Bolly, de schoen van Bento

Ik ben de schoen van Bento, de linkerschoen. Met mijn rechterschoen heb ik geen contact. Mijn naam is Bolly, vanwege de bolle neus. Dat moet wel want Bento,mijn baas, werkt met olifanten. Hij traint me om kunstjes te doen. Sommige dierverzorgers en dierenvrienden roepen dat het zielig is voor olifanten, maar dat is het niet. Zij zien het als een eer op hun kont te gaan zitten en dan daarvoor beloond te worden met een banaantje. Ze strijden erom wie het beste is. Het is juist zielig voor Bento, want de olifanten nemen hem in de maling. Ik hoor ze grappen over hem maken en hem uitlachen. Ze werken alleen voor de beloning. De sfeer tussen Bento en de olifanten wordt steeds slechter. Gisteren ging Jona, de oudste olifant, op mij staan. Ik heb daar last van. Nu sta ik in de wagen van Bento, bij het kacheltje, maar hij komt zijn bed niet uit. Hij ligt daar met een burn-out. Hij kermt dat het afgelopen is met de olifanten en dat hij ze naar een vakslager gaat brengen. En dat dierentuinen dode olifanten helemaal uit elkaar zagen en dan aan de leeuwen voeren. Leeuwen zijn gek op olifant, maar een levende pak je niet zomaar. Ik denk dat het niet zover komt, maar wel dat hij ontslagen zal worden. De directeur van dit malle circus kwam binnen en zei rustig: ’Ik ga de olifanten en de leeuwen wegdoen. De mensen willen ze niet meer. Ze vinden ze zielig. Dus Bento, wil je clown worden? Ik bied je een nieuwe kans.’

Ik, Bolly, de linkerschoen van Bento, word aangedaan en ga oefenen als clown. Ik denk dat ik weg zal worden gegooid. Een clown heeft flapschoenen. Ik ben een werkschoen. Flapschoenen, dat is rotvolk.

De dag is over. Ik sta onder het bed en ga slapen. Mijn baas is gisteravond door het publiek niet begrepen in zijn act als clown. Niemand lachte een enkele seconde. Het was een afgang en daarom  gaat hij nu een honden-uitlaat-service beginnen. Ik ben bang voor honden. En straks sta ik natuurlijk in de poep.

Juli 2020

Uit 333 dingen om te schrijven: Beschrijf een dag uit je leven, vanuit het gezichtspunt van je schoenen.

Bus 74 Beverwijk- IJmuiden

Ik arriveerde bij de bushalte in Beverwijk. De jonge chauffeur stond naast de bus en rookte een sigaartje.´k moet even bijkomen, mneer,´zei hij. ´Iemand had poep onder zijn schoen en is daarmee door de bus gelopen. Het stonk zo verschrikkelijk, was niet normaal. Daarom heb ik achter het stuur een sigaar opgestoken. Dat is niet normaal, maar kotsen op de bus is ook niet alles.
Ik heb de wagen weggebracht. Maak hem eerst maar schoon, dacht ik.’ Ik zag het beeld voor me van een brakende chauffeur en wij erachter in de zure wind. De bus slipte, vloog over de vangrail en verdween in het Noordzeekanaal. Wij allemaal dood. Om nog onbekende redenen vloog een bus onderweg van Beverwijk naar IJmuiden in het Noordzeekanaal. Het opsteken van een sigaar in een rijdende bus kan ook tot taferelen leiden, want sommige mensen hebben een steeds korter lontje en pikken niks meer. En zeker geen rokende chauffeurs op een rijdende mesthoop. Een van die explosieve anti-rooktovenaars zou naar voren kunnen rennen om te proberen het rokertje uit de mond van de bestuurder te rukken. Die man liet zich dat niet gebeuren en probeerde zich de sigaar terug te eigenen. Ook in dat geval glippen we over de vangrail en verdwijnen we in de diepten van het ijzig koude Noordzeekanaal. Ook nu blijft de oorzaak aan de achterblijvers onbekend.
Ik stapte de bus in, prees de chauffeur voor het terugbrengen van de bak en zocht met mijn ogen het noodluik. Hoe maak je zo´n luik open? Heeft dat wel zin? Zo’n plons met bus is eigenlijk een zeemansbegrafenis. Ik stel voor dat ze ons op de bodem laten liggen.
Bus 74 vertrok. Hij was stil, elektrisch. Maar bij de hoek van de Kerkstraat werden we bijna geramd door een rood autootje. De chauffeur sprong op van zijn stoel, zwaaide met zijn armen en toeterde hard. Ik kan misschien beter voortaan een OV-fiets nemen. Ik word moe van mijn eigen fantasie. De mens lijdt het meest door het lijden dat hij vreest. 

