De orgelman december 2013

Bij de ingang van het winkelcentrum staat vandaag een laatste orgelman in de striemende wind en regen. Hij heeft de kerstliederen erop gezet en hij schudt wat met het bakje. De mensen passeren hem, hun hoofd weggestopt in de jas. Zomers staan er her en der artiesten uit de Balkan en sommigen zijn ware kunstenaars, zodat je je afvraagt hoe het komt dat ze op straat staan, zo ver van huis. De orgelman lacht, hij is blij, hij is buiten. Hij heeft er geen moeite mee. Weer of geen weer. Ook de man van de groenten, van de markt, is blij en met zijn bulderende stem hoor je hem al van ver. Hij geeft mijn zoon een mandarijntje. Thijs wordt er verlegen van. We slalommen langs mensen die voorbij schieten met boordevol gevulde karretjes en Thijs krijgt zijn eigen kleine karretje, met een vlaggetje. Die mensen kijken niet zo blij als de orgelman, niet zo blij als de groenteboer en ook niet zo vrolijk als het vrouwtje dat haar straatkranten probeert te slijten. De meerderheid hier heeft een ernstige uitdrukking en de minderheid geniet. Tegenwoordig denk ik dat het gezegde ‘je bent wat je eet’  een serieuze uitspraak is, want de energie en het eten van de orgelman en de krantenjongen en de groentekoning zijn meer met elkaar in evenwicht. Zij staan buiten in de elementen de kilojoules op te stoken, zij happen frisse lucht, hun vingers en tenen vriezen eraf en in augustus zweten ze alle giftige dampen  uit hun poriën. Ik vrees dat je buik barstensvol bikken, daarna in een stoel of autostoel ploffen en de ramen en deuren stijf dichthouden van mensen een muggenzifterig type maakt. Iemand die anoniem gaat klagen op het internet, of op Geert Wilders gaat stemmen. Het is de lifestyle die het gehalte aan zuur bepaalt. Een levenswijze van veel gemak en verstopte aderen, vooral die in de hersenen. Ik stop twintig centen in het bakje van de orgelman en denk in een flits na over mezelf. Wat is mijn lifestyle? Ben ik ook een couchaardappel ? Deels wel, ik zou niet met de orgelaar kunnen ruilen. Ik ben ook iets boller geworden, maar ik ben nog wel in staat over mijn toestand na te denken en de fiets te pakken. Jongens, die heerlijke fiets. Verleden week reed ik ermee naar de tandarts, dwars door de landerijen. Zweet op de rug, en zingen gaat ook heel goed op het rijwielpad, wist je dat? Daar is de orgelman, daar is de orgelman, met zijn piere- pierement, een oud liedje, maar je kunt ook best iets van Adele zingen. Ik betrad lachend het vreesvertrek. Dat doen lichamelijke inspanning en buitenlucht. Ons lichaam wil dat we flink bewegen en weinig eten en onze ziel en zaligheid sluit zich daarbij aan. Ik schrijf dit terwijl het land zich een hernia eet en ikzelf op de bank zit met een chipje en een glaasje wijn. En de orgelman zijn centen telt..

december 2013

Een bijzondere oudejaarsavond

Toen wisten we nog niet dat onze jongen, onze lieve zoon Joris , iets mankeerde. Iets met de aspergesziekte of zoiets. Daardoor was zijn motoriek gevuld met slungelachtigheid zodat het leek of hij geen enkele controle had over zijn lijf en leden.

Het volgende gebeurde: het was tijd voor het oudejaarsavonddiner. Onze toch wel deftige familie zat in het beste laatsteavondmaalkleed aan de tafel. Opa, oma, tante Jo en oom Hendrik. Freule Josje, die nooit iets zegt, was uitgenodigd, dame van de liefdadigheid, notaris Swinkels en zijn  stijve vrouw mevrouw  Van Teenen en natuurlijk Hermannus LeTronc, de eeuwige, beschonken vrijgezel.

