Het boek Zilte windsels suikerwier opent met een motto van Jean Cocteau: ‘Vriendschap is een verborgen liefde’. Dat is een prachtig thema waaruit je alvast kunt opmaken waar het in dit verhaal om zal draaien.
Het gaat om de twee jongeren Duifje en Rayan, die beiden met een grote uitdaging in hun leven worstelen. Duifje heeft onlangs de boodschap gekregen dat zij Diabetes type 1 heeft. Dat is een auto- immuun ziekte waardoor het suikergehalte in het bloed niet meer constant is, maar gaat schommelen. Dit heeft grote gevolgen en zij moet gaan leren wanneer zij insuline bij moet spuiten en wanneer niet. Deze ziekte geeft haar heel veel beperkingen en zorgen.
De jongen die zij tegenkomt, heet Rayan en ook hij heeft zo zijn uitdagingen. Rayan is gevlucht en lijdt onder zijn herinneringen die worden opgeroepen door gebeurtenissen in het heden.
Inge Nicole slaagt er overtuigend in deze karakters bij elkaar te brengen. Ze ontmoeten elkaar in een verlaten gebied, bij een spoorbiels. Rayan wil liever niet praten over wat hij heeft meegemaakt. Hij is op zoek naar een vriend. En dat geldt ook voor Duifje.
Ondertussen wordt in het verhaal ook het leven van tante Iris meegenomen. Zij heeft ook diabetes type 1 en we lezen hoe verwoestend deze ziekte kan zijn, niet alleen voor het lichaam, maar ook voor het sociale leven.
Inge Nicole schrijft prachtig en gedetailleerd over de belevenissen van de personages. Het wordt nergens melodramatisch. De schrijfster zet ironie in om het verhaal dragelijk te houden.
Voor jongeren is dit een heel geschikt boek, omdat we in de huid kruipen van twee jongvolwassenen die met een afschuwelijk gegeven moeten leren leven. Tegelijk leren deze jonge mensen het gegeven als een gegeven te aanvaarden, hoe erg het ook is. Dat is een leerzaam uitgangspunt en maakt het goed bespreekbaar in de klas. Hoe ga jij om met jouw uitdagingen in het leven? Wat vertel je daar over aan andere mensen? Stel je je open en kwetsbaar op? Durf je dat?
Ja, ik vind dit een waardevol en bijzonder goed geschreven boek. Helaas ben ik niet bij machte om deze op de shortlist van de Libris literatuurlijst te zetten. Dat is jammer, het verhaal heeft me echt diep ontroerd.
‘Aan land is het niet veel beter daar verdrinken mens en dier in een overvloed aan ontbering’ schrijft Inge Nicole in een gedicht. En daarom is vriendschap zo belangrijk. Mensen zijn er voor elkaar. Zilte windsels suikerwier is een uitgave van uitgeverij In de Knipscheer en is uitgegeven in 2025. De fraaie illustraties zijn van de auteur zelf.
Schrijfchallenge Prompt: Onder de radar, juli 2025
Ik deed mee, met 200 anderen, aan de juli schrijfchallenge van Prompt. Het thema was: Onder de radar. In deze Prompt krijg je een prompt, een opdracht, en je hebt een dag om deze te maken. Ik publiceer nu mijn delen. De link naar de website van Prompt is: http://www.prompt-schrijven.nl. Kijk daar even, misschien wil je een keer meedoen?
Geen paniek
Ik ben doodsbang. In het oerwoud is het stikdonker. Het ritselt in de struiken, gekrijs van wilde dieren. Ik ga op mijn hurken zitten en sla mijn armen om mijn benen. Ik moet mijn adem onder controle krijgen. Want als het zo blijft, zal ik sterven. Doorlopen op het ezelpad is dodelijk en naar de top terug is ook dodelijk. Omdat daar zeker twee of drie mannen de wacht houden. Ik kan ze niet zien, maar ik hoor hun lage, diepe stemmen. Ik kan daar niet heen. Dan schieten ze me neer.
De enige oplossing is het oversteken naar het Franciscuspad. Dat is levensgevaarlijk. Een oversteek door een diep dal, een beek door en dan weer omhoog. En dat in volslagen duisternis.
Ik pak een touw uit mijn rugzak en zoek op gevoel naar een rots. Dat lukt. Ik bind het touw eromheen. Het andere eind om mijn middel.
Ik krijg weer een paniekaanval. Ik begin te zweten. Mijn hart voel ik kloppen. Ik begin met zingen. It’s a beautiful day!
