als straatkatten en rolden van het bed over de houten vloer. Monica liet los. 


De aanval was voorbij. ’Sorry,’ prevelde ze. ‘Beetje moeite soms met psychotische agressieregulatie, ben ik ook voor behandeld.’ Ik hijgde nog als een pakpaard, maar desondanks ontwaarde ik onder het bed de plant waar het allemaal mee begonnen was. 


Ik besloot hem direct terug te brengen naar zijn eenogige eigenaar. Ik klopte aan bij het besje in het donkere bos. Ze deed open en lachte haar giechel breed. ‘Is die rare mijnheer er nog?’vroeg ik. Ze wenkte. 


De man keek. Ik stak mijn arm met de plant uit. Hij wachtte en pakte een koffer. ‘Die is voor jou,’ zei hij. ‘Het geld,’ het klonk als een samenzwering.


En nu zit ik hier lekker in een barretje in de stad. Ik ben happy hier. Hotel Keizersgracht verkocht, ik ben a rich woman. 


‘Ober. Mag ik even afrekenen? Hee, laat het wisselgeld maar zitten. Vriend, ik zie aan je gezicht dat je wil weten wat er in de koffer zat. Ja, vijfhonderdduizend, dat klopt. Vijfhonderdduizend vruchtensnoepjes, zo’n hartje, met daarop:

‘ slim’ .’ 

Ze heeft het dagboek gesloten

Ze heeft het dagboek gesloten. Er zit een mooi slot op het roze boekje. Maar tevreden is ze niet, want ze wil stoppen met haar gezwijmel over Patrick. Want Patrick ziet haar helemaal niet staan. Als hij voorbij loopt, wil hij nog net naar haar zwaaien, maar meer niet. Ze begrijpt niet wat ze in het joch ziet. Een lange, dunne jongen met een schaterlach, rood haar en groene ogen.

Maar toch, ze houdt van hem. Ze is 10 jaar en ze heeft al een heel dagboek over hem geschreven. Ze heeft heel wat tranen gehuild in haar kussen dat hij haar niet leuk vindt, maar ze weet nu zeker dat ze geen verkering gaan krijgen. Ze zullen nooit samen zijn en stiekem zoenen in de duintjes.

En daarom moet het dagboek weg, vandaag nog. En hij moet uit haar hoofd, de ellendeling. Weg met Patrick. Weg met jongens die alleen naar zichzelf kijken en niet naar haar. Is zij soms niet knap genoeg?

Ze zal hem krijgen. Maar eerst moet het boekje weg. Verscheuren is te lastig en het zou mama misschien op kunnen vallen in de prullenbak. Verbranden dan? Dat zou kunnen, maar dan buiten. Dan zou ze vies kunnen worden en ook vragen krijgen.

Er is een betere oplossing: de bunker in het duin. Een prima ding voor alles waar je meteen van af wil. Jammer dat Patrick er niet in past.

Ze loopt de flat uit en loopt naar buiten.  ‘Hallo Monica,’ hoort ze achter haar. Het is de buurman, die aardige man die weleens een pepermuntje geeft. Ze weet wel dat mama zegt dat ze geen snoepjes van vreemde mannen mag aannemen, maar van deze man durft ze het wel. Ze vindt het wel jammer dat hij altijd ’s avonds zijn toonladders gaat oefenen, zodat ze TOPPOP harder moet zetten. De man houdt heel erg van zingen. Dat kun je hem niet kwalijk nemen.

‘Wat kijk je verdrietig,’ zegt hij. ‘Is er iets gebeurd?’

Monica schudt haar blonde hoofd. ‘Nee hoor,’ zucht ze. ‘Er is niks.’ En ze denkt aan haar liefdesverdriet. Hebben andere kinderen dat ook weleens? vraagt ze zich af. Ben ik normaal? ‘Nou dag hoor,’zegt de man. ‘Doe je de groeten aan je moeder?’ Ze knikt. Dat vraagt hij altijd. Volgens mij is hij verliefd op mijn moeder, denkt ze.

Ze rent door de duinen vol met zijn kromgebogen eikjes naar de bunker, een betonnen ding onder het zand. Het ligt vlak achter de school, verscholen onder een heuvel. Het is gemaakt door de Duitsers uit de laatste oorlog. Zij verschuilden zich daar in. Tegen bommen, denkt ze. Maar het gat aan de bovenkant is open. Er kan een man doorheen. Aan de binnenkant ziet ze een stalen ladder, die naar beneden loopt. Snel dat boekje erin. Het duurt lang eer ze de klap hoort, zo diep is het. Ze hoort iemand roepen: ‘Hee!’ Het zal toch geen verdwaalde Duitser zijn? Snel klopt ze het zand van haar kleren en rent weg. 

Op het schoolplein is haar vriendin Erica misschien. Ze loopt er naar toe. De school ligt omgeven door de duinen, te bakken in de zon.

Ze ziet Erica niet. Wel Jonas, een jongen die bij haar in de flat woont, maar dan een verdieping lager. ‘’Hallo Monica,’ zegt hij grijnzend en hij toont een roze boekje. Haar mond valt open voor ze gedag kan zeggen. Het is haar boekje,  haar dagboek vol met alles over Patrick!

‘Ik heb wat gevonden van je in de bunker,’ grijnst Jonas. ‘Leuk hoor al die tekeningen over Patrick.’ Hij laat een pagina zien met een groot rood hart met een pijl erin.

Monica voelt de grond onder haar wegzakken. Jonas heeft het boek met al haar geheimen in handen. De rotzak, de gemene rotzak. De schoft, de ellendeling. Hij zat verstopt in de bunker.

 Ze rent op hem af. Hij houdt het boekje in de lucht. ‘Pak hem dan!’ roept hij plagerig en hij rent weg.

Het wordt nog erger. Hij roept: ‘Ik ga alles aan hem vertellen, alles, alles!’

‘Nee,’ roept ze, ‘dat doe je niet!’

En toen kwam ik op het schoolplein. Monica was mijn buurmeisje. Ik vond haar leuk en sportief. Als zij zich verveelde tijdens haar huiswerk maken, begon ze klopgeluiden te maken. Ik klopte dan terug.

‘Geef mijn boekje terug!’ riep ze.

Jonas had niet in de gaten dat ik achter hem stond. Ik begreep wat er was gebeurd en het was vrij eenvoudig het boekje uit zijn kolenschoppen te grissen. Ik wierp het naar Monica. Daarna was het minder eenvoudig: Jonas kreeg mij bij mijn bloemige t-shirt te pakken en gooide me op de grond. Daarna ging hij bovenop me zitten en sloeg op mijn neus. Hij had me zeker vermoord als er niet een oude meester naar buiten was gekomen.

‘Hee, laat dat!’ riep hij. ‘Ophouden!’ Jonas liet snel los en ging er van door. Ik voelde aan mijn neus. Hij zat er nog aan. Maar het bloedde.

