Bij de dokter

Ik kom zelden bij de dokter. Ik denk dat ik een echte zorgmijder ben. Ik denk net als vele andere mannen dat het vanzelf wel over gaat. Maar soms gaat het niet over. Je weet het: veel mannen van mijn leeftijd gaan druppelen. En uiteindelijk gaan we allemaal langs de huisarts.

Ik kom zelden bij de dokter. Toen de andere huisarts er nog was, stimuleerde dat mij niet. Die man kwam ’s morgens binnenrommelen, haren niet gekamd, jam achter de oren, om kwart over acht. Het spreekuur had om acht uur al moeten beginnen. Dan dook hij zijn hok in. Je hoorde een hoop lawaai en je wist dat hij wat kwijt was. Na nog vijf minuten mocht je binnenkomen. Slap handje bij de deur en dan vroeg hij: ‘Wat zijn de klachten? Hoe lang heb je dat al?’ Als je antwoord had gegeven keek hij je wazig aan en het leek dat hij wilde zeggen: wat denk je zelf dat je hebt? Veel vertrouwen in zijn kunde had ik niet.

Ik kom zelden bij de dokter. Echt gezellig is het er niet. Het zit in een goedkoop jaren zeventig pand en veel verbouwd is er niet. Alleen het bord boven de deur is gewijzigd. Een smalle tochtige gang en de assistentes zitten in een glazen cockpit. Dat doe je mensen toch niet aan? Toen ik voor de afspraak ging, stonden er twee Chinese mensen aan de balie die een afspraak wilden maken in het Chinees. De assistente kende nog geen Mandarijn. Dat krijgt ze er ook bij de hele dag: taalproblemen, dove mensen aan de telefoon, ongeruste mensen. Mensen die dreigen. Wat een baan.

Nou, dan zit je in de wachtkamer en daar zegt iedereen wel gedag, maar het lijkt veel op de tandartswachtruimte: er zit geen opera Pietje in de kamer die een vrolijk liedje gaat zingen. De gezichten staat op stand ‘u bent uitbehandeld’,  terwijl dat onzin is. De huisarts is geen dokter Mengele. De Nederlandse huisarts luistert naar u, tenminste, diegeen die ik nu heb wel. Maar goed, de ruimte is wel kaal, met aan de muren wat folders tegen hoofdluis en schimmelvoeten. En een vergeelde poster tegen het roken.

Bij de huidige dokter voel ik me goed. Een kwieke mijnheer. Opgewekt kwam hij de wachtkamer in en zocht mijnheer van Berkel. Dat was ik. We gingen het hok binnen, ik vind het veel te klein. Hij die aardige man, pakte zijn bloeddrukband en vouwde die om mijn arm. Ik had thuis eerst de druk laten meten door mijn vrouw. Het was eigenlijk een grap. Ik dacht: ik laat het eens meten. Nou, het was verkeerd: te hoog.

En de dokter luisterde en keek ook, net als mijn geliefde en constateerde hetzelfde: te hoog. Het zou wittejassenstress kunnen zijn. Mijn moeder heeft dat ook. Ze heeft al diverse bloeddrukmeters vernield. Gewoon uit elkaar geknald. Feitelijk had ze met zo’n druk niet meer levend kunnen zijn.

Toch ben ik geen echte zorgmijder, denk ik als ik mijn jasje van de kapstok haal. Ik heb meegedaan aan een onderzoek naar corona en ik heb  mijn darmkanalen laten inspecteren. En als ik ga druppen en nadruppen, zoals elke rijpere heer, ga ik opnieuw naar deze vriendelijke dokter die misschien zelf ook wel een vergrote prostaat heeft.

Ik kom zelden bij de dokter. Er zijn wel behandelingen die me afschrikken: het tuinslang slikken en het van onderen onderzoek, maar ook het gezellige als saucijzenbroodje in een buis geschoven worden. Je moet er even doorheen, zeggen ze. Toen ik een kleine jongen was waren er nog strenge dokters, met weinig oog voor het cliëntje. Ze droegen een witte jas en ze hadden koude handen. En dus wilde ik bij zo iemand niet op de weegschaal. Het werd een lastig ogenblik voor de geneesheer. En voor mij, met tranen.

Ik kom zelden bij de dokter. Ik wandel en fiets veel en ik heb na de metingen besloten me anders op te gaan stellen. Geen drukte meer over de hindernissen in het leven. Het leven is nu eenmaal een parcours met plassen waar je over heen moet springen. Best leuk eigenlijk.

En iedere dag neem ik wat extra groenvoer. Een worteltje, een radijs, een tomaat. Misschien dat dat helpt de dokter nog minder te zien. Maar voor wie dit leest: heeft u een vreemde bobbel onder uw huid, een gekke vlek, een raar kuchje, of bloed op uw bolus, ga er mee naar de man streep vrouw die ervoor geleerd heeft. Aarzel niet!