De stemming was ernstig. Tot hij, de lieve jongen, binnenkwam om ons een gezegend nieuwjaar  te wensen. Hij maakte een vrolijke groetbeweging met zijn linkerarm, en struikelde een fractie van een seconde daarna met zijn rechtervoet over zijn linkervoet. Het lange lijf boog naar voren en dreigde te vallen. Daarom strekte hij de rechterarm uit om de val te breken, echter, die hand verdween in de schaal met dampende aardappelen. De valbeweging ging verder en om de schrik van de hete pommes de terres te overleven, trok hij aan het wit damasten tafelkleed. Bij het schuiven kletterde de soepterrine oorverdovend van de tafel. Een aantal aardappels rolden in de schoot van tante Jo. ‘Nee!’ riep onze moeder. De vermicelli droop van het hoofd van oom Hendrik en hij deed pogingen zich daarvan te bevrijden. Tante Jo jammerde: ‘Hendrik, wat afschuwelijk, we gaan naar huis, nu meteen!’  Hermannus gniffelde en keek juffrouw Josje aan die probeerde niet te lachen. De notaris keek zuur, erg zuur.

De rest van de avond ging voortreffelijk, omdat hij, onze lieve zoon Joris, een aparte plek in de kamer kreeg, aan een tafeltje bij het raam, waar hij geen enkel kwaad kon doen. Zo nu en dan dreigde hij op te staan  en keek een ieder strak in zijn richting. Dan ging hij braaf weer zitten. Aandoenlijk was het moment dat hij zijn vingertje opstak en met een lief stemmetje vroeg of hij asjeblieft naar de wc mocht.

Het gezelschap keurde dit goed en at verder van de voortreffelijke gegrilde kabeljauw.

De jongen stond op, maakte een dansje waarbij hij een duur schilderij aanraakte dat driftig heen en weer zwaaide.  Nu was hij bijna bij de tafel. Iedereen hield zijn adem in bij de te verwachten passage. Maar tante Jo niet, zij was gulzig en genoot verschrikkelijk van de overheerlijke vis. Zij had niet in de gaten dat een dikke graat mee naar binnen ging. Ze verslikte zich. Och, arme.

Onze lieve zoon Joris, zag het gebeuren. Hij zag haar blauw worden en driftig met haar armen bewegen. Er kwam geen woord meer uit haar keel. Met zijn lange armen duwde hij  haar borst naar voren, tot ze voorover gebogen zat. Daarna sloeg hij haar met de rechterhand recht tussen de schouderbladen.

Tante Jo braakte en op de stinkende vloeistof dreef de visgraat mee naar buiten zoals het rioolwater in de open zee stroomt.

Zij dankte onze lieve jongen duizendmaal voor het redden van haar leven en ook de andere gasten waren zeer opgetogen.

‘Joris verdient een standbeeld,’ riep oom Hendrik. ‘Verdomd, ik ga dat deze week regelen!’

‘Geen dank hoor,’ zei Joris en misschien wel vanwege enige verlegenheid, pakte hij zijn accordeon en speelde muziek die doorgaans in het geheel niet gepast werd gevonden.

Zuid zuid west van Ameland,

daar ligt een kolkje diep,

daar vangt men schol en schellevis,

maar mooie meisjes niet.

Hoog is de zolder

laag is de vloer,

mooi is het meisje,

maar lelijk is d’r moer!

Hoog hoog  ja hoog,

de ballast die is droog,

maar onder op de grond,

is hij zo nat als stront!

Het gezelschap zong mee uit volle borst. Tante Jo, in een schone jurk van mij, oom Hendrik, papa en de notaris: allemaal het hoogste lied. En meende ik nu ineens de heer Swinkels: ‘lelijk is d’r hoer’  te horen zingen, in plaats van: ‘moer. ’ Papa ging op tafel staan en sloeg de maat. Mevrouw Van Teenen hing met haar kont, per ongeluk, boven de vlam van een kaars. Iedereen danste en klapte en stampte mee. Oma deed een handstand en opa riep: ‘What the fuck!’