We gingen naar huis. Mijn moeder schrok een beetje en waste mijn gezicht. Daarna keek ze naar het boekje. ‘Wat er is met je poezieboekje gebeurd?’ vroeg ze. ‘Ik maak het wel even schoon.’

‘Maar u mag er niet in kijken,’ zei Monica.

‘Beloof ik,’ zei mijn ma. Ze ging naar de keuken.

‘Wat staat daar in?’ vroeg ik, toen we in mijn kamertje stonden.

‘O,’ zei Monica. ‘Van alles over Patrick.’

‘Patrick?’ Ik kende hem niet.

‘Ja,’ zuchtte ze verdrietig. Ik zag een traan.

Ik pakte mijn roodbruine cavia uit zijn kooitje en gaf hem haar. Ze

aaide hem.

‘Weet je,’ zei ik. ‘Ik heb ook zoiets. Een meisje uit mijn klas. Ze heet

Bregje.’ De cavia begon te knorren.

‘Ze kwam bij ons in de klas vorig jaar en ze viel me niet op. Maar toen

merkte ik dat ze vaak bij me stond, dichtbij. Als we speelden.’

Monica knikte.

‘En een keertje stond ik per ongeluk dichtbij haar. Ze zette haar

fietsje in het fietsenhok. Ze keek me aan en lachte en toen..’

Monica stond op. ‘Het gaat regenen,’ zei ze.

‘Toen keek ik van heel dichtbij in haar ogen.’

Monica zette de cavia terug. ‘En toen?’

‘Toen zweefde ik door het fietsenhok. Het was heel vreemd. Haar

ogen waren de mooiste die ik ooit gezien heb. Kristalblauw. Zo prachtig.’

‘Alsof je zo oud bent, gekkie,’ lachte Monica. ‘Maar ga door:

gingen jullie zoenen?’

‘Nee,’ zuchtte ik. ‘Het bleef bij kijken. Ik weet niet wat ik tegen haar  moet zeggen.’

‘En ik weet het wel,’ zei mijn moeder. ‘Hier is je boekje Monica. Wees

maar zuinig op die mooie gedichten.’  

Monica pakte het boekje en drukte het tegen haar borst.

‘Nou, bedankt!’ zei ze verlegen.

‘Ik ga, ik moet nog huiswerk maken.’

‘Dag,’ zei ik. ‘Morgen bramen zoeken?’ In het duin groeiden heel veel bramen. Meer dan onze

moeders jam van konden maken.

Ze knikte. Ze lachte nog even naar me en hipte de deur uit.

Ik ging terug naar mijn kamer. Natuurlijk dacht ik weer aan die

mysterieuze blauwe ogen. Ik schreef Bregje op mijn schoolbord en

zag toen pas een stuk papier op de grond liggen. Het was een losse

bladzijde uit het dagboek van Monica. Op iedere regel stond tien keer

mijn naam. Daaronder een groot hart met een pijl, ook weer met

mijn naam. Ik was Patrick!

Ik klopte op de muur met signalen het alfabet: ik- hou- van- jou. Het

duurde even, toen hoorde ik: dikke – zoen.

En de zon ging rood onder boven de haven en van het schoolplein en

uit de duintjes klonken nog kinderstemmen, gegil en vrolijk getetter.

Ik vond dat ik best gelukkig mocht zijn met mijn twee vriendinnen.

De wachtkamer van de tandarts

8.00 ’s Ochtends. Sjaak, de tandarts, komt binnen. Doet zijn jas uit. Gaat koffie zetten. Hij drinkt, daarna doet hij zijn groene tandartspak aan. De assistente komt ook binnen. Ze is gebruind, op haar schouders zelfs rood. Ze vertelt een heel verhaal over haar vakantie in Griekenland en dat ze daar een leuke Oostenrijker is tegengekomen. Herbert Unterwasser heet hij. Hij is al wat ouder, maar dat maakt haar niet veel uit. Hij zoent goed. Sjaak knikt. Hij vertelt dat zijn zoon net geslaagd is voor zijn eindexamen van de middelbare school. Die zoon, die Wonder Joy heet, wil ook tandarts worden, maar hij ligt het liefste de hele dag op de bank te spelen met zijn gameboy. ‘Hoe vin je dat nou?’ vraagt hij. ‘De jeugd, ‘zucht zij. ‘Die van mij zitten de hele dag op hun kamer. Ik weet niet eens wat ze doen achter die deur.’ Ze start de computer, het apparaat gaat heel langzaam. Dan komt de eerste patiënt binnen. Een beverige oude heer met één stok en twee tanden. Sjaak herkent hem direct: zijn vroegere onderwijzer van de 6e klas, de heer Vankoudeenhetevuren. De man valt bijna om. ‘Alles goed met u?’roept hij in het linkeroor.’ Je hoeft niet zo te schreeuwen!’ roept de kerel. “Ik ben hier voor mijn tanden, niet voor een gehoortest.’ ‘Ik heb bij u in de klas gezeten,’ zegt Sjaak terwijl hij de laatste dentalen bekijkt en betimmert. ‘Jij was een dondersteen,’ roept de patiënt. ‘Wat jij allemaal uitvrat, ik wilde je het liefst opsluiten in de kelder. Jammer genoeg mocht dat niet.’ Sjaak legt het spiegeltje terug. ‘Ik was een hele brave jongen,’ protesteert hij. ‘Bent u niet in de war met mijn broer Henk, Henkie van de Broek.’ ‘Nee, nee!’ roept de man. ‘Jij was het en kijk maar eens wat er van je geworden is: tandarts. En je kon zo goed leren!’

Schrijfopdracht uit: 333 dingen om te schrijven: Beschrijf een dag van de tandarts gezien vanuit de wandklok

De strijkplank, 3 mei 2017

Gisteren werd ik wakker als een strijkplank. Mijn achterkant had de souplesse van een bakstenen muurtje. Misschien kwam het door de hulp die ik bood bij een verhuizing. Vooral het verplaatsen van de metersdikke tafelpoten zal ik mij herinneren. 

In bad dacht ik te midden van het schuim aan de medemens van wie het lichaam niet meer werkt. Ik heb een tante met een neus die niet meer wil ruiken en ik ken een man die zich verplaatst op een hightech metalen been.  Lastig leven.  

Ook, onzichtbaar, zijn er velen om me heen van wie de darmen niet meer werken en die hun halve leven op de pot slijten. Er zijn mannen waarvan de fluitketel niet meer werkt. Ook lastig. Verder zijn er mensen die met het hart van iemand anders rondlopen. 