Het WK voetbal 2022

een tekening van Jelle Bouwhuis, met een feestelijke sfeer

Het WK wordt in deze donkere dagen gespeeld, maar buiten merk je daar weinig van. Geen vlaggetjes, geen getoeter, geen oranje vlaggen in de straat. Tenminste, niet in mijn straat. Dit doet me denken aan het WK van 1978. Ook toen, voor zover ik mij kan herinneren, zag je geen oranje op straat en niemand leek er echt mee bezig. Ik was toen elf, dus het is lang geleden, maar dat is wat ik me herinner. Op het schoolplein spraken de jongens erover. Dat was het. Tot ieders verbazing rolde het Nederlands elftal door de rondes tot aan de finale. Op een zondag was dan de allerlaatste wedstrijd. Ik keek die samen met mijn vader in onze flat. Buiten was het erg stil, maar nergens oranje, nergens wilde bijeenkomsten op pleinen. De negatieve berichten uit de dictatuur hadden hun werk gedaan, net zoals ze dat nu doen.

En wij keken naar die wedstrijd die in een grimmige sfeer in blauw en wit werd gespeeld. Steeds harder werden de overtredingen. Bloed kleefde aan de truitjes. Voor het Nederlands elftal was het onmogelijk daar te winnen. Dat is niet gebeurd en dat was ook niet gebeurd.

Tot in de 45e minuut het leer van de bal het aluminium van de linkerpaal raakte. Beneden ons op de eerste verdieping klonk gejuich en een bonk. Iemand viel van zijn stoel. Het eindsignaal klonk. de verlenging kwam, met twee Argentijnse doelpunten. De Nederlandse spelers vluchtten het stadion uit. Ze vreesden voor hun leven. En daarin hadden ze gelijk. De Argentijnse hysterie bereikte een kolkend hoogtepunt. Maar hier in Holland werden de gordijnen dichtgeschoven en er werd bijna niet meer over gesproken, behalve door voetballiefhebbers. En ik moest naar bed van mijn moeder. Daar liet ik nog een traan op het kussen vanwege de verloren finale.

En nu dan dat kampioenschap in dat zandbakje met bazige mannetjes. Ik zie de vergelijking met 1978 en ik weet vrijwel zeker dat de titel al verkocht is en alles is geregeld. Die titel is namelijk voor ons. Olanda. Want dat is zo’n handig land voor de business, met een prachtige infrastructuur en ze doen altijd precies wat de sjeik wil. Argentinië, dat is zo ver weg en je doet er slecht zaken mee. En ze houden niet van eindeloos theedrinken, hebben ze geen geduld voor. Brazilië, hetzelfde en ze willen niks met dat regenwoud. Op die plek kun je duizend shoppingmalls aanleggen en honderd vliegvelden, maar dat willen ze niet. En dan Frankrijk: wil de geroofde kunst uit de Arabische wereld niet teruggeven. Nee, dan Olanda, met Amsterdam, waar je altijd een waterpijpje kunt smoken. En daarom gaat de cup naar Olanda. Messi weet het nog niet, maar hij gaat de wedstrijd niet winnen. Het is al geregeld in de bestuurskamer en in de kleedkamer. Zelfs de medailles zijn al gegraveerd.

Zondag 18 december krijgt Oranje in de allerlaatste minuut van de blessuretijd een penalty. De keeper is ook gefixt, die blijft gewoon tussen de palen staan. Doodstil. En daarna zal er een feest, een oranje knalfuif, worden georganiseerd. Gesponsord door Qatar uiteraard.     