En toen sloeg de klok twaalf. Buiten knalde het vuurwerk. Men keek beteuterd naar de tafel. Het schaamrood op de kaken, vanwege de ongepaste frivoliteiten. Er werd gekucht.

Joris borg zijn accordeon op. ‘Ik ga naar bed,’ zuchtte hij.

‘Wilt u allemaal een glas op het nieuwe jaar?’ vroeg mijn moeder verlegen.

Men stemde daar mee in. En zo werd er getoast en geproost.

‘Een avond om nooit te vergeten,’ zei oom Hendrik.

‘Een bijzonder kind heeft u,’ zei  tante Jo.

‘Ik ben verliefd op Joris ,’ flapte freule Josje eruit. Ze kleurde rood.

Iedereen keek naar de kleurige sporen die de vuurpijlen in de  donkere nacht maakten, maar was in gedachten bij het ogenblik van de Joris magie. Het was  een heerlijke avond  om nooit te vergeten. En zonder over te praten, in stilte van te genieten.

Bonnie Parlevliet, de moeder van Joris Tussenmeren

De stofzuiger

Ongeveer dertig jaar geleden werd ik door een kennis uitgenodigd op een studentenfeestje. De kennis studeerde niet, maar zijn vriendin wel, iets met geneeskunde. Ze leek me aardig, een beetje tuttig en erg serieus. Ze pasten niet bij elkaar, vond ik. Haar vader had wat centjes en kocht een heel huis voor zijn prinses.

Het feest vond plaats in dit huis, ergens in Amsterdam-Oost. Direct, na binnenkomst, viel me op dat het ballonnenblazen volledig uit de hand was gelopen. De sfeervol ingerichte woning leek op een ballenbak, maar dan met ballonnen. Je moest er door heen waden als door een rivier. Een rivier met gele, rode, blauwe, groene en gele bollen.

Net toen ik binnenkwam, zei een van de gasten tegen me: ‘Ik zag het meteen toen je binnenkwam.’ Nog steeds een van de meest mysterieuze ontvangstuitspraken die ik  noteerde. Ik wilde nog wel een vraag stellen, maar de dame was al weer weg gezwommen, of verdronken, in de ballonnenzee.

Het feest vorderde in het bekende oeverloze geklets en daarbij vloeide de drank ook voorspoedig.

In de keuken werd een limbodans uitgevoerd, dat is een dans waarbij de dansers onder een stok doorgaan met hun borst, maar hierbij werd een echt open vuur gebruikt alsof we op een tropischeilandstrand waren. De ene limbodanser, ik denk een student, klom op een tafel en wierp alle kleding van zich af. Het enige wat hij nog aanhad was een rood, kanten damesslipje. Dat hield me nog een tijdje bezig. Was hij wezen snuffelen in de kledingkast van de gastvrouw of had hij voor de gelegenheid van deze avond een bijpassende onderbroek uitgezocht? Ik ben bang dat het van een van de meisjes was.

Het feestje ging vrolijk verder. Ik nam een glaasje sap, want ik ben ergens nog altijd bang dronken te worden. Dit naar aanleiding van een traumatische ervaring uit mijn jeugd (hierover een andere keer).

Een andere, lange, dunne student met een hippe bril, rende langs en riep in het voorbijgaan dat hij de stofzuiger uit het raam ging werpen. ‘Ontzettende zin an!’ riep hij. Even dacht ik nog dat een grap moest zijn tot ik een moment later een enorme klap hoorde en de stofzuiger op de stenen zag liggen, in diggelen.

Enigszins verward  door alle onzin verliet ik het fuifje en kwam terug op station Amsterdam Centraal. Ik zag de rode sluitseinen van de laatste trein wegrijden.