In een boek over het  fenomeen van de harttransplantatie las ik dat je daarmee het karakter van de vorige drager overneemt.  Dus was je voorheen een kalme bejaarde dan kun je nu een verjongde, opstandige radicaal zijn. Je kunt ook plotseling heel ontrouw worden, omdat je het hart van een womanizer hebt gekregen. Lastig. 

Veel mensen hebben wel een onderdeel aan hun lijf dat niet meewerkt. Je moet ermee leren leven, zeggen ze. Dat is gemakkelijk praten. Ik zag onlangs een man op straat liggen. Hij laat zijn invalidekarretje trekken door zijn hond, maar het beest had een poesje geroken en was er vandoor gegaan. Met het karretje er nog aan vast. Zeg niet te gemakkelijk dat je er maar mee moet leren leven. De arme man lag naast de kar te kermen.

Ik heb deze dag afgezien en het stelde nog helemaal niets voor. Geen pijn, ik kon alleen niet bij mijn schoenveters. Hoe is je leven als je de hele dag pijn hebt? Ik heb vandaag geen stem, wat ik ook wil zeggen, er komt geen geluid. Het is rustig. Ik klaag niet.

Wie nog strijken moet, mag me komen lenen. 

De Noordzee bij nacht

De Noordzee bij nacht. Het stuurwiel in je handen. Moeite om te blijven staan en het kompas op 250 graden voor te houden. Schuim smakt over de boeg. Zo nu en dan kilt het zeil als het uit de wind valt. Het zicht is slecht, een meter of honderd. Vanuit de mist doemen monsters met containers op en je vraagt je af of ze het toplicht dat in de mast heen en weer zwaait zullen waarnemen.

De voorkant van het licht is groen en de achterkant is wit, maar we zijn klein, heel klein op deze grote plas.

Aan stuurboord een nog iets kleinere zeilboot, voor anker. Met de kop rustend in de zuidwestenwind.

De stilte is groot op zee, alleen het klapperen van het zeil en de dreunen van de golven tegen de polyesterwanden veroorzaken afwisseling in de geluidloosheid.

Zo nu en dan komen uit de boordruimte geluiden van de communicatie-apparatuur: piepjes en stemmen, maar ik heb geen tijd om te luisteren, want het schip, Freedom, hangt schuin, zo ongeveer 15 graden, dus kost het veel moeite te blijven staan. En zelfs een plasje plegen is bij deze helling niet aan te bevelen.

De schipper, Maarten, ligt op de bank in de kajuitruimte en slaapt, maar staat bij de geringste afwijking naast je. Hij slaapt met de oren gespitst.

De mannen om mij heen turen zonder iets te zeggen over de golven. Iedereen is onder de indruk van de eenzaamheid op het water. Af en toe wijst er iemand naar een lichtje in de verte. Wat kan dat zijn? Een vroege visser misschien ? De mannen zijn aan de wal politieagent in IJmuiden.

Wij zijn allemaal een beetje huiverig voor vissersboten, omdat hun koers vaker wisselt dan die van andere schepen.

De P&O ferry passeert. Reusachtige gedaante, met misschien een enkele slapeloze of dronkaard op het dek. De maan schittert prachtig op het wateroppervlak en even wordt het zicht daardoor beter. Gelukkig maar dat het kompas verlicht is. Nu begint het te regenen. Het schip wordt een moment opgetild door een grote golf, ik stuiter omhoog, klamp me vast aan het wiel, besluit even te gaan zitten om de verkrampte benen enige rust te geven. Het is drie uur in de morgen. Er is geen land te zien, er is geen spoor van de bewoonde wereld met al zijn problemen.

Uitgeput klim ik na de aflossing van de wacht in de piepkleine kooi van het vooronder.Ik pel alle kledingstukken van het lijf en stort mijn hoofd vlak naast het kleine raam, dat gelijk is

aan de waterspiegel. Ik word nat van een luik boven mij dat niet goed dicht is, maar ik kan het bij deze stand van het schip onmogelijk dichtdoen. Dan maar nat. Ik val in slaap en herinner mij niets meer.

Als ik wakker word, schrik ik nogmaals van een golf die recht op mij afkomt en tegen het boordvenster beukt. Waar ben ik ? Lig ik in zee? Godzijdank binnen. De morgen is grijs en de horizon niet te zien. Geklots is vredig. Ik heb geen last van zeeziekte, ik vind het schommelen heerlijk.

Ik stoot mijn hoofd bij het opstaan, ik val om en tracht mijn regenbroek te vinden. Die ligt in het wc-tje naast het potje, waaruit zeewater gutst omdat iemand vergeten heeft de handels naar beneden te drukken. Terwijl ik me aan de deurknop vastgrijp vraag ik me af waarom mensen gaan zeezeilen en of parachute springen en of bergbeklimmen.

Het is de strijd tegen de elementen die mensen in gang zet. Het is een test in overleven, die ons van de veilige huis en haard verdrijft. Naar de zee. Dat monster dat schudt en trekt aan het schip om het te kunnen verzwelgen en waarvoor geen enkele oceaanstomer veilig is. Ook het land is niet veilig voor het water dat achter de pieren loert om toe te kunnen slaan.

Eindelijk weer een spoor van land. Duinenrijen. Een pier. Dit moet Scheveningen zijn. Dat is het ook. Rechts Den Haag, met een aantal veel te hoge gebouwen. Links Katwijk en helemaal rechts, bijna uit beeld, de Maasvlakte.

Een deining veroorzaakt door het schip van Rijkswaterstaat. Aan de horizon, over de rechterschouder, het nieuwste schip van de marine, de Rotterdam, varende badkuip, van 125 meter, geschikt om mariniers en -landingsvaartuigen uit de buik te persen. De haven, de zeilen strijken. Het schip mag rusten, en wij ook.

De fles wordt geopend. Als ik op de wal sta, schommelt alles en kan ik nauwelijks

nog normaal lopen. Ik voel me ook niet helemaal lekker: walziek, denk ik.

September 1998

Een gat in haar broek

De twee oude dametjes waren driftig in gesprek. Ze stonden naast me op het station.

‘Nou ja, en dan mijn kleindochter Diana,’ zei de ene.

‘Da’s toch een schat?’ zei de ander met het rode hoedje.

‘Ja,ja, dat is het niet,’ zei de grootmoeder. ‘Maar verleden week kwam ze logeren bij me, hartstikke leuk..’

‘Gezellig..’

‘Ja, maar ja, ze had haar broek over een stoel gehangen..’

‘Is ze zo slordig, zeker van d’r moeder?’

‘Ach, dat valt wel mee, maar ik zag dat ze allemaal gaten in haar broek had..’

‘Je meent het, ja, ze kunnen ook niet meer naaien tegenwoordig..’

‘Nee, maar ik dacht, oma regelt dat wel even, dus hup met die naald en draad, ik had er zo wat lapjes op gemaakt..’

‘Wat ben je toch ook een..’