De moord op Johnny Neslo (2009), dertien jaar later

In 2009, aan het eind van december, zat ik op de bank naast mijn aanstaande. Ik zou het volgend jaar met haar trouwen en er stond een verhuizing in het rooster. Op de televisie speelde het romantische programma All you need is love. Buiten sneeuwde het nog romantischer zachte vlokjes. Er waren in de straat knallen van vuurwerkbommen te horen. Dat zou die avond van groot belang blijken te zijn. Anja belde met haar oom Ben om hem te feliciteren met zijn verjaardag. Het werd rond de klok van tien. Ik keek uit het keukenraam en zag plotseling felblauwe lichten langs het keukenraam glijden. Ik  was nog niet uitgekeken, toen de voordeurbel schelde. Ik deed open en daar stond een man die nog het meest leek op een ambtenaar die nog twee jaar moet tot zijn pensioen. Hij had een oververmoeid gezicht. Hij droeg een kort, leren jack en hij vroeg of hij even binnen mocht komen. Hij vertelde dat hij van de politie was en of mij iets was opgevallen in de straat. Nee, zei ik, alleen de kat Sjaak deed wat raar vanavond. Hij was onrustig. De rechercheur zei dat er een man vermoord was in mijn straat. Johnny Neslo. Of ik hem kende?  Nou, slechts van gezicht. Ik zag hem twee dagen geleden nog zitten in een stoel. Die stond vlakbij het raam. Hij keek me toen aan met een afwezige blik. Ik wist dat zijn vrouw een oppasbedrijfje had. Ik vroeg me weleens af of het niet druk was in dat kleine huisje met die vier kinderen en dan die oppaskinderen er nog bij. ‘Het gebeurde om een uur of negen,’ zei de man, terwijl hij mijn opmerkingen opschreef. ‘Met een pistool.’ Die knallen kon ik niet gehoord hebben, want er werd overal vuurwerk afgestoken. ‘Bedankt,’ zei de man en hij vertrok. De volgende morgen kregen we opnieuw bezoek van een rechercheur. Ook hij noteerde dezelfde opmerkingen met weinig enthousiasme. Toen we die dag de straat doorliepen lag er overal sneeuw. Het was huiveringwekkend langs de plek van de moord te lopen. In  de witte massa was door de politie met een soort paarse verf gespoten. We konden het schoenenspoor van de dader volgen over het bruggetje. Hij verdween voor altijd in het aangrenzende park.  Nu na dertien jaar is de moord vergeten en de moordenaar zal nooit meer worden gevonden.

Waarschijnlijk was het drugsgerelateerd. Maar mij houdt het nog altijd bezig omdat het slachtoffer een vrouw had en vier kinderen. Wat is er met hen gebeurd? Hebben ze een nieuwe man en vader? Hoe ga je om met dat ene hartsverscheurende feit:  mijn vader, mijn man is vermoord. Heb je dan nog vertrouwen in andere mensen? En wat hield je vader voor je verborgen? Waar was hij mee bezig?  Toen ik na de moord een berichtje postte op mijn blogpagina kreeg ik een reactie van de vrouw van het slachtoffer, zij heette Manon en ik ben niet in staat geweest na te gaan of dit werkelijk de echtgenote was, of iemand anders, het internet kent immers vele vreemde snuiters. Ik heb de reactie toen niet openbaar gemaakt. Zij schreef mij een paar dagen na de gebeurtenis:

Hallo Sjoerd, Ik heb je blog gelezen en heb besloten om je te antwoorden. Ik ben Manon, de partner van John, de buurman die is neergeschoten. Ik kan niet onder woorden brengen hoe goed het mij en mijn kinderen doet om alle positieve reacties in de media te lezen. Het is namelijk veel makkelijker om iets naars over het hele gebeuren te zeggen. Ons gezin is op de dag voor oudjaar verwoest, kapot gemaakt door een verslagen onbekende, uit het niets, voor mijn deur…..ik ben mijn partner kwijt, mijn 4 kinderen hun vader. Wat het achterliggende verhaal ook mocht zijn, dat is de realiteit, de huidige stand van zaken. Dit kwam voor ons uit het niets, en het is vreselijk voor de hele buurt dat dit heeft plaatsgevonden. Ik wil je bedanken voor je positieve benadering. De beste wensen voor het nieuwe jaar….. Groetjes, Manon.

Ze zeggen dat de tijd alle wonden heelt en dat kan misschien zo zijn, maar die wond blijft altijd wel een kwetsbare plek. Onzichtbaar vanaf de buitenkant.  

En toen de sneeuw met de schoensporen was gesmolten en bij ons de verhuiswagen voor reed, verdwenen ook de gedachtes aan die donkere avond in december. En we doen altijd net of er niets is gebeurd. We delen ijspret bij de sloot, we spelen in het park als de zon schijnt, we gaan naar ons werk. We leven door, doodgewoon en we geven onze eerste kus.

Het donker

Mijn huis grenst aan de achterkant aan een schoolplein. Deze avond horen we brommers ronken, schreeuwende jongens en gelach dat tegen de schoolmuren galmt. Ik kijk uit het zolderraam. Het plein is aardedonker, ernaast, langs het fietspad, zijn enige lampen geplaatst. Het fietspad komt uit bij een gymzaal waarin  kinderen turnen. Ook wordt er gekickbokst. Op een avond werd de deur eruit geslagen. Ik belde braaf met de politie en ze kwamen zelfs even kijken. We zagen ze met zaklantaarns de omgeving afspeuren. Ik vroeg me af: wie wil er wat stelen uit een gymzaal? Wie heeft interesse in een paar oude basketballen?

Ik kijk uit het zolderraam. Er is geen maan. Ondanks het donker zie ik van boven schimmen vuurwerkbommen afsteken. Ik ben de verontruste burgerbuurman, gehuld in pyjama, die naar buiten gluurt. De pantoffelheld. In de struiken ritselt een kat. Ik zie twee ogen spiegelen. Pak de muis poesje.