 

Het kaasplankje of een gala in het Koninklijk Paleis

Ik ontmoet een dame die mijn jas aanneemt en me verzoekt te blijven staan. Een andere dame controleert mijn kaartje. Weer een andere mevrouw loopt mee naar een tafeltje in een hoek van een enorme hal met marmeren vloertegels en  metershoge zuilen.  Op die zuilen liggen honderden bloemstukken, grote witte lelies, paarse bloemen, ik weet niet hoe ze allemaal heten. Ik ben uitgenodigd omdat ik meegeholpen heb mijnheer zijn studeerkamer te herbouwen, om het zomaar eens te zeggen. Mijnheer, dat is mijnheer Willem-Alexander. Yes, de koning. Vandaag ga ik, Ab Timman, de hand van de koning schudden. Er zitten nog meer jongens hier met hun Marietje. Maar dat zijn argitekten en zo. Ik ben de enige die echt heeft gebouwd. Om 20 uur nul nul gaat het gebeuren. Dan gaan we aan tafel. Aan het hoofd van de tafel zie ik al een Koninklijke stoel staan met WA erop. Daarop zal hij gaan zitten en aan de overkant natuurlijk de mooiste vrouw van het hof, koningin Máxima. Ik ben wel nerveus, moet eigenlijk nog even roken. Ik ben een diehard verslaafde, ik schaam me er niet voor dat te zeggen, ik heb alles al geprobeerd. Ik ga een deur door, nog een deur door, ik ken de weg hier. Daar is de keuken. Die heeft twee klapdeuren die naar buiten openslaan. Ik ga erdoor en pak mijn sigaretten. Het is vijf voor 8, zegt mijn Seiko kwarts. Tijd genoeg voor een shot. Ik sta op een soort bordes, met uitzicht op de warme stralen van de zon, over de groene bomen van dit prachtige park. Wat een feest hier te wonen. Vooral in deze mooie zomer. Ik inhaleer en hoor achter me een zoemend geluid. Draai me om en zie een rolluik naar beneden gaan. Ik trap de peuk uit en bemerk dat de deuren dicht zijn. Ik klop op het raam, daar moet toch iemand zijn. Of zou dit automatisch gaan? Ik geef een schreeuw, maar dat is hier kansloos. Mijn echo komt  hard terug van de hoge wanden. De keuken is onder de slaapvertrekken en daar is niemand. Die zijn aan het werk of zitten aan de dis. Ik loop het bordes af, het gras op, naar links. Het bordes is aan de linkerkant afgeschermd met een metershoog hek. Op enige afstand daarachter, ik schat een meter of tien, zie ik een bewaker lopen, hij heeft een hond aan de lijn. Ik roep hem, maar hij hoort me niet. Potverdomme, het is al vijf over 8. Dan naar rechts. Dat gedeelte is voorzien van een ongeveer vier meter hoge muur met ijzeren punten er bovenop. De muur is extra glad gemaakt omdat er een stalen voorkant tegenaan is gemetseld. Voor klimmers dus onmogelijk. De enige mogelijkheid is het park in te vluchten. Maar dat is met al die bewaking hier een gevaarlijk idee. Ze zouden een hond op me af kunnen sturen of een schot kunnen lossen. Het is niet verstandig daar zomaar rond te gaan dwalen. Beter is het hier te blijven en een telefoontje te plegen. Dat is het, gewoon even bellen. Ik pak mijn telefoon en merk meteen dat het niet lukt. De wifi is geblokkeerd, ook weer security voor alles.

Ik ga op mijn kont op het bordes zitten en denk na. Iemand  zal me toch wel missen? Mijn jas heb ik afgegeven. Ook mijn tas met autopapieren en sleutels moest ik overhandigen. De veiligheid gaat hier echt voor alles. Ik kijk naar het langzaam donker wordende bos. Plotseling staat er iemand naast me. Het is een grote, forse kerel. Nou zal je het hebben. Nou gaat Adje in het bakje. Maar de stem die ik hoor is vriendelijk en komt me bekend voor. ‘Goedenavond,’ zegt de man. Het lijkt verdomme wel de koning. Of het is zijn broer. ‘Hoe maakt u het?’  Ik zeg: ‘Goed, wel een beetje vervelend, want ik zou hier dineren, maar ja, toen was ik buiten en kon ik niet meer naar binnen.’ De man zegt niets, maar pakt een sigaret. Hij biedt me er eentje aan. Met zijn aansteker zet hij die van mij ook in de vlam. We roken zonder iets te zeggen. ‘Weet u,’ zegt de man. ‘U heeft niet veel gemist. Een hoop gebabbel. Je wordt er eigenlijk niet wijzer van.’ Ik haal mijn schouders op. ‘Ja maar toch,’ zeg ik. ‘Het is wel het feessie van de koning. Dat vind ik toch wel dikke pech. ‘ Hij zucht. Ik hoor hem diep inhaleren. Hij loopt naar het park en zegt: ‘Komt u even mee.’  Ik volg hem gedwee. We lopen door het donkere park en komen bij een huis, het is een soort villa met een veranda. Met een sleutel opent hij een deur. We gaan binnen. Het is een ruimte van 3 bij 4, met een bureau, een schemerlamp en een kast. Aan de muren hangen minstens duizend foto’s van al zijn familieleden, vrienden en vriendinnen. Er staat in een hoek ook een oude computer en daarop liggen een paar schaatsen, hoge Noren.  