De oma zweeg, en ze keek sip en een beetje schuldig. ‘Ik kon dat toch ook niet weten..ze wil nu niet meer met me praten..’

‘Hoezo?’ vroeg de rode hoed en ze keek naar de trein die aan kwam knarsen.

‘Ze had die broek zo gekocht, dat is modern of zo..zo gaan ze over straat..’

‘Je meent het,’ zei het andere dametje met haar mond open.’Je meent het en daar betalen ze voor?’

‘Ja, we leven in rare tijden..’

‘Of wij worden oud..’

‘Dat zal het zijn, heb jij de kaartjes?’

En ze stapten in de trein.

Gestopt met roken

Ze hoorde de branding achter haar pruttelen. Eerst had ze het geruststellend gevonden, nu was dit geruis gevuld met dramatiek en schaamte. Want zij was de weg kwijt. De weg kwijt op haar eigen strand. Alles leek onherkenbaar. De strandopgang, waardoor zij was gekomen, was nergens te zien. Ze vreesde een schaduw die in de verte nog donker was, maar wel in haar richting kwam. Het kon een persoon zijn met slechte bedoelingen. Waar was de strandopgang nu toch? Haar lijf en handen trilden. Omdat ze dagen geen shot meer had genomen. Nicotineshot. Dat kreeg je er van. Gestopt met roken. Gek worden. Thuis in bed liggen en het dan zo warm krijgen dat ze er wel uit moest gaan, rennen, naar buiten, het donker in. Naar het strand.

Zij was gestopt met roken, zou er op de internetpagina’s staan. Zij was gestopt met haar verslaving, maar ’s nachts hield zij het niet meer uit. Ze rende naar het strand. Nicotine rende achter haar aan. Maar toen ze daar stond in haar pyjama, helemaal alleen, raakte ze in de war. En toen was ze op het verkeerde moment op de verkeerde plaats. Een lustmoordenaar, John Z., met proefverlof van een psychologisch observatiecentrum, zag in haar een lang gedroomde vervulling. Na zijn gruweldaad wierp hij haar in zee.

Ze dacht erover na. De donkere persoon  kwam  dichterbij. Er gloeide een oranje lichtpuntje bij zijn gezicht. Ze schrok toen hij naar haar wees en ze rende de zee in. ‘ Saskia!’ riep een bekende stem. ‘Wat doe je hier? Kom terug!’ Sjaak, haar echtgenoot, stond wild in de branding te gebaren. Ze kwam bij uit haar paniektoestand en banjerde naar hem toe. Twee seconden  later hield hij haar in zijn armen en voor ze het wist troostte hij haar met een verse sigaret. Ze vertelde snotterend dat ze was gestopt.

‘Wat een onzin,’ bromde hij. ‘Kijk wat er gebeurt als jij niet meer rookt. Doe normaal zeg. Hier, neem nog een lekker trekje. Nou snap ik waarom je de laatste tijd steeds vergeet het gas uit te draaien. Laatst heb ik de brandweer moeten bellen. Doe normaal zeg.’

En zo eindigde haar eerste poging tot stoppen met roken met een romantisch samenzijn op en in het zand. Ze rolden in een kuil en smaakten het genoegen van elkaars koolmonoxide.

Zij redeneerde in stilte dat het pad van ontgiften een slingerweg is vol distels en prikstruiken, met soms onverwacht prettige bijkomstigheden. Liefde die weer ontvlamt als een shaggie in een donkere nacht. Maar opgeven zou ze niet, al moest haar huis daarvoor ontploffen. Of zij in een spanlaken  worden afgevoerd.

Toen ze bij de strandopgang stonden, het werd al licht in het oosten, zei ze: ‘Sjaak, het was heerlijk met jou vannacht, maar ik stop ermee. Met roken bedoel ik.’

Even keek hij haar aan en lachte heel verschrikkelijk hard. ‘’Topwijf ben je Sas, we doen dit morgen nog een keer over!’ En hij kletste haar keihard, met zijn kolenschoppen, op de natte kont.

Onsterfelijk

P1150853-001

Gene reed weer eens met teveel drank achter zijn kiezen door de eindeloze hoogvlaktes van Colorado. Het was een koude nacht en dat maakte het ook niet gezelliger in zijn oude, donkerrode Dodge Charger 500.

Naast hem op de bijrijdersplaats lag Larry met zijn hoofd achterover en zijn mond wijd open, The Star- Spangled Banner te snurken. Af en toe werden zij door een truckdriver ingehaald. Dan gleed even wat licht over het doffe gezicht van Gene, de artiest die maar niet wilde slagen op het podium.

Ook vanavond was het in Villegreen, in het Parc Theatre, weer een brute ellende geworden, omdat zij de toon niet konden vinden voor een publiek van veteranenvechters dat misschien liever naar blonde, vals zingende meisjes was komen kijken. In de pauze van de act hadden zij dan ook veel te veel gedronken en in het tweede deel waren zij na drie nummers met elkaar op de vuist gegaan. Larry had daarnaast ook nog eens: ‘Stomme boeren, ik fuck liever met jullie koeien, dan met jullie wijven!’ geroepen en toen waren de luisteraars het podium opgeklommen en werden de gitaren gevierendeeld. Ook het gordijn werd van de wand gerukt. Het werd net zo’n bende als in de Amerikaanse vrijheidsoorlog en de sheriff moest er aan te pas komen. Op voorwaarde dat zij nooit meer terugkwamen, mochten zij het dorp verlaten.

Nu  gromde hun wagen over highway 287, naar Denver, waar zij hoopten hun roes uit te kunnen slapen. Gene wilde rust aan zijn kop. Hij had een appje gekregen van Nancy dat zij het uitmaakte, omdat hij alweer zijn belofte niet na was gekomen. Die belofte hield in dat hij met haar naar een huis in de staat New York zou gaan kijken en een fatsoenlijke baan zou gaan zoeken. Dat waren dus twee beloftes in plaats van één.

De radio speelde het nummer cocaine blues van Johnny Cash. In de verte waren de donkere schaduwen van de Rocky Mountains te zien. De weg was eenzaam, donker en gevaarlijk door het saaie karakter. Gene was ervan overtuigd dat hij en Larry met hun laatste opnames een absoluut prachtig album hadden geproduceerd, – de kenners waren daar ook van overtuigd-, maar hun karakters waren zo grillig en zo koppig. Kon het leven toch gemakkelijker zijn. Kon hij maar toegeeflijker zijn en de drank laten staan. Vooral dat laatste. En dan Larry, die bij vlagen briljante musicus, die verleden week nog met zijn Ford dwars door het tuinhek van de buren was gereden.

Toen hij zo in gedachten verzonken over de weg reed, werd hij plotseling ingehaald door een misdadig hard rijdende auto, die slipte, tegen een boom reed en in de brand vloog. Waarschijnlijk was het een Pontiac GTO. Gene remde uit alle macht en wist de auto veilig aan de rechterkant van de weg tot stilstand te brengen. Zelfs Larry werd wakker.