Toen de nacht was geweken, trof ik naast het gymgebouwtje een volledig gesloopte milieuvriendelijke Go scooter. Zo’n scooter vind je op de trottoirs, zoals je paddenstoelen in het bos aantreft. Het verbaasde mij hoe vakkundig hij door het tuig uit elkaar was gehaald. Een paar kleine jongens speelden met wat plastic onderdelen. Ik herkende een spatbord. Ik moest bij dit beeld onwillekeurig denken aan gieren in de woestijn die de restjes van een dood beest verorberen.Naast het wrak rookte een kartonnen doos.  Ik merkte dat de vlammen steeds gulziger aan het karton likten en ik deed een stap naar achter. Vanuit de doos kwamen harde knallen: er zat vuurwerk in. Ik deed nog een stap naar achter.

Maar toch is dit alles zeldzaam in mijn keurige middenklassestraat.  O ja, met oud en nieuw wordt weleens een vuilnisbak opgeblazen, maar verder blijft het netjes. En de donkerte rond het plein is ook goed voor de vogeltjes en de egeltjes en eventueel ander dierlijk leven.

En voor mij is het ook goed, want de slaap slaapt het beste in het duister. Zeker, er zijn mensen die leven en werken nadat de zon is ondergegaan, maar dat is aan mij nu niet besteed. Mijn temperatuur zakt, de ogen worden moe. Het lichaam wil horizontaal liggen. Ik kijk naar mijn geliefde, ze ligt helemaal ingerold tussen de lakens. Alleen haar neus steekt nog onder de dekens uit.

En dan vertrekt mijn trein naar dromenland. Ik val en schrik wakker van een paar knallen. Of zijn het schoten uit een pistool? Misschien valt er nu iemand. We hebben dat werkelijk eens meegemaakt. In de volgende blog daarover meer.

Gezicht in Valkenburg

Dit stuk steen is deel van het kasteel in Valkenburg, Limburg. Vreemd dat je toch overal, als je dat

wilt, een gezicht in kunt ontdekken. Het gezicht van de kasteelheer misschien? Dat groen zou haar

kunnen zijn. Ik geef toe: je hebt er wel wat fantasie voor nodig, maar dat heb ik.

Een zware dag, maar verder gaat alles goed

Na een zware dag zat ik deze week naast mijn geliefde op de bank. Ook zij had een zware dag gehad. Ze werkt in het ziekenhuis, dus je kunt je daar iets bij voorstellen. Voor mij is ‘zwaar’ eerder een mentale zaak.

Onze oogleden hingen laag boven de horizon. De afstandsbediening werd op het boze oog gericht. Wij kregen het NOS journaal van acht uur. Een film vol ellende en menselijke ontberingen trok aan ons voorbij. Daarin zat de premier met het slechte geheugen met boeren aan tafel op een erf. De zon scheen, zijn lach was even breed als altijd. Hij zat in een luchtig overhemd. Misschien in het oosten? Bij ons scheen de zon niet.

Plotseling schoot er een Tour de France renner door het beeld. Was de Tour de France eenmalig verplaatst naar de herfst? Vreemd. De weerman dan. Een aardige man die weerman. Hij vertelde dat het dinsdag tweeëndertig graden zou gaan worden. Wat? Tweeëndertig graden? Hij zei er ook nog bij dat het droog bleef vandaag. Wat? Het was helemaal niet droog vandaag! Met een schok werden we klaarwakker: we zaten al een half uur lang naar een juli aflevering van het Journaal  te kijken, zoals lammetjes naar het gras in de wei! We hikten van het lachen en we beseften dat je rustig een editie van vijf maanden geleden kunt zien: de ellende is precies hetzelfde. Alleen het weer verandert.

Maar verder gaat het goed met ons hoor, maak je geen zorgen.