 ‘Hier werk ik graag,’ zegt hij. ‘Maar deze kastdeur,‘ hij wijst op een antieke houten kast, ‘die sluit niet goed. Vind ik heel vervelend. Kunt u daar naar kijken voor me?’  Hij knipt een lamp aan en ik bekijk de deur. ‘Heeft u een hamertje?’ vraag ik. Hij geeft het. Waar hij het zo snel vandaan haalt, weet ik niet. Ik klop op de scharnieren, niet recht genoeg. Maar ik heb het zo voor elkaar. Deuren hebben geen geheimen voor me. De man lacht en klopt me op de schouder. ‘Heel fijn,’ zegt hij. ‘Heel fijn.’  Hij loopt naar de kast en opent hem. Daarin staan allemaal schilderijen. ‘Oud en duur,’ mompelt hij. ‘Van mijn grootmoeder geweest. Echte meesterwerken, maar niet mijn smaak. Hier, neem deze. ‘ Hij drukt me een oud bord in handen. Het is rond en van hout, er staan bomen op, een beek en een paar mensen. ‘Veel waard,’ mompelt hij. ‘Maar wat moet ik er mee, ik heb liever een poster met een Feijenoord-voetballer erop.’  ‘Dat meent u niet,’ zeg ik. ‘Grapje,’zegt hij. ‘Nee, maar neemt u rustig dit schilderij mee, geloof me, het is peperduur, maar ik wil er van af. ‘ ‘Kunt u dat niet naar de veiling brengen?’  De man gaat zitten achter zijn notenhouten lievelingsbureau. ‘Een probleem,’ zucht hij. ‘Als ik dat doe, denkt iedereen dat ik op geld uit ben. Het is niet goed voor mijn imago. Ik ben geen geldwolf, maar de mensen denken het al gauw.’  ‘En uw vrouw, wat vindt die ervan?’ Hij lacht, maar zegt niets en staat op. ‘Kom, we gaan een biertje drinken. ‘ We lopen terug naar het paleis en ik heb het schilderij in een plastic tasje van de Albert Heijn, onder mijn arm. Ik vraag me af hoe hij daar aan  is gekomen. De keukendeur wordt geopend en in die keuken drinken we nog een glas. Hij vertelt over zijn meiden en dat ze het goed doen op school en dat ze gele Ninjasokken voor hem hebben gekocht en dat ze vaak verstoppertje spelen. Dan begint hij over Feijenoord. Dat is ook mijn grote liefde. Ik sta op met de club en ik ga ermee naar bed. Hij vraagt me of Kenneth Vermeer in het doel blijft en of de trainer Van Bronckhorst nog een toekomst heeft in Rotterdam. Ik raak enthousiast, vertel dat ik nog samen met Robin van Persie heb gespeeld in de F-jes. De koning en ik worden goede maten vanavond, dat is duidelijk.   

 ‘Ik moet naar huis,’ zeg ik. ‘Bedankt voor deze bijzondere avond. ‘ ‘U ook bedankt,’ zegt hij, schudt mijn hand en laat me uit. Ik krijg mijn jas en tas terug en wandel met het bordschilderij naar mijn auto. Zou het echt zoveel waard zijn?

Ik rij naar Kralingen, naar mijn flat en groet mijn zieke vrouw, die in haar versleten duster loopt. Ze vraagt hoe het was. Ik vertel haar alles en laat het bord aan haar zien. Er staat iets met Breug of Breugel linksonder. We bekijken het in het keukenlicht. ‘Zullen we nog een wijntje nemen?’ vraagt ze. Ze pakt het houten schilderij en zegt: ‘Leuk kaasplankje.’ Ze stopt hem in de keukenlade. Handig voor het boterhammetje snijden.

En we eten en drinken en zijn luidruchtig. ‘Wij zijn toch ook gelukkig zo,’ zegt ze. ‘Wij wonen toch ook in een paleis?’ Ik knik. We kussen of we weer net verliefd zijn en storten door onze oude bank.  

 

Mijnheer van de Berg en de domme dingen

Mijnheer van de Berg, een lange man met een regenjas met diepe zakken, uit het mooie plaatsje Bamberdongen, nam bus 100 op een warme zomeravond. Hij was de enige passagier. Aan het stuur zat een oudere dame. Hij zwaaide naast haar aan een stang. ‘Dus u heeft domme dingen gedaan,’zei ze met een hese stem waar het leven doorheen was gegaan. Hij knikte. ‘Hele domme dingen.’  Ze remde voor een overstekend kind. ‘En heeft u daar iets van geleerd?’ Hij lachte. ‘Heel veel. Maar ik weet niet of ik een beter mens ben geworden. Ik ben een slecht mens, een echte boef.’ Hij draaide aan zijn sik. ‘Ik zie dat u het niet gelooft.’ Ze keek even op naar hem. Hij had een rond gezicht, met rode appelwangen en een rode baard. Hij leek eerder op een tuinkabouter dan op een ontsnapte crimineel. En dat zei ze hem ook droog. ‘Ik ben niet ontsnapt,’ lispelde hij. ‘Ik ben ontslagen, na twintig jaar gezeten te hebben.’ Ze stuurde behendig door een krappe bocht. ‘Met mij is ook alles fout gegaan. Ik ben met verkeerde kerels getrouwd geweest. Nu heb ik allenig schulden. Ik rij mijn rondjes op de bus. Ik geniet ervan, dit werk, maar het is ook om rond te komen. Ik heb een berg rekeningen, u wil het niet weten.’ Even zwegen ze allebei. Het leek of ze in de busrit  hun misère konden delen. Halte Noordendijk. Ze remde af. ‘Hier moet u zijn. U gaat geen domme dingen doen ?’ Hij maakte een v- teken met de vingers van zijn rechterhand en spuugde erdoor. ‘Getsie, u kwat,’ ze keek hem spottend aan. ‘Nou, ga gauw mijn bus uit, vieze man.’ Ze lachten. Hij zwaaide naar haar en  stapte uit op halte Noordendijk.