Hij pakte een verouderd blusapparaat uit de achterbak en probeerde de verongelukte Pontiac te blussen. Daarin slaagde hij redelijk, hoewel hij zoiets nog nooit gedaan had. Het vuur doofde en Larry riep: ‘Er zit een man in, haal hem eruit!’ Gene deed het linker portier open en trok de vent eruit. In de rest van de auto zaten geen mensen meer. Larry wees hem op de lichamen die naast de wagen lagen. Hij bekeek ze en constateerde dat ze verkoold en dood waren. ‘Ze leven niet meer Larry,’ zei hij teleurgesteld.

‘En wat nu Gene?’ vroeg Larry. ‘De politie bellen?’

Gene dacht even na. ‘Dan denken ze dat wij het hebben gedaan,’ zei hij somber. Larry knikte stom. Wat was Gene toch een intelligent man. En ze hadden ook nog stevig gedronken, dat maakte hun zaak er niet beter op. Ze besloten de enige overlevende in hun Dodge te hijsen en hem ergens achter te laten. Man, wat was die kerel zwaar en behaard. Het leek wel een aap. Maar ze waren te dronken en te aangeslagen om er goed over na te denken.

Zo reden ze door de nacht, al piekerend en pratend wat ze nu moesten doen. Gene wilde de vent bij zijn moeder onderbrengen.

Hij parkeerde de auto voor het huis van mama, waar hij tijdelijk weer was gaan wonen en keek naar het slachtoffer op de achterbank.

Zijn ogen en die van Larry werden groot als schoteltjes, want op de bank lag iets te slapen. Het was harig, het was groot, maar het was beslist geen mens: het was een aap, een reusachtige aap. ‘Het lijkt wel een aap,’ slikte Larry. ‘Sukkel,’ siste Gene. ‘Het is een aap.’  De aap leek niet veel zin te hebben in wakker worden.

‘Wat doen we nu Gene?’ beefde Larry. ‘Ik denk dat het een gorilla is. Het beest gaat ons vermoorden.’

Larry pakte zijn Winchester rifle 22, om op het dier te schieten, maar het schot dat hij loste, ging wel door de auto, maar miste de aap. Het dier werd reusachtig boos en angstig en ging achter Larry aan. Hij pakte hem beet en smeet hem tegen de aanpandige garagedeur. Larry bleef roerloos liggen. Gene wist zeker dat hij morsdood was. En dat als hij niet weg zou rennen, hij het volgende slachtoffer zou worden. Daarom rende hij weg, maar hij hoorde het beest achter hem aankomen en daarom liet hij zich dood neer vallen. Dat hielp, de aap snuffelde aan hem en trok hem bij zich. De aap begon hem te strelen. ‘Good guy,’ zei Gene en hij probeerde vriendschap te sluiten. ‘Kom mee,’ zei hij. Hij liep naar de auto en de aap liep gedwee mee. Stapte zelf in de wagen, alsof hij dat zag als zijn nest, als een schuilplaats.

Gene reed met hem weg en bedacht dat hij misschien in een zoo thuishoorde. Hij reed naar de dichtstbijzijnde stad en volgde de borden: Denver zoo. Maar bij een kruispunt werd hij aangehouden door een motoragent. De man scheen in de auto en keek wantrouwig. ‘Wat doet u hier in the middle of the night met een aap in uw auto?’

‘Wij zijn artiesten sir,’ verzon Gene. ‘Die werken altijd ’s avonds en ’s nachts. Het zijn echte nightbirds. Ook Elvis, een goede kennis van me, zag je nooit voor elven ’s morgens.’ Gelukkig was de man een fan van Elvis. ‘Maar wie is hij dan?’ Hij wees op de aap. ‘’Dat is Larry, we hebben een act met een aap. Ik bedoel: Larry is verkleed als aap. In het nummer danst hij.’

De agent vertrouwde het nog steeds niet en hees zich naar binnen. Hij stompte de aap hard op de ribben met de achterkant van zijn pistool. De aap legde zijn enorme armen om hem heen en knuffelde hem dood. Letterlijk. Gene trok de dode agent uit de auto en legde hem naast de motorfiets. Dat was dode nummer twee. Hij wist niet meer wat te doen. Het dier vermoordde de halve provincie. Hij moest hem dumpen bij de zoo, al wist hij niet hoe hem uit de auto moest krijgen. Hij ging linksaf. De aap sliep verder. Daar zag hij in de verte de dierentuin.

Maar eerst werd hij klemgereden door een bende van vier mannen met machinepistolen. Gene draaide het raampje open.

‘Waar is de shit?’ hijgde de oudste van het stel. ‘Maak de kofferbak open.’ Daarin lagen alleen gesloopte gitaren. De mannen braken de gitaren open. Er zat geen stuff in. Ze zeiden dat ze Gene dood zouden gaan maken. Gene zei dat hij de shit verstopt had bij de zoo. Ze geloofden hem niet. Reden achter hem aan. Bij de zoo stapte hij uit. Daar was de politie aan het zoeken naar een ontsnapte aap. De criminelen schoten het eerst op de agenten. Het werd een vuurgevecht. Hij reed hard achteruit en smeerde hem. Met de aap achterin. Het dier was doodsbang en deed zijn armen voor zijn ogen.

Zo  scheurde hij over de hoogvlaktes van Colorado. Voortdurend keek hij in zijn spiegel. Hij maakte veel omwegen. Ging wegen in die hij nog nooit genomen had. Uiteindelijk stopte hij bij zijn moeder. Kensingtonroad 44. Hij hoorde niets achter zich. Msschien was hij veilig.

Mama kwam op hem af. ‘Er was een motoragent hier,’ zei ze, ‘die zei dat jij een verklede man in de auto had. Dat zou Larry zijn, maar dat kan niet, want die zit nu bij me aan de thee. Hij is heel erg geschrokken. Gene gaat het wel goed met je? En wie is die man in de auto?’ ‘Dat is een aap, mama,’ zei hij.

‘Gene, je gaat naar binnen en je gaat je schamen.’ Hij was moe van het fucking gedoe en wilde slapen. Hij liet de aap achter in de auto.

Die nacht sloop hij het huis uit. Hij was bang dat zijn moeder het zou horen. Larry lag weer hard te snurken op de bank in de voorkamer. Hij liep op de koelkast af en haalde er tomaten,een struik selderij en een biefstuk uit. Zou een aap dat lusten? Het beest moest toch wel honger hebben. Voorzichtig liep hij op de auto af en keek naar de aap. Die keek naar hem. Hij was vriendelijk. Het dier stak zijn enorme poot uit en streelde Gene’s hand. Gene voelde zich warm worden door zijn geste. Hij pakte de tomaten, de selderij en de biefstuk en legde ze voor het dier neer. De gorilla pakte alleen de selderij en begon uitgebreid te knagen.