Stresskip

Buiten is het behoorlijk vies weer. Regen en wind en de wolken hangen laag. Vooral dat laatste geeft de wereld een sombere toon, hoewel dat natuurlijk niet echt zo is. De natuur gaat slapen, maar dat wil niet zeggen dat wij onze stemming daar van af moeten laten hangen. Toch doen we dat wel. Dat is niet goed, we moeten meer meegaan in het ritme van de seizoenen en genieten van de introverte kant van dit jaargetijde. Het is een naar binnen gerichte maand, ook letterlijk. Ondertussen zit ik hier met om mijn arm een band, waaraan een kastje. Dat kastje meet mijn bloeddruk, maar liefst drie keer in het uur. Na twintig minuten blaast de band zich op en volgt er een piepje. Ik mag dan niet bewegen. Mijn bloeddruk was te hoog. Kwam dit door drukmakerij, erfelijkheid of was het toch het zogenaamde wittejasseneffect? Dat je bloeddruk stijgt, zodra je een arts ziet? En waarom dan? De dokter is een zeer vriendelijke man, niks mis mee. Ik ben wel benieuwd naar de uitslagen. Vanmorgen heeft de assistente het apparaat omgedaan. Het is nu wel even wennen. Als je beweegt tijdens het meten, krijg je een ‘error’. Ben ik een stresskip? Binnenkort zal de dokter hier een oordeel over vellen. Ja, u bent een stresskip. Ik hoop dat hij zegt dat ik zeker twee, drie maanden niet mag werken, echt absoluut niet doen. ‘Kunt u dat ook even opschrijven dokter? En hier ondertekenen?’ Dank u, dank u. Dan kan ik de komende tijd werken aan mijn innerlijk, want het is herfst dokter, de tijd dat ik naar mijn geestelijke interieur ga kijken.

De portemonnee

Daar lag de portefeuille. Niemand zag hem, behalve ik. Op een bankje, op het perron, ongemerkt uit

een diepe broekzak gegleden.

Er was geen mens bij in de buurt. Er was ook geen mens wanhopig aan het rondzoeken. Voorzichtig

pakte ik het van het bankje. Als daar nu een bundel briefjes van duizend in zouden zitten,

dan zou ik het laten liggen, besloot ik snel, want dan is het de beurs van iemand in duistere zaken.

Voorzichtig opende ik het leer. Daarbinnen was geen geld, alleen een paar munten. Wel had de

eigenaar zo ongeveer alle persoonlijke pasjes voor banken en verzekeringen er in gestopt. Het zou

gaan om een man, een foto toonde mij een portret van een oudere heer. Hij keek me vriendelijk aan

met die blik die ouderen soms kunnen hebben van: goed, ik moet op de foto, maar daarvoor ga ik

niet mijn haar kammen. De man werkte voor een groentehandel. Er was een pas bij voor een

zakelijke rekening. Ook zijn rijbewijs was toegevoegd. De eigenaar moest, als hij het verlies nu

ontdekt had, zich niet bijzonder prettig voelen, want hoewel je nooit een bijzondere band met je

plastic geld zult opbouwen, voel je je toch ernstig beperkt. Dat zijn die momenten dat je wilde dat

er geen digitale wereld bestond en geen creditcards.

Ik belde met de politie en vertelde over de vondst. Tot mijn verbazing zei een vriendelijke stem dat

ik de zaken moest overdragen aan de gemeente. Dat schoot dus ook niet op. Ik voelde medelijden

met de groentehandelaar. Waarschijnlijk probeerde hij nu zijn passen te blokkeren, maar ik weet uit

ervaring hoeveel moeite ouderen hebben met digitale geldzaken. Ik toetste de naam van de man in

de googlezoekmachine. Er verscheen een artikel over een knoestige groentehandelaar die in de

coronatijd was ontslagen en nu voor zichzelf was begonnen. Geen twijfel mogelijk: het was dezelfde

persoon. Een telefoonnummer was niet te vinden en ik vermoed dat de man als een van de laatste

Nederlanders geen smartphone heeft. Thuis zocht ik verder in de krochten van het web en

vond toch nog een Facebookadres. Na een melding werd er gereageerd door de dochter van de man.

Ja, vader was zijn portemonnee kwijtgeraakt ergens in de stad.

Later die avond stond hij aan de deur. Hij was zoals ik hem had verwacht: onverzettelijk en misschien

had hij niet een gemakkelijke jeugd gehad. Moest hij al jong langs de deuren met appels en peren,

waarbij het niet uitmaakte of het keiharde regende of krakend vroor. Hij stak een eeltige hand naar

me uit om me te bedanken. Hij zei dat hij niet snel opgaf toen ik hem vroeg naar het ontslag. Hij

maakte een opgeluchte indruk. ‘Ik had anders niet goed geslapen vannacht,’ zei hij. Hij liet zien

hoeveel geld hij in zijn broekzak had. Allemaal flappen. ‘Dat was een geluk,’ lachte hij.

Ik sloot de deur en vroeg me af wat de man naar een treinstation had gebracht. Was hij gaan

winkelen met zijn vrouw? Moest er een nieuwe broek of trui gekocht worden? In gedachten zie ik het

echtpaar zitten op dat bankje. De trein komt eraan, ze moeten snel zijn. Maar opstaan gaat niet meer

zo soepel, slijtage in de heup. Ze stappen in, de portemonnee blijft achter. En thuis merkt hij het

verlies.

Het kan iedereen overkomen. De laptop waar ik nu op tik, heb ik ook eens laten staan op station

Bloemendaal. Ik had hem net een uurtje. Hij werd gevonden en keurig bewaard. Nee, de wereld is zo

slecht nog niet.