Het was een warme avond, de vogels floten zachtjes. De Noordendijk was omzoomd door hoge bomen, eiken, schilferige platanen en reusachtige treurwilgen. Er hing een geur van kamperfoelie en bijen gingen dansend op weg naar de maaltijd.  Dit had hij al die tijd moeten missen in het staatshotel. Nu was hij een vrij man. Op weg met een schepje en een zakmes. Op een avond namelijk, stak iemand, een onbekende, een kaartje onder een kier van zijn celdeur door. Daarop stond: ‘Eikel, graaf de schat op, dan delen we samsam, ok? Mondje dicht, varken?’ Eerst had hij hartelijk gelachen om de mededeling, maar hij had de kaart wel goed onder zijn matras verstopt. Je kon nooit weten, misschien was het geld van een overval of een kidnap. Ook Hollander, de beruchte Bamberdonger crimineel en zijn vrienden, begroeven een deel  van de bankroof in een bos. Maar waarom zou een iemand, een iemand anders, een onbekende, de opdracht geven het geld alvast op te graven?  Dat was verdacht, maar het zou kunnen dat andere crimbo’s, of de politie op het spoor van de treasure waren. Dus moest hij snel zijn en: voorzichtig.

Op de kaart was de plek met een kruisje gemarkeerd bij een knullig getekende boom. Vanaf het kruisje liepen stappen naar een zebrapad. Twee passen links, twee passen rechts, daar moest hij graven. Hij stak de schep in de aarde en begon te scheppen. Het ging goed. Al vrij snel stootte hij op een blauwachtig stuk plastic. Hij groef door, enthousiast geworden. ‘Wat zullen die duizendjes heerlijk knisperen,’ hijgde hij. Hij had het vat nu zowat bloot en kon het deksel openwrikken met zijn mes. Hij zag geld, stapels geld, bundeltjes met elastiekjes aan elkaar gebonden. Zijn hart bonkte van vreugde. Het leven had hem niet veel geluk gebracht, maar vandaag, vandaag was de dag!

Hij hoorde jongens roepen. Hadden ze hem in de gaten? Bij een naastgelegen boom, een stoere eik achter hem, waren drie jongens. Twee stonden bij de dikke stam en wezen naar een andere jongen. Mijnheer van de Berg zag wat ze deden: ze speelden galgje en de derde knaap, misschien net 14 jaar, hing in een lus aan de tak, met het touw om de nek. Mijnheer van de Berg dacht aan verder graven, toen een stem hem toesprak. Hij herkende het als de stem van zijn reeds lang gevlogen vader. ‘Willy,’ zei deze. ‘Willy, dit kun je niet laten gebeuren, zoon. Pak dat mes en red de jongen. Toe dan, waar wacht je op, vind je je geld belangrijker, eikeltje, varken?’ Even had mijnheer van de Berg verbaasd gekeken, toen zag hij de doodsstrijd van de jongen. Met zijn handen zwaaide deze wild om zich heen. Zijn gezicht was paars, een straaltje bloed liep uit zijn neus. Hij vocht om zijn laatste adem.

In een paar passen was mijnheer van de Berg bij hem, met het mes. Het vlijmscherpe staal liet hij door het touw glijden. Het ging gemakkelijk, de jongen plofte op de grond. De man wierp zijn mobiele telefoon naar een van de jongens en riep: ‘Bel 112!’ De jongen liet de telefoon kletteren. Van de Berg had geen tijd zich daar druk over te maken. Hij hurkte naast de jongen en luisterde naar het hart en de ademhaling. Niks. In het gesticht had hij uit verveling een cursus reanimeren gevolgd. De begeleiders waren daar zeer over te spreken geweest. Eindelijk zien we ook je goede kant Van de Berg, hadden ze gesmiled. Dus hij plaatste zijn kolenschoppen op de borst van de jongen en begon te pompen. Hij blies lucht in de longen, hij pompte. Het leek eeuwen en eeuwen te duren, langer dan zijn detentie. Maar plotseling voelde hij een hartslag onder zijn handen. Een wonder, dat wist hij uit het theorieboekje, het kwam weinig voor dat iemand met reanimatie, iemand naar onze verdorven wereld terughaalde. ‘Hij leeft!’ riep hij. Er stonden inmiddels vele toeschouwers te filmen met hun telefoon, zonder iets te doen. Mijnheer van de Berg hoorde de jongen rochelen. Hij moest spugen. Hij draaide hem op zijn zij. De jongen kotste over zijn schoenen. Toen kwam de ambulance. Het slachtoffer werd in het voertuig geschoven. Van de Berg werd op de schouders geslagen en betimmerd en hij kreeg zoveel loftuitingen als hij nog nooit in zijn leven ontvangen had. Hij werd zelfs week van binnen. Maar snel riep hij dat hij weg moest en hij nam haastig afscheid. Er werden nog tientallen foto’s van hem gemaakt die in duizelingwekkende snelheid over het internet gingen. Maar daarvan had hij geen weet, hij was zolang uit de echte wereld geweest dat hij de digitale ontwikkelingen niet bij had kunnen houden.