‘Was dat de laatste trein?’ vroeg een man met een hangsnor. Hij droeg een beige regenjas en om zijn neus hing de geur van een eenzame avond in de donkerste kneipen van onze hoofdstad. Ik schatte hem een jaar of veertig en hij werd thuis niet meer verwacht, hooguit door een kat. Ik knikte meewarig. ‘Dat schiet niet op,’ zei hij.

‘Nee,’ zei ik.

‘Rijden er nog bussen?’

‘Nee,’ ik fluisterde bijna.

‘Dat schiet niet op.’ Hij tastte in zijn broekzak en keek in zijn portemonnee. Er zat overduidelijk niks meer in. ‘Kijken of ik nog geld heb voor een taxi.’

Hij rommelde in zijn broekzakken. Ik keek de andere kant uit.

Een paar studenten zakten onderuit op de perronbankjes.

‘Niks,’ zei de man. ‘Dat schiet niet op.’ Hij liep weg in de richting van de roltrappen. Ik zag hem verdwijnen in de najaarsnacht.

Het was een koude nacht en het duurde heel lang tot de eerste ochtendtrein binnengleed. Waarschijnlijk heb ik wel overwogen terug te wandelen naar de fuif, maar ik huiverde zo al genoeg in mijn te dunne jas.

Juli 2020

Wat als de liefde over is

 

Je bent weer net zo enthousiast,

als toen ik je net kende,

maar het is niet meer als toen,

dat gaat niet meer,

sorry, dat kan ik niet meer.

 

We zitten aan tafel met de koffie,

als toen ik je net kende,

nu zie ik je als een goede vriend,

het gaat niet meer,

sorry, wat jij wilt, dat kan ik niet meer.

 

Ik was blij met je berichtje,

leuk dat je me online gevonden hebt,

leuke foto heb je op je instagram,

je kinderen de schatten,

en Roy is weg, je zegt: het ging niet meer.

  

Ik weet nog dat je zei,

dat onze liefde altijd zou bestaan,

maar ik voel geen vlinders meer,

uitgefladderd,

ze vliegen niet meer.

 

Kennelijk ben ik niet meer dezelfde,

misschien geen jongen, geen mijnheer ,

vaak teleurgesteld, hoe noem je dat,

ik zoek iets, ik weet niet wat,

sorry, sorry, wij twee, dat gaat niet meer.

 

 

Mondkapje van Sjoerd in de trein

Het mondkapje is verplicht in de trein. Dus draag ik die braaf, maar zet hem soms wel even onder de neus, omdat het niet vol te houden is. Het ding is best onaangenaam. De meeste mensen dragen er eentje in de trein. Met tegenzin. De conducteur betrapte me laatst dat ik hem half had afgedaan.

Sorry hoor. En die stoom op de bril krijg je er gratis bij.20200609_093728

Ik zie de staatssecretaris mevr. C. Broekema op het journaal en ik denk…

Je was zo vrij nog

je was zo blij nog

je was zo klein

je was zo tenger

en zo stoer nog

toen nog

toen nog

Je was zo lief nog

je was zo blond nog

met je haren

die verwaaiden in de wind

nog

toen nog

toen nog

 

Bij dat meertje in het bos

gooide je al je remmen los

je kleren uit

je naakte huid

glom in het licht

van de maan

ik liet een traan

toen je met mij

ook naakt

danste om het vlot

waarop een kaarsje

brandde

mijn god,mijn god

 

Je was zo gek nog

je was zo driftig nog

je was zo heftig

je was zo wild

en zo ongeremd nog

toen nog

toen nog

Je was zo gek nog

je was zo dom nog

met je ogen

die brutaal konden spetteren

nog

toen nog

toen nog

 

Bij Egmond aan Zee

dook je in de golven

je zwom weg

en dook onder

de reddingsbrigade

heeft nog een poging gedaan

ik liet een traan madam

toen je niet meer boven kwam

plots stond je naast me op het strand

je vond het een goeie grap

en ik gaf jou een klap

mijn god,mijn god

 

Je was zo vrij nog

je was zo blij nog

je was zo klein

je was zo tenger

en zo stoer nog

toen nog

toen nog

Je was zo lief nog

je was zo blond nog

met je haren

die verwaaiden in de wind

nog

toen nog

toen nog….