Echt niet. En nu ga ik het vindersloon, een doosje  Milkachocolaatjes gekocht bij een tankstation,

opeten.

Zoekt u een nieuwe woning?

Zoekt u een nieuwe woning?

Ik zocht een nieuwe woning en sprak een makelaar. De man, hij had guitig roze puntpantoffelschoenen, nam me mee naar een tiny house. Nou, het was echt een klein huis. Aan de rand van het bos gelegen, heel mooi omzoomd door berkenbomen. Het was twintig centimeter hoog, wit gepleisterd en het had een hoed bovenop. Het was gewoon een paddenstoel. Ik stond naast een dure makelaar bij een paddenstoel. Ik schaamde me rot. De man zei: ‘Dit is geen grap, deze paddenstoel staat al een tijdje te koop, u bent de eerste bezichtiger. Ik zal u even het interieur laten zien.’ Hij bukte en probeerde de sleutel, een heel klein sleuteltje, in de steel te stoppen. ‘Verkeerde sleutel,’sprak hij verontschuldigend. Hij nam zijn telefoon en belde met het kantoor. Ik wilde wegrennen, dit was heel beschamend. ‘De eigenaar is een ieniemienie,’ zei de man. Hij was rond de veertig, droeg een klein rond brilletje en hij leek me een gladde aal. Iemand die zijn moeder nog zou kunnen verkopen. ‘Misschien ziet hij af van de verkoop.’

‘Een ieniemienie, u bedoelt een kabouter?’

‘Dat woord mogen we niet meer gebruiken, dat is niet woke mijnheer. Een kabouter heet voortaan een ieniemienie, veel minder stigmatiserend.’ Ik werd ongeduldig. Ik stapte in mijn SUV, een Porsche Cayenne, en spoot weg. Ik sneed onderweg wat bestuurders af, negeerde twee rode verkeerslichten en kwam opgefokt thuis. Mijn zoontje van vier zat aan tafel, in zijn kinderstoel. Ik vertelde mijn vrouw over de vreemde ervaring in het bos. ‘Weet je wat?’ vroeg ze zonder diep erop in te gaan, ‘ga morgen met Stijn naar die paddenstoel. Dat vindt hij vast heel leuk.’

Ik knikte stom. Zo’n kind gelooft nog in kabouters, eh, ieniemienies.

De volgende dag, zaterdag, gingen we terug naar de paddenstoel. Ik vond hem gemakkelijk terug. Een originele inktzwam. ‘De makelaar wilde me deze paddenstoel verkopen, ‘ zei ik zacht.

‘Bouter!’ wees mijn zoon.

‘Een kabouter. Zie je een kabouter?’ kirde mijn vrouw. We lagen met ons drietjes op de natte bosgrond, met onze neuzen tussen de bruine bladeren. Het kriebelde. En het rook vies en schimmelig.

‘Bouter!’ riep mijn zoon weer.

De blaadjes op de grond bewogen een moment. Door de struiken ging een langzame ritseling. Ik zag een donker oog dat naar me keek.

‘Een kabouter!’juichte mijn vrouw en ze klapte in haar handen, want ze is een heel spontaan type.

‘Ja, wat mooi, wat leuk!’ fluisterde ik. ‘En wat een mooi huis heeft hij, zo’n huis wil ik ook wel.’

‘Ik kan het voor u ontwerpen,’ zei een stem achter ons. Ik draaide me om. Het was een man van middelbare leeftijd, in een grijze jas, met een grijze das die mooi kleurde bij zijn grijze haar. Hij had een neus zo groot als een komkommer en daaraan hing een druppel.

‘Ik ben Henk de Boer,’ zei hij plechtig, ‘architect, hier is mijn kaartje.’

Ik nam het kaartje aan en bedankte. Hij lachte naar Stijn. ‘Ik zie de kabouters hier soms een ogenblik, vooral als ik ’s avonds de hond uitlaat. Maar ze rennen dan weg, want kabouters houden niet van honden. We moeten ze maar met rust laten, vind je niet?’

Even leek het of de paddenstoel oplichtte. Of iemand daarbinnen het licht aandeed. Heel merkwaardig.

‘Ze steken een kaars aan,’ zei mijn vrouw.

‘Kom Stijn,’ zei ik. ‘We gaan pannenkoeken eten.’

‘Zijn kabouters dol op,’ zei de grijze druipneus.

We stapten in de auto en ik startte. Ik keek voorzichtig in mijn binnenspiegel. Ik kon de paddenstoel zien. Het leek of er rook uitkwam. Ik zag een klein bollig figuurtje ernaast staan. Een diertje, een muis? Een poot of een armpje zwaaide naar me. Op het kopje zat een rode driehoek, een puntmuts?