Toen hij zich echt los had gemaakt, zag hij dat er verderop  stevig gevochten werd door verschillende mensen. Instinctief begreep hij dat dit wel moest gaan om het geld. Ze hadden het gevonden! In de kluwen mensen ontwaarde hij twee oude heren, kalend en scheef getrokken, die ieder aan een briefje van duizend trokken. Er waren gestudeerde lui bij, een man en een vrouw, met nette truitjes, die karatetrappen aan elkaar uitdeelden. Hij zag tanden voorbij komen. Een man die hij herkende als politiefunctionaris, duwde een vlezige jongedame van de dijk, in de sloot. Hij zag  ook kledingstukken voorbij komen. Een stuk van een kous, een jasje, een blauwe sjaal, een zwembroek en geld. Er vloog geld door de lucht, heel veel geld. Het was in bundeltjes verpakt. Waarschijnlijk honderd van duizend, schatte hij in. Hij wilde er niets meer mee. Hij was moe van de reanimatie, hij was zo aangeslagen, dat het geld hem even gestolen kon worden. Toch wierp iemand hem krijsend verscheidene bundeltjes naar zijn hoofd. Hij ving ze. Hij zag nu dat de groep het in de gaten had en dacht dat hij het wilde ontvreemden. ‘Pak hem!’ riep een vrouw met een zeemeermintatoeage op haar voorhoofd. Hij moest weg. Snel  maakte hij zich met het geld uit de voeten. Hij zou het wel ergens weggooien. Eerst het eigen leven zien te redden. De groep kwam achter hem aan. Hij voelde hun adem in zijn nek, ze zouden hem doden, daar was hij zeker van.

Hij naderde nu de bushalte. Bus 100 kwam er net aan. Dit moest een wonder zijn. De oude dame zat achter haar grote stuur. ‘Laat me binnen!’ hijgde hij. Hij klom in de bus en weg waren ze. De kudde achtervolgde als een dolle de wagen.  Ze trapten tegen de banden, een jongeman hield zich vast aan de ruitenwissers, maar moest loslaten en verdween onder de bus. Er werd een schoen naar de ramen geworpen, daarna een steen. Een ruit brak. De chauffeuse gaf flink gas, ze gierden door bochten. Toen remde ze. Het was stil om hen heen.

‘Domme dingen gedaan?’ vroeg ze streng. Hij schudde zijn hoofd. Ze keek hem lang aan. ‘Weet je dat je een blauw oog hebt, tuinkabouter?’ Hij voelde aan zijn oog, het was dik. Hij moest een klap gehad hebben van iemand, hij kon het zich niet herinneren. ‘Ik heb iemands leven gered,’ zei hij langzaam. ‘Een jongen, hij speelde galgje, maar dan echt, hoe dom kun je zijn?’  Hij merkte dat ze het niet geloofde. ‘Kom even mee naar mijn huis,’ zei ze. ‘Dan doe ik wat op je oog.’

Even later betrad hij haar woning. Ondanks de schurende pijn in zijn oog, kon hij zien hoe de stand van zaken in het leven van zijn reddende engel was: in de kamer was een wiebelige tafel geplaatst, naast een versleten bankstel. Er stond een oude, kromgebogen schemerlamp. Er was merkwaardig genoeg verder niets  geplaatst en het deed hem denken aan zijn verblijfsruimte van zovele jaren. Op de bank lag een bleke tiener, een meisje, ze was blind. Ze leek hem erg ziek.  Het was hier kommer en kwel, de geur van armoede die je niet verwachtte in het rijke Bamberdongen, waar de economie draaide als een geoliede machine. Het vloerkleed was gerafeld en lang niet gestofzuigd. Er lag zand en stof op de vloer.

Ze haalde water en ijs en depte met een vieze doek zijn linkeroog. Hij vreesde voor een infectie. ‘Morgen zal ik bij de jongen kijken,’zuchtte hij. Ze zaten aan een wiebelige, houten tafel. Hij kreeg thee van haar. ‘Mijn water is sinds vandaag weer aangesloten,’ zei ze. Hij knikte. Haar moed en optimisme troffen hem. Hij voelde zich moe na zijn reddingsactie en na zijn vlucht. Hij schaamde zich diep in deze treurnis. Wat moest hij zeggen? Ik heb veel geld in mijn zak. Wil je het hebben? Het is beter als jij het neemt. Mij zullen ze opzoeken, het afpakken en me alsnog doodslaan. Misschien ook wel zonder dat ik geld heb. Ik sta waarschijnlijk in elke krant.