De angst zakt. Nu voorzichtig afdalen. Ik verdwijn half in de vegetatie. Laat het touw door mijn handen glijden. Het doet heel erg pijn aan mijn handen. Het is zwaar. Het begint hard te regenen. Het water loopt via mijn nek naar mijn schoenen. Op mijn benen voel ik allerlei ongedierte en het steekt en het prikt. Ik weet niet hoe lang ik er over doe, maar ik sta eindelijk beneden. Ik hoor water. Ik ga liggen en ik kruip er heen. Het is koud en ondiep. Ik vul mijn waterfles. Aan de overkant komt een enorme kat uit de struiken. Ik hou me stil. Ik ga liggen. Hij komt dichterbij. Snuffelt aan mijn hoofd. Het kan met een enkele hap afgelopen zijn. Maar dan draait hij zich om en vertrekt. Mijn lijf trilt van deze ontmoeting. Ik kan amper ademhalen.
Toch moet ik verder. Tijd om te klimmen. Een moeizame tocht omhoog, langs rotsblokken. Ik word opengetrokken als een blikje. De pijn is hels. Ik sta boven. Is dit het Franciscuspad? Het zou kunnen. Kletsnat van het zweet ga ik linksaf het pad af naar beneden. Ik hoop een boerderij te vinden. Ik heb dringend hulp nodig. Maar ik wil niet in het donker aankloppen. Ze zullen me neerschieten. Ik wacht op het eerste licht.
In mijn rugzak zit de schedel. Ik moet een manier zien te vinden om Yemara, die ziek is, toch te spreken. Want als Yemara er niet is, zullen ze mij voor een vijand blijven aanzien.
Ik ben dom geweest.
Ik strompel over het pad. Mijn voeten zijn opgezet en zo gezwollen dat lopen amper mogelijk is.
Er ploft iets naast me. Met mijn handen tast ik de bodem af. Ik vind iets dat op een pijl lijkt. Er zijn hier wel stammen die de pijlpunten dopen in de curare, gif. Ik maak hier weinig vrienden.
Na uren lopen bereik ik een huis. Ik kan de contouren zien in het eerste daglicht. Ik val op mijn rechterzij. Ik kan niet meer staan van vermoeidheid. Ik hoor dat iemand aan komt rennen.“Yo necesito ayudo,’ fluister ik.
Een aantal weken geleden kreeg ik dit fraaie boekje over de tragische geschiedenis van Annechiena. De mooie tekst is opgemaakt met fraaie met de hand geknipte illustraties. Kijk op de website van de Creatieve Brief voor verdere informatie.
De kunstenaars zijn Marius de Schaar en Leontine Wagter. De website is: www. de creatievebriefnl.
Schrijfchallenge Prompt: Onder de radar, juli 2025
Ik deed mee, met 200 anderen, aan de juli schrijfchallenge van Prompt. Het thema was: Onder de radar. In deze Prompt krijg je een opdracht, en je hebt een dag om deze te maken. Ik publiceer nu mijn delen. De link naar de website van Prompt is: http://www.prompt-schrijven.nl. Kijk daar even, misschien wil je een keer meedoen?
Deel I Naar de top van de Buraga
Nog tien meter tot de top van de Buraga. Stof. Stenen. Hitte. Als ik boven ben, kan ik het linkerpad nemen, het ezelpad, dat leidt naar de Chicao, de paarse rivier en het mangrovebos. Ze zullen denken dat ik het rechter pad neem, het Franciscuspad. Het ezelpad is onmogelijk. Ik hoor ze schreeuwen. Iedereen weet dat deze vulkanische heuvel een mensenvreter is. Niet hoog, wel dodelijk. Diepe ravijnen. De top. De banden van mijn rugzak schuren in mijn schouders. Blaren op mijn voeten branden. Ik heb een diepe snee in mijn bovenbeen. Zweet druipt in mijn ogen. Ik ga het pad op. Het gaat steil naar beneden. Rotsig. Metershoge planten, spinnen. Het wordt donker. Mistflarden hangen laag door het bos. Gekrijs van apen. Donker. Zo snel gaat het. Nu moet ik stil blijven. Als ik val, val ik in de Polibra, de ijskoude rivier. Ik hoor schoten. Honden blaffen. Angst in mijn aderen. Stil nu. Het is 19.00 uur. Nog een halfvolle batterij. Maar geen bereik.
De school wordt grondig verbouwd. Overal lawaai, bouwvakkers. Lokalen die gestript zijn.
Tien docenten van diverse vakken zitten bij elkaar in een oefenruimte voor het bakken van taarten en koekjes. Op het programma staat de rapportvergadering. Tweede en derde klas.
Buiten is het gruwelijk heet. Binnen staat de airco te blazen. De docenten bespreken de warmte- problemen die ze thuis ervaren. Plakkerig.
Eén voor één worden de leerlingen besproken. Ook de motivatie en het gedrag komt aan de orde. De meesten worden bevorderd, een enkeling blijft zitten. Zitten blijven