Ik begon te beven van narigheid. Dit moest dan mijn eerste burn-out zijn. Altijd gedacht dat het mij niet zou gebeuren, maar het gaat heel sluipend en dan komt het en zie je elfen en heksen en ieniemienies. Ik werd misselijk.

Ik stapte uit en zei tegen mijn vrouw: ‘Rij jij asjeblieft.’

‘Gaat het goed met je?’ vroeg ze bezorgd.

‘Nee,’ beaamde ik fel. ‘Ik zal een afspraak met Henk – dat is onze huisarts- maken.’

Ik stapte in aan de rechterkant. Vera startte opnieuw, maar de auto hikte slechts. Benzine genoeg, dus ik stapte wederom uit en liep om de wagen heen. Aan de uitlaat ontdekte ik een ballonnetje dat de auto verhinderde te starten. Ik trok het eraf, vloekte, schopte tegen de achterband en riep: ‘Wie doet nu zoiets? Schoft!’ Ik dacht onmiddellijk aan de druipsteengrotarchitect, maar die zag ik nergens meer.

Vanuit de bosjes kwam een hoog piepend, schuddebuikend gegiechel.

‘Bouter!’riep mijn zoon. ‘Bouter!’

Ik schoot in de auto en vertrouwde het niet meer. Wij zijn bekende personality’s en dit was natuurlijk een grap van de paparazzi. Zo meteen zou er een reusachtige camera op ons worden gericht en morgen waren we voer voor de juiceroddelhaaien.   

‘Wegwezen!’riep ik tegen mijn vrouw. Ze zette de auto in zijn achteruit en de carrosserie vouwde zich zoals een handschoen om een hand, volledig en trefzeker om de stam van een eeuwenoude eik.

8 oktober 2022   Rock around the clock tonight!

De optocht die op deze dag werd georganiseerd door het Alkmaars Ontzet Comité, ging door de stad onder een vrolijk blauwe hemel. De grijze wolken daarbij werden veroorzaakt door protesterende mensen op de grond.

Hoe werkt dat nu eigenlijk zo’n optocht? Wel, je krijgt een uitnodiging voor een verkleedpartij in de draf -en renbaan. De deelnemers scharrelen door elkaar als kippen in een pluimveehal. Mannen, vrouwen, kinderen, de optocht is democratisch verdeeld over de gemeente. De blauwe kaart die ik in handen krijg moet aantonen dat ik recht op een pak, een pruik en een consumptie heb.

Als ik de kaart overhandig aan een medewerkster krijg ik een tasje met de kleding er in aangereikt. Ik weet dat ik iets met het thema kermis ga doen, maar de kleding die ik vind, zegt me niet heel veel. Een gelig truitje, een donkere broek en een te krap wit jasje.

Eenmaal onwennig aangekleed terug in de hal, blijkt mijn pak redelijk onopvallend in vergelijking met dat van de onderwijzeres T. Zij draagt een metaalkleurig, intergalactisch uniform. Ook zie ik Vincent van Gogh scharrelen en een mevrouw met een lampenkap op haar hoofd. Neptunes zwemt rond en er is voor de liefhebbers van geheimen van de oceanen een waarachtig prachtige zeemeermin.

De rij voor de schmink is lang, maar ik er hoef daar niet bij. Ik ben zo al knap genoeg zeker. Ik krijg wel een donkere pruik aangemeten. Ik maak me even zorgen over de wind. Het waait een aardig eindje buiten. Onder een stoel waar ik in ben geploft en van waaruit ik het gewemel bekijk, liggen op een kleedje twee zeer liefkijkende en grote poedels. Het baasje, een mevrouw, heeft ze allebei aan een band en aait ze. Ze zegt dat ze mee gaan lopen.   

Uiteindelijk dribbelt het fantasierijke gezelschap naar buiten, naar de wagens op de renbaan. Onze wagen heeft botsauto’s en een draaimolentje. De kinderen en enkele dames klimmen erop. Mijn rol is een deel van het publiek te zijn en me te gedragen als kermisklant uit de jaren vijftig van de vorige eeuw. Ik vergezel twee heren, een vader en zoon, die slepen met een tafeltje met blikken erop. Voor het ballengooien. Hartstikke leuk, maar ze zullen hem mee moeten slepen, dwars door de stad. De blikken zijn goed vastgeschroefd en ook de stoffen ballen zitten aan een touwtje. Dat scheelt zoeken.

Achter ons loopt een mijnheer in een kermispak met de kop van Jut. Maar hij heeft wel wieltjes. Overigens doen de ballentent en de slag met de hamer het nog uitstekend bij het publiek. Ook in de 21e eeuw succes verzekerd met een stel blikken en een balletje!