Hij had spijt. Zijn opgewektheid over het te veroveren geld was verdwenen. Hij keek naar haar gezicht, het was krachtig. Ferme kaken, een trotse kin. Vroeger moest zij mooi geweest zijn. Iemand waar mannen naar keken. Maar wat te doen? Hij kon het geld niet meer gebruiken, het was zinloos. Zijn lijf voelde elke dag moe en pijnlijk. Het kon niet lang meer duren. Maar zou zij het accepteren als hij het haar schonk? Ze was zo trots. Ze zou kunnen zeggen: ‘Uit mijn huis met die rotzooi!’ Hij legde de bundeltjes onverwacht op tafel. De een na de ander. Hij telde ondertussen. Vijf miljoen euro. Zij zweeg. ‘Voor jou,’zei hij prevelend. ‘Ik heb er niks an.’ Ze zweeg nog steeds. ‘Maar je kunt ze nu nog niet gebruiken. Ik moet ze eerst witwassen.’ Ze zweeg, vouwde haar handen. ‘Ik begin een zaak, op papier.’ Ze legde haar handen op zijn eeltige knuisten. ‘Hou daarover op,’ zei ze. ‘Morgen ga ik met je mee naar de jongen. Dat is belangrijker dan dit.‘ Hij zag door zijn ene oog, haar ogen nu voor het eerst. Helder blauw en zuiver uit het water van een bergbeek. Ze troffen hem diep. Het meisje legde nu ook haar handen op die van hen. Zo zaten ze bij elkaar. Het licht viel uit. Het was aardedonker. Hij dorst zijn handen niet terug te trekken. Een uur zaten ze zo, in het duister. Ze zwegen. Het licht ging aan. Het blinde meisje liet haar vingers over het geld gaan. ‘Ik moet iets verdrietigs zeggen,’ zei ze. ‘Het geld is niet echt. Ik voel de watermerken niet.’ Hij greep ook een paar briefjes. Hield ze tegen het licht. ‘Je hebt gelijk,’ sprak hij. ‘Het is nep en erg slecht gedaan, ik zie het met één oog!’ Zij leunde achterover. ‘Domme, domme dingen breng je mee, lieve man. Toch hou ik van je, sinds vanavond. ‘Ik ook,’giechelde het meisje. ‘Ik ook van jullie,’ lachte mijnheer van de Berg, ex-gedetineerde, uit het plaatsje Bamberdongen.

 

 

 

 

 

 

 

Frankrijk III

Terwijl heel Frankrijk zijn 14e julifeest vierde, reden wij door het Bretonse landschap. Het was warm, droog, er waren dorpjes met veel vervallen huizen, zo herinner ik me dat. Dat het zo oud was, dat het op een filmset leek. Slingerende wegen, oude vrouwtjes in het zwart gekleed en wegwijzers die volgens Frans gebruik, verstopt werden achter een boom, of achter struiken. Maar de winkels waren dicht, zo viel ons wel op. De benzinemeter  van het zuinige wagentje zakte in het rood. De tank was bijna leeg. En het werd tijd voor een bezoek aan een pomp. Mijn vader draaide het raampje open en vroeg aan een willekeurige Fransman waar ‘de pompiers’ waren. Toen de man wees naar de brandweerkazerne aan de overkant, begrepen we dat het lastig ging worden.  Maar we vonden wel een pomp. Gesloten. En verderop nog eentje, ook gesloten vanwege de nationale feesten. En weer verderop nog  een. Ook dicht. Mijn vader stak zijn lange benen uit de auto. Dit liep niet lekker. Ook de vriend met het gele autootje bezag de toestand somber. Stranden met vijf kinderen was geen goed vooruitzicht. En het was nog wel 100 kilometer naar de kust. Nu kregen ook een aantal Fransen medelijden en op mysterieuze wijze kwam ereen jerrycan met benzine te voorschijn, alsof hij uit de blauwe lucht viel. Snel reden we verder op onze roadtrip die ons  het idee gaf dat we door een onontdekt gedeelte van China reisden. We kwamen van de kust en we gingen naar de kust. Dit was evenwel een andere kust, waarnaast een groot kasteel stond met de letters  ’a vendre’ erop.  Na enig  zoeken in het woordenboek kwam mijn moeder erachter dat ze het kasteel kon kopen. Dat vonden wij belachelijk, wie koopt er nou een kasteel? Uit de radio klonk de stem van Julien Clerc. Wat hij zong, we hadden geen idee. De wagen stopte bij een camping. De camping heette chonquilles, dat betekent: narcissen. Dat gaf meteen een vertrouwd Hollands gevoel.  We wilden natuurlijk meteen naar de zee. Echter, onze vader wilde de tent opzetten en had geen tijd om naar de zwembroeken te zoeken. Die had hij onder alle bagage verstopt. En hij leek nu niet het humeur te hebben om te gaan zeuren. Dan maar rennen over het strand.