‘En nu dan?’ vroeg Gene hardop. ‘Wat moet ik nu doen? Ik wil niet dat ze je doodschieten. Je moet toch ergens vandaan komen en bij iemand horen.’ De aap keek hem aan, het leek wel of hij huilde. Hij knorde zachtjes. ‘Dus, wat moet ik met je?’

Hij stapte in en reed weg. Misschien kwam hij zo op een idee. Hij reed kilometers en kilometers door. Het werd ochtend. Hij kwam in een klein dorpje, Wascontin,  en kocht bij een vroege groentenboer een kilo selderij.

Hij reed verder. Stopte in de woestijn. Langs de kant van de weg zag hij een oude hut, waarschijnlijk van een goudzoeker geweest.

Hij bekeek de hut, zocht in de auto naar gereedschap en  begon te timmeren tot het tegen de middag weer op een goede schuilplaats leek. Hij legde de lekkernij in de deuropening en de aap volgde gedwee. Dat verbaasde Gene wel. Dat de gorilla nog zo mak was. Hij vermoedde dat er iets gebeurd was met het dier. Dat ze – wie dat ook waren geweest- hem verdoofd hadden.

In de hut was geen slaapplaats. Met wat jute zakken maakte Gene een plek voor hem en zijn nieuwe vriend. Hij verbeeldde zich dat deze vriendschap hem eindelijk de genegenheid zou geven waar hij al zo lang op had gewacht.

Hij wist nog steeds niet wat hij moest. Ze zouden hem arresteren vanwege het molesteren van een agent en het kidnappen van een aap. Was dat strafbaar? En wat wilde hij eigenlijk in zijn leven? Die vraag kwam bij hem boven. Nu hij hier zo alleen was met zijn vriend, begon hij daar aan te denken.

Hij zat naast de aap. ‘Ik noem je George,’ zei hij. ‘Wat vind je daarvan?’

George krabde aan zijn kont en knorde zachtjes. Zo zaten ze naast elkaar. Gene voelde geen angst meer. ‘Zal ik voor je zingen?’ zei hij. Hij pakte zijn gitaar en zong:

 So, if you see me walking all alone

Don’t look back, I’m just on my way back home

And there’s a train leaves here this morning

And I don’t know, one I might be on

 De aap leek het een leuk liedje te vinden. Gene glimlachte. ‘Ik zie dat je het mooi vindt. Doet me goed, vriend. Er zijn veel mensen die vinden dat ik dikke shit maak. Maar dat is niet zo. Het zijn echte liedjes. Ik schrijf uit mijn ziel. Dat snap jij wel, hè?’

Plotseling stak George langzaam zijn enorme klauw uit. Gene legde zijn hand erop en liet hem erin rusten. Het duurde zeker wel vijf minuten. Maar nu wist hij zeker dat hij er een echte vriend bij had. Mensen, dat was poep. Maar bij zo’n dier, die kon niet liegen, dat was puur en echt. Het gaf hem een gloedvol gevoel in zijn borst om eindelijk een echte vriend te hebben, die hem niet zou bedriegen.

Omdat hij zo dacht had hij niet in de gaten dat George met de minuut ongelukkiger werd. Het dier leefde in een veel te kleine ruimte, zonder zijn soortgenoten en voelde zich eenzaam en in de steek gelaten. Hij trok zich terug in een hoekje en sloeg zijn armen om zijn enorme lijf. Ook raakte de verdoving die hij voor zijn ontvoering had gehad, langzaam uitgewerkt en werd hij weer zijn oude zelf.

Hij zag Gene als de aanstichter van zijn ellende en die had dat, verblind als hij was door zijn nieuwe geluksgevoel, niet in de gaten.

De muzikant stapte in zijn Dodge en reed naar een dorpje. Daar sloeg hij in de lokale supermarkt 5 kilo andijvie, 3 kilo selderij en een kilo blauwe bessen in. Ook vergat hij zijn eigen bier niet. Twee liter, dat moest genoeg zijn om de hete dag door te komen.

Omdat hij vermoedde de nacht door te moeten brengen in de hut, kocht hij in een verdacht zaakje van een sjacheraar twee grote  gebloemde dekens en twee kussens. Hij aarzelde even bij de wapenshop, maar hij besloot geen pistool te kopen, omdat de politie hem dan op het spoor zou kunnen komen. Misschien moest hij zijn auto ook verkopen of inruilen voor een ander exemplaar.

Hij reed tevreden terug naar de hut. Af en toe stopte hij aan de kant van de weg om te zien of hij niet gevolgd werd.

Uiteindelijk parkeerde hij voor de hut. Hij zette de boodschappen neer en riep: ‘Hallo, ik ben thuis!’  Alsof daarachter zijn nieuwe verloofde zat. Hij duwde tegen de deur, maar die ging niet open. Hij duwde nogmaals. Hij keek door het kleine, smerige raam wat er aan de hand kon zijn en zag toen dat George tegen de achterkant duwde. Het dier was angstig, gefrustreerd en wilde niemand meer zien.

Gene sprak hem aan: ‘George doe je de deur open?‘  De aap gaf geen krimp. Gene trapte tegen de deur. ‘George, doe open!’ schreeuwde hij. De aap liet een geluid horen. Het leek wel op huilen en het was de eerste waarschuwing van een enorme woedeaanval. Gene schopte nogmaals tegen de deur en toen had het dier er genoeg van.

Hij hees zich omhoog, smeet de deur opzij, of het een papiertje was, en brulde en krijste tegen Gene. Gene schrok en gaf hem een klap.

George beukte terug en brak de arm van Gene. Gene begreep dat het nu echt verkeerd was en rende terug naar zijn auto. Gelukkig maar dat George besloot eerst de hut volledig plat te gaan  stampen. Dat gaf Gene de gelegenheid in zijn auto te ontkomen.

.Onderweg, in de woestijn, werd de pijn aan zijn arm onverdraaglijk. Hij kon niet meer verder. Stapte uit. Liep rond. Het werd donker.

Hij dacht steeds aan zijn vriend. Het dier zou kunnen verhongeren zonder zijn groentes.

En hij, de geniale musicus, zou hier bezwijken en opgegeten worden door de gieren en de restjes waren voor de coyotes. Hij hoorde een auto stoppen. Hij rende kermend weg en probeerde zich achter een rotsblok te verstoppen, want het was of de politie, of het waren de misdadigers. In beide gevallen zou hij het niet na kunnen vertellen. Hij hoorde voetstappen op hem afkomen.