 

 

 

 

 

 

 

 

Na jaren kwam hij eindelijk uit het keukenkastje onder de gootsteen

 

Leonardo, mijn kapper, vertelde me dit verhaal: de buurman van miijn vriend van zijn neef had een oom die al wat werkelijk schoon was en rook naar lentegroen van 18 jaar wilde bezitten. Gelukkig bezat hij een stralende glimlach met donkere, niet te ontlopen ogen die vrouwen smeekten hem te mogen frequenteren. Daarom was het redelijk druk in zijn slaapkamer. Deze man, die innemend en tegelijk ook berekend en meedogenloos was, luisterde naar de naam Birgil. Hij had een vrouw die Patricia heette en zoveel kocht en shopte dat zij geen tijd had  zijn ontrouwe gangen na te gaan. Echter, deze man bleek een getalenteerd songwriter. Zo getalenteerd dat zijn werk goed werd verkocht en hij steeds rijker en brutaler werd. Hij kocht huizen waarin de minnaressen mochten verblijven en hij stelde als voorwaarde dat ze geen vreemde mannen mochten binnen laten. Maar een der vrouwen duwde een dominosteentje om. Zij voelde zich opgesloten in haar weelderige leenhuis. Zij zag haar lief slechts driemaal per jaar. En wanneer ging hij  nu eindelijk eens scheiden van Patricia? Ze besloot wraak te nemen. Ze vond in een van zijn achtergebleven jasjes een telefoon met nummers en ook die van zijn enige echte echtgenote stond erin. Zij belde met deze vrouw en vertelde alles. Alle boosheid kwam eruit. Ze ontplofte. Patricia was nu ook ontbrand. Op een groot bord in de keuken wist zij alle huizen met dames in beeld te brengen. Het waren er maar liefst acht: Yvonne in Cannes, Lio in Reims, Katja in Paris, Sandra in Bordeaux, Yvet in Rennes, Catharine in Marseille, Roger in Milaan, en Hélène in Saint-Tropez.

Op een dag kwam de gevierde zanger thuis. Hij had een geur van whisky en roem om zijn schouders. Zij droeg een doorschijnend nachtkleed en had haar lippen roodgestift. Met een zwoele parfum lokte ze hem in haar boudoir. Maar achter haar rug had zij een bijl waarmee zij het hout voor de haard hakte. ‘Kom maar lief mannetje van me,’ kirde ze in haar glansrol. Hij ontkleedde zich schaapachtig, maar gretig en kreeg wilde visioenen, toen zij zich plotseling omdraaide en de bijl liet vallen.

Lang zocht de politie naar het afgehakte element, maar slaagde niet. De verdachte wenste nimmer te spreken waar zij het dingetje had gelaten. De jaren gingen voorbij. De zanger werd vergeten en de vrouw kwam na jaren vrij.

Het huis van Patricia en haar ongelukkige artiest werd inmiddels bewoond door een ouder, ziekelijk echtpaar. De waterleiding was gesprongen en een loodgieter moest met zijn hoofd in het keukenkastje onder de gootsteen. Hij riep plotseling: ‘Wat is dit nou?’ Hij toonde de oude man een grijzig, versteend voorwerp van een centimeter of vijf, dat verdacht veel op een piemel leek. De vakman blies het stof eraf. ‘Die van mij is gelukkig groter, nou, wilt u hebben voor uw verzameling of doe ik hem bij het afval?’

Uit: 333 dingen om te schrijven