Frankrijk juli 1975 II

Het autootje was helemaal vol. Mijn drie jaar jongere zus en ik zaten achterin. Zij had het grootste deel van haar babypoppenverzameling om haar heen.Thuis waren moeilijke keuzes gemaakt, er was bij gehuild en getroost en uiteindelijk mocht een select gezelschap baby’s mee. Het viel niet mee de wagen te vullen. De enorme bungalowtent nam toch wel wat ruimte in. En de pannenset. En ook de emmer bleek een lastig object. Die liet zich niet opvouwen. Achter de auto had mijn vader een aanhanger geplaatst, zodat er toch nog ruimte was voor een tandenborstel. En zo hobbelde de moderne familie 1975 de staalstad uit, het was nog donker. Hoewel er geen camping was gereserveerd, was het reisdoel wel vastgelegd. Dat was Bretagne, daar was ook een zee en de vrienden en hun twee kinderen hadden een opblaasbare rubberboot. Zij reden voorop in hun gele auto. Het was 13 juli en we passeerden de grens. Uit de radio kwamen vreemde, onverstaanbare klanken. ‘Dat is Frans,’zei mijn moeder. ‘Dat spreken ze hier en als ze praten doen ze dat zo snel, dat kan je nooit volgen.’ Mijn moeder zag er nog heel jong uit en soms droeg ze een staart en daarom gebeurde het een keer dat iemand dacht dat ze de dochter van mijn vader was. We stopten om ergens te eten. Mijn vader kwam terug met een lang apparaat. ‘Een stokbrood,’ zei hij. ‘Ze hebben hier geen normaal brood.’ Ik bekeek het ding met grote ogen. Hij pakte zijn zakmes en sneed ereen homp af. Het smaakte eigenlijk wel, maar de goudse kaas rolde er steeds vanaf. We tuften verder met de onthaastauto achter het gele gevaar aan. Plotseling zei mijn vader: ‘Wat gaan ze nou doen? Ze rijden door.’ Hij wees naar een afslag. ‘Kijk eens op de kaart.’ Mijn moeder keek op de uitgevouwen kaart en hoewel ze de moeilijkste naaipatronen ook vanaf het papier kon doorgronden, leek deze opdracht toch iets te moeilijk. ‘Afslag 33? Ik zie het niet.’ ‘Het gaat verkeerd,’ hoorde ik mijn vader brommen. En hij had gelijk: Frankrijk bleek veel groter dan ons eigen lage land. We stopten vele uren later bij een plaatsje met de naam Sées. Na de enorme omweg werd ereen camping gevonden. Een camping in die tijd was niet veel meer dan een grasveld en een toiletgebouwtje. En hierin kwam de eerste cultuurschok: bij het openen van de deur dachten we dat de pot gestolen was. Er was tot onze verbijstering alleen een gat. Een gat met daarnaast diverse resten. Het was slikken.
De volgende dag toen we wakker werden, was het 14 juli. Dat zei ons weinig, we vroegen ons wel af waarom er overal Franse vlaggen buiten hingen. Spoedig zouden we merken dat er een probleem kan ontstaan als je niet op de hoogte bent van deze nationale feestdag…

 

Vast in eigen huis

 

Vorige week kwam ik na de zwemles met mijn Tarzan thuis, toen ereen kleine dame aan de deur stond te bellen. Zij had de nieuwjaarswens en een kaartje bij zich omdat zij de bezorgster was van het Alkmaarse sufferdje. En natuurlijk wilde ik haar wat geven want ik steun alle ijverige jongedames en heren die auto’s wassen, kranten bezorgen en pizza’s bezorgen. Het is goed dat ze al wat werken en kunnen sparen voor iets wat ze willen hebben. Helaas bleek ik geen enkele munt in huis te hebben. Alleen die van chocolade, achtergebleven toen de Sint naar Spanje vertrok. Ik vroeg haar deze week terug te komen. Nu hoop ik dat zij niet deze avond aanbelt, want vanavond draaide ik met de sleutel, hoorde een korte krak en het slot was kapot. De deur gaat niet meer open, dus wij zitten min of meer vast.  We kunnen nog wel door de achterdeur, maar om verder te komen moeten we dan door de bosjes. En de poort eruit tillen.

Het meisje is niet geweest vanavond.  Ik had de munten wel door het openstaande keukenraam geworpen. Eh..gegeven. Eigenlijk hou ik helemaal niet van ongevraagd drukwerk, maar een kind moet je niet laten staan bellen in de kou.

Groeten uit onze vesting.

 

Tussen kunst en kitsch

Aan de muur in de slaapkamer hangt een schilderijtje dat ik eens in Amsterdam kocht. Het is vast door een groot kunstenaar gemaakt, want het heeft aantrekkelijke kleuren met het sappige groen van een drassig weiland in de polder. De artiest zat waarschijnlijk in een bootje, want hij verfde de molens vanuit een laag standpunt.  Het is gemaakt op een stukje board en het is slordig afgesneden. Een handtekening ontbreekt. Maar het vreemde aan het werkje zijn de molens zelf. Aan deze objecten ontbreekt het wiel. Even voor de duidelijkheid: je kan de kap van de molen naar de wind zetten met een groot wiel. Vaak gebeurde dit in de kap, bovenin. Je hebt ook molens waarbij dat buiten gebeurt, vlak boven de grond. Dat is gemakkelijker voor de molenaar.Op dit peperdure meesterwerk staan twee molens met een staart, zonder rad. Dat is gek. Net of de schilder door een donderbui overvallen werd en het toen maar niet afmaakte. Maar waarschijnlijker is dat hij het wilde verkopen aan een toerist en dat het wiel hem niet aantrekkelijk leek. Dus dan laat je het toch gewoon weg. Hordes portretschilders deden al aan photoshoppen avant la lettre. Je ziet op schilderijen nergens iemand met een dikke wrat op zijn neus, een geleklodderdruipneus, olifantenoren, zwartgeblakerde tanden, groene schimmel op de kin, een linkeroog waarmee je in de rechterbroekzak kan kijken, een bochel, drie borsten, een sliert speeksel  langs een centenbak, of een zwarte pestbuil op het voorhoofd. Dus daarom vond mijn meesterschilder dat er best een wieletje af mocht. Net als bij Rembrandts nachtwacht is er door de aankopende partij daarna met een zakmes een stuk vanaf gehakt. Het moest nu eenmaal passen in een lijstje dat ze nog hadden liggen en dat zo goed stond op de wanden van het schijthuis. Toen is de handtekening ook verloren gegaan. Nou ja, ik geniet er even goed wel van. Het geeft rust in de bedstede.  Morgen plaats ik wel even een foto van dit geweldig dure kunstobject. Dan kun je hem zelf bewonderen. Zeg eens eerlijk: heb jij ook antiek aan je muur hangen?