‘Dit zijn mijn laatste ogenblikken,’dacht hij. Hij zag zijn leven aan hem voorbijtrekken. Hij zag zijn vader, de dronken dominee die hem altijd sloeg, ook al had hij niets gedaan. Hij zag zijn lieve tante, die hem een gitaar gaf voor zijn tiende verjaardag.

Maar toevallig was het een dierenarts. Een jonge vent met een gebruind gezicht en een rode snor. Gene legde hem kermend uit dat hij een aap verborgen hield. Hij zei erbij dat hij het eerst niet wilde vertellen, maar nu kon hij het niet meer tegenhouden. Hij zei er ook bij dat hij bang was om straf te krijgen voor het beschadigen van de agent. De dierenarts zweeg lange tijd. Hij zei: ‘Ik ga proberen het dier te verdoven. Dan kan hij daarna eventueel in een groep geplaatst worden.’

Hij bracht eerst Gene naar een mensendokter in Wasconsin en reed daarna naar de plek waar de aap zou moeten zijn. Het viel niet mee het dier te verdoven. Het maakte veel spektakel tussen de hutresten. Een bevriende sheriff leidde hem voorzichtig af door met zijn armen te zwaaien en Jeffrey Wild, de dierenarts, blies. Langzaam zakte arme

George in elkaar. Andere politieagenten hielpen hem in de wagen te sjouwen. Hij was sterk vermagerd en er slecht aan toe.

De dierenarts bezocht daarna Gene in het lokale hospital. Diens arm was op drie plaatsen gebroken en onder narcose weer in elkaar gezet. Gene had angstig aan de dokter gevraagd of het weer goed zou komen en hij nog gitaar zou kunnen spelen. De dokter had hem gerustgesteld. ‘Het komt goed,’ zei de man, die uit Nigeria kwam en nog tropenarts was geweest.

Maar Jeffrey Wild keek Gene nog een keer serieus aan.

‘Ik adviseer je niet bij je vriendje te gaan kijken,’ waarschuwde hij, ‘want hij ziet jou niet meer als vriend.’

Gene geloofde dit niet. Hij was van het beest gaan houden en geloofde nog steeds dat het ook andersom zo was.

De maanden vergleden. Gene kon door een goede, bevriende advocaat met moeite worden vrijgepleit voor het geweld tegen de agent. Larry was ook weer helemaal hersteld en ze maakten weer plannen om een nieuwe plaat te gaan maken. Ze hadden zelfs een optreden vlak bij de dierentuin in Denver waar George naar toe was gebracht.

Toen ze daar reden zei Gene tegen Larry dat hij nog even wilde kijken bij zijn vriend. Larry vond dat geen goed idee. ‘We hebben een afspraak met de fanclub, Gene,’protesteerde hij.’Wees blij dat we nog fans hebben. ‘Ach wat, jij altijd,’ zuchtte Gene. ‘Ik blijf even tien minuten weg, ok. Wacht hier even.’

Het was een doodgewone dinsdagmorgen, het had licht geregend. Gene stapte door de dierentuin. Het was net na half tien toen hij het apenverblijf binnen ging. Hij hoefde niet lang te zoeken naar zijn beste vriend. Die zat op het gras met zijn rug naar hem toe. Er waren nog een aantal apen die nieuwsgierig toekeken naar de drentelende buren: een leeuw en twee leeuwinnen. Zij zouden zo eten krijgen. Hun magen rommelden.

Een aantal getuigen, waaronder een ouder echtpaar uit New York zagen Gene over de omheining stappen, door de gracht zwemmen en eenmaal op het eiland, rustig naar de enorme aap slenteren. Hij maakte volgens deze getuigen zachte geluiden om het dier niet aan het schrikken te maken.

De aap schrok ook niet, volgens hen, maar hief zich wel op. Zijn zilveren rug klom in het ochtendlicht. Gene stapte dichterbij en nu zou, weer volgens deze getuigen, de aap zijn twee armen hebben uitgestrekt, Gene hebben beetgepakt en hem hoog hebben opgetild. Bezoekers zouden dit hebben gefilmd. Sommigen besloten de bewakers te gaan waarschuwen.

Men hoorde krakende geluiden, mogelijk brak de aap de net genezen arm van de man. Helemaal niemand had verwacht dat het dier daarna de man naar de omheining zou dragen om hem boven het terrein van de leeuwen te hangen. Gene gilde. ‘Laat me los, laat me los, George!’ gilde hij. De bek van de grootste leeuw hing tien centimeter onder zijn linkerschoen. Met zijn klauw sloeg hij de schoen van de voet. Bezoekers zagen hem even kauwen op het leer. Hij vond het zo vies, dat hij wegrende.

Ook de andere leeuwen renden weg. De aap tilde Gene weer omhoog en zette hem naast zich neer. Camera’s flitsten. ‘Dank je George,’ fluisterde Gene. ‘Dank je, het ga je goed.’

Langzaam liep hij achteruit en zwom terug. ‘Ik hou van je!’ riep hij nog, maar George verdween achter een struik zonder gedag te hebben gezegd. .

Gene was na de gebeurtenissen, lang depressief en angstig. Het werd zo erg dat hij een tijd in een mental hospital moest worden behandeld. In de kliniek schreef hij nog een aantal meesterlijke nummers. Hij verbrak de werkrelatie met Larry en weigerde om op te treden.

Maar Jeffrey bleef hij wel zien. Hij werkte vrijwillig bij hem in de dierenkliniek. Maakte de spreekkamer en de hokken schoon en nam de telefoon aan. Ze werden echte vrienden. Gene was trots  dat hij tenminste een goede vriend had, een vent met een hart van goud.

Op een avond  keken ze samen in de keuken televisie. Er was een luchtig programma over bijzondere zaken uit het land. ‘Deze keer nemen wij u mee naar de dierentuin van Denver, want daar  is iets bijzonders.’ Er stond een verslaggever naast een oppasser. ‘We staan hier bij de apen,’ zei hij. ‘Kunt u vertellen wat er is gebeurd?’

‘Wel,’ zei de man. ‘Ik was hier bezig met het voer te verdelen toen onze grootste zilverrug, de gorilla, plotseling geluiden begon te maken. Het leek wel of hij begon te zingen of zoiets. Ik heb snel mijn telefoon gepakt en het opgenomen. Hier luister: ‘so if you see me walking all alone, don’t look back, I am just walking on my own..’  Je zag de lippen van het dier duidelijk bewegen.

‘Juist,’zei de verslaggever.’Ik hoor het nu ook.Ongelofelijk.Dat moet wel een wonder zijn. Hoe is dat mogelijk?’

‘Daarna hield het op,’ zei de oppasser en ik heb hem ook niet meer horen zingen.

Gene en Jeffrey keken ademloos.

‘Hij wil laten weten dat het goed met hem gaat,’ zei Jeffrey.

Gene knikte. ‘Eens. Hij is geweldig.’