Naast ons probeert onderwijzeres I. door middel van een glazen bol de toekomst van mensen te voorspellen. Het gaat haar goed af, zal blijken. In ons kielzog rijdt mijn trouwautochauffeur in zijn lichtblauwe Thunderbird uit 1959. Hij herkent me niet meer. De man heeft een indrukwekkende slee meegenomen die één op een emmer rijdt. In zijn auto heeft hij maar liefst drie zoetgekleurde prinsessen.

De rest van de kermishuishouding danst achter de wagen. We worden muzikaal begeleid door een wagentje waaruit rock-and-roll muziek galmt. Het repertoire van de dj bestaat uit een aantal nummers. Ik hoor Elvis, Bill Haley en Chuck Berry. Go Johny go!

Ondertussen wachten we tussen en bij de wagens, want er zijn berichten dat de optocht wordt gefrustreerd door wappers van een waporganisatie. De wappen waren eerst tegen coronamaatregelen, nu zijn ze tegen alles. Ik vind het prima dat je overal tegen bent, maar niet nu. Je blokkeert nu vele praalwagens en duizenden enthousiaste toeschouwers moeten wachten. Dit evenement is zeer populair. Alleen Sinterklaas overtreft dat, geen artiest benadert de aantrekkingskracht van de goedheiligman uit Spanje.

De meeste kermisklanten om me heen maken zich zorgen over de geplande zuurkoolmaaltijd. Alle leden van de 8 oktobervereniging mogen aanschuiven in de Grote Kerk voor een pot zuurkool met worst gemaakt door de Alkmaarse slager Jeroen de Vries. Ik vraag me af hoe deze lokale slager drieduizend rookworsten weet te fabriceren. Eindelijk, na een uur wachten, de paarden worden nerveus, zet de stoet zich in beweging. Wij kunnen als de rij niet zo snel gaat, het tafeltje langs de kant parkeren en een paar kinderen met de ballen laten gooien. En uiteraard vinden ze dat erg leuk.

De wagen waar we achter zitten, moeten we wel in de gaten houden, anders lopen we de afstand niet meer in. Vlak voor we de Koorstraat in willen, is het weer raak met de demonstranten. We moeten weer wachten. Er wordt een groot beroep ons op geduld gedaan en dat van het publiek. Het is dan al een uur of vier. Na een eindeloze tijd hobbelen we weer verder. Ik heb wat ruimte om te dansen en te sjansen met het publiek. Tot we de Koorstraat in gaan. Het is ongelofelijk hoeveel mensen hier staan. We krijgen spontaan bier aangereikt.

Opnieuw staan we vast. Wachten. De man op de trekker is zelfs van zijn troon gedaald.

Er is een kind dat een bal werpt. Ik maak een paar dansmoves en hij danst mee. En zo dansen we enige minuten. Hij is echt nog maar twee turfjes hoog en zwaait met zijn armpjes als een volleerd danser. Het is een uniek moment, door de volkomen afwezigheid van enige verlegenheid bij het jongetje. In mijn rol kan ik dit ook wel doen. Een rol geeft ruimte die in een normale maatschappelijke context moeilijk zal worden geaccepteerd.  En de moeder filmt onze dansbewegingen. Het zal nu wel ergens op internet staan.    

We rijden verder en overvol zijn de massa’s aanwezig in eindeloze rijen. We passeren de leden van het organiserend comité. Zij zijn uiterst deftig gekleed in een zwart kostuum met rode sjaal, maar dat weerhoudt ze er niet van een bal op onze blikken te werpen.  

Ik kan in de verte de doedelzakkers zien lopen. Ze doedelzakken nog maar weinig, constateren we. De optocht wordt ook begeleid door een groep geuzen die liederen uit het geuzenliedboek zingt. Vive les gueux!  De trommels klinken dichtbij oorverdovend.

Maar dan loopt het ergens weer uit de hand en besluit de politie, wegens de demonstranten, de route te verleggen. In plaats van langs het verzorgingshuis Westerhout, waar ouderen al uren wachten op de stoet, lopen we terug via de Geestersingel. En daar is niemand meer. De terugtocht om half zes, is dan ook niet wat het had kunnen zijn. Een optocht zonder toeschouwers is geen optocht, dat is een artiest zonder publiek, een auto zonder wielen.     

Maar hoe dan ook, de terroristen in light formaat, hebben de optocht niet kunnen saboteren volgens plan, hooguit een beetje beïnvloeden. ik heb later begrepen dat het publiek ze heeft uitgejouwd en daarna met de rug naar ze toe is gaan staan.

En u vraagt me hoe de zuurkool was. Ik moet het antwoord daarop schuldig blijven, omdat ik geen lid ben van de 8 oktobervereniging. En alleen leden mogen aanschuiven. Maar ik kreeg toen ik thuis kwam ook een zeer goede maaltijd, want de liefde gaat nog altijd door de maag.