Terschelling

 

Ik kom niet vaak op het eiland Terschelling. Het is er prachtig. Mijn ouders komen er elk jaar. Ze nemen dan een pot met veenbessen mee. Want er zijn twee zaken waar de paar duizend eilanders hun geld mee verdienen: cranberries en toeristen. Eigenlijk zijn die bessen niet te eten, maar als je ze door je eten doet, valt het wel mee. En toeristen zijn soms ook wel te verdragen. Toen ik op een dag zelf als toerist over het eiland fietste, zag ik een kleine, enigszins gezette man voor een oud huisje staan. En de gelijkenis met mijn lang overleden opa was treffend. Dezelfde kleine ogen. Kleine handen en voeten. Ik keek hem aan en hij mij. Hij zei: ‘Ben jij familie?’  Ik zei: ‘Ja, dit is het huis van mijn opa.’  Hij liet me het huisje zien. Het was erg klein en oud. Dit was het huis van mijn voorvaderen. In de gang stond een scheepskist. De rondleider was familie van mijn grootvader. De kist was zijn kist, hij had ook gevaren. In de tuin stond een stenen gebouwtje,  om het brood te bakken. Het huis stond op Kinnum, dat is een dorpje in het midden van het eiland. Het verleden werd heel tastbaar door deze spontane tour. Ik zag mijn grootvader en zijn broers op hun klompen over het erf stampen. Ze voeren de kippen en de geit, ze spelen ondanks hun grote armoede.  Een aantal jongens weten dat ze gaan varen, want gevaren moet er worden, zelfs als er oorlog mocht komen. In weer en wind, gevaren moet er worden. De dominee houdt toezicht zodat de jongens naar de zeevaartschool gaan. Het verdiende geld gaat terug naar de familie.

Toeristen kwamen er nog niet op het eiland. De buitenwereld was heel  ver weg. Zoals veel mensen in het Nederland van vroeger, kwamen de eilanders hun dorp niet uit. Behalve als ze gingen varen. Vreemd genoeg werd het leven niet als vervelend ervaren. Tenminste, er zijn geen getuigenissen van depressiviteit of zelfmoord. Er werd zo nu en dan ook flink gefeest, gedanst en gezongen. En gezoend, mijn grootvader was tot over zijn oren verliefd en de gevolgen daarvan wist hij nog niet toen hij die zomeravond met haar over de dijk slenterde. ‘Blijf je altijd bij me?’ fluisterde ze, daar bij dat hek. ‘Ja,’ zei hij rustig als altijd, maar hij wist nog niet hoe het leven anders zou lopen. Het nam een bittere wending.

Ik bedankte de man voor de rondleiding en fietste terug naar mijn gehuurde huis, over de overvolle fietspaden. Eigenlijk heb je niets aan het verleden, maar waardevol is het wel dat je weet waar je vandaan komt. Weet jij waar je vandaan komt en vind je dat belangrijk?

Frankrijk, 1975  (I)

 

Twee meiden in de klas bespraken waar ze naar toe zouden gaan met vakantie. Thailand leek ze wel leuk, of Gambia. Mijn gedachten dwaalden even af, toen ik dit hoorde, naar eigen jeugd en vakantie. De eerste vakanties speelden zich af in Drenthe, in een  geleende bungalowtent die niet waterdicht bleek. En het water stond altijd hoog als wij met vakantie gingen. Mijn vader, zo blijft dat beeld  me altijd bij , stond met een regenjas een schuttersput rond het luchtige verblijf te graven, terwijl  mijn moeder vanachter het plastic raam naar hem zwaaide.  Hij deed dit overigens met een schep uit zijn militaire diensttijd: een schep die je om kon  klappen. Mijn ma droeg drie wollen truien over elkaar. De was werd weggebracht naar mijn schoonmoeder, die in de noordoostpolder woonde. Mijn vader ging daar altijd vissen, dat weet ik nog wel. Maar op een dag in de winter van 1975 sprak hij de onvergetelijke woorden: ‘Drenthe, ik doe het niet meer. We gaan naar eh..Frankrijk.’  En zo geschiedde. Mijn ouders waren weleens in Parijs geweest, maar het provinciale Frankrijk van die dagen kenden ze nog niet. We zouden spoedig leren over die provincie. Voor de Fransen waren wij de ketters van het noorden met hun stroblonde haren en voor ons waren de Fransen niet meer dan naar knoflook walmende bosjesmannen. Goedgemutst stapten wij, mijn ouders, mijn zus en ik in onze groene  Renault 4, inderdaad: de geniale tegenhanger van de Adolf Volkswagen auto- voor- iedereen, een Franse auto.  Wij reden achter hun vrienden aan: zij reden in een kanariegele Ford. Het Frans van mijn ouders en hun vrienden beperkte zich in die tijd tot een paar schoolboekwoorden van de zo geprezen mulo, de voorloper van de mavo. Volgepropt met koffiefilters, pindakaas, pakken hagelslag en een barbecue reden we weg. Overigens, zo zou later blijken, had mijn vader nog nooit een barbecue gebruikt, maar hij was gek op vuur, dus dit was een leuke noviteit.