‘Biertje?’

“Een sapje, ik drink niet meer Jeff.’

En ze gingen naar buiten, sloegen elkaar op de schouder en keken gemoedereerd naar de sterren, die fonkelden boven hun levens en de mysterieuze Rocky Mountains.

 

SS Rotterdam Rotterdam Katendrecht

Wat een boot, dacht ik toen ik onlangs in de buik van de SS Rotterdam stond. Dat klopte niet, want dit was geen boot, dit was een schip. En wat voor een. Als je op de kade staat en je kijkt omhoog dan voel je je erg nietig en vraag je je af hoe het mogelijk is dat ze ooit zoiets enorms hebben kunnen bouwen.

Nog kleiner voel je je als je een kijkje neemt in het inwendige onder de waterlijn. Daar hap je naar adem van verbazing, want alles ligt er nog: ketels, assen, leidingen en wieltjes. Hoe moet deze reusachtige berenboot in bedrijf hebben geklonken? Onze gids babbelde flink door over hoe de stoom had gelopen, langs de turbine en dan ging een as draaien.

Ik deed mijn ogen even dicht en zag mezelf rondlopen, het was mei 1967. Ik was nog niet geboren. We voeren op de oceaan. En in de enorme diepten van het schip siste de stoom. Het verbaasde me hoeveel mannen in overalls hier rustig heen en weer wandelden en af en toe eens aan een wieltje draaiden. De kolenvuren bestonden niet meer. Hier werd de stoom gemaakt in ketels door middel van olieachtige brandstof. Een van de mannen keek af en toe in een spiegel, aan de onderkant van een pijp. ‘De stoom is wit,’ zei hij rustig, zonder te vermelden of dat goed was of niet. Het was er bloedheet, ik denk wel vijftig graden en het schip slingerde. Een van de mannen liet me een as zien waaraan een soort surfplank zat. Die surfplank stak uit het schip en zorgt voor stabiliteit. Nog nooit zoiets geks gezien.

Ik besloot een luchtje te gaan scheppen, tegen de misselijkheid. Op het dek waren vrolijke maar vooral mensen. Er stond een klein mannetje voor me. Hij leek op Frank Sinatra. ‘Hey you!’ riep hij tegen mij. ‘You fucking Dutch.. .made this fucking ship.. and its making me feel so good..listen body I want to sing..’ Hij greep me vast en wankelde op zijn benen. ‘Listen, first I go to piss, then I go to swim..and then ‘I’ll sing..!’ Hij klaterende over de reling en dook daarna met een sierlijke boog in het zwembad. ‘New York, New York!’ galmde hij. Er kwamen vrienden van hem die hem uit het bad trokken. Ze hadden donkere zonnebrillen en veel te grote maatkostuums. ‘Where is the money Frank?’ siste een van hen in het oor van de dronkenlap. Geen twijfel over mogelijk dit was Frank himself.

Ik liep snel door terwijl ik hem hoorde roepen: ‘I shit on your grave, you fucking idiot..’ Er werd uit de hutten geroepen om stilte. De dorpsagent van het schip kwam kijken. Ik liep door naar de dansvloer. Daar was een akoestisch plafond boven, zodat iedereen het hoorde als je daarop de vrouw van je beste vriend vroeg, of ze met je meeging naar je hut. Ik hoorde daar mijn beste vriend mijn vrouw vragen of ze mee ging met hem naar zijn hut. Ik pakte hem bij zijn boord en duwde hem over de bar tussen de flessen met sherry en exotische transatlantic cocktails. Hij bleef roerloos liggen. Ik werd nu ook opgepakt door de dorpsagent en meegenomen naar een geheime plek in het schip waar ook Frank Sinatra lag.

We voeren naar New York. De volgende dag werd ik vrijgelaten. Ik besloot even te kijken in de stuurhut. Ik trok een wit kostuum aan van de kapitein en niemand merkte me op. Ik keek vanaf de linkerwing naar de skyline van de Big Apple. Iemand vroeg me of de loods al aan boord kon komen. Ik antwoordde met een knikje dat het goed was en keek nog een keer naar beneden. Daar zaten de matrozen bij de kluizen van de enorme ankerkettingen. Ze rookten en bespraken de leukste chicks van deze reis. Plotseling stond de echte kapitein voor me. Hij vroeg me wat ik in zijn pak deed. Ik zei dat het een vergissing moest zijn. Dat geloofde hij niet. Hij vroeg wie ik was. Ik zei hem dat ik uit de toekomst kwam en dat zijn schip vastgeklonken zat aan de Katendrechtse kade en dat het vele miljoenen had gekost de asbest eruit te halen. ‘Wat is er mis met asbest?’vroeg hij nieuwsgierig. Ik dacht: ‘O shit, dat weet hij natuurlijk nog niet.’ ‘Eh, niks’ jokte ik. ‘Ik laat je van de plank lopen, knoop je op aan de mast, doe je door de blauwe hap op woensdag, je gaat zwemmen naar New York,’ zei hij droog. ‘Misschien kun je met hem mee terugvliegen.’

Ik zag een man met een pijp en een bril en een mooie blonde vrouw van net 18 lentes lachend voorbij huppelen op een dek beneden de brug. Prins Bernhard, ook al met een vreemde vrouw. Voor geen goud ging ik bij die sinjeur in het vliegtuig. De leukste schepelingen zaten in de buik van het schip, in de stoom en de hitte, dacht ik hardop.

‘Wat zegt u?’ vroeg de gids. ‘Eh niets,’ zei ik verstrooid en we stonden voor een gigantisch paneel met drukmeters en een telegraaf. Naar voren, naar achter, opzij, halve kracht, het werd allemaal naar beneden geseind, dus deze mannen konden in hun eigen veilige wereld blijven zonder dat ze over de zogenaamde sterren en royalties struikelden. Nu is dit prachtige schip van de zee weer in zijn glorie hersteld, maar weer met geld van ome Jan, die vroeger niet mee kon en nu in de huidige crisis ook weer niet.

Ik loop terug langs Katendrecht en mis de hoeren die hier met hun bungelende handel uit het raam hingen en de dronken blauwe kielen die elkaars kiezen eruit timmerden, met de blote vuisten, messen kende men alleen nog in de slagerij. Het is nu keurig en opgeknapt, zegt het Rotterdams college. Maar Rotterdam hoort helemaal niet keurig te zijn. Rotterdam dat is zweet, en viezigheid en de overhemden met de mouwen opgestroopt in de etalage.

Dat schip was ook vijftig jaar geleden veel te sjiek om SS Rotterdam te heten. Maar ja, aan het verleden doe je niks meer, je kijkt achterom en je ziet het wonder nog een keer liggen.Wat een prachtboot. Ik zou die mooie witte stoom uit de pijpen willen zien komen. Kan iemand dat een keer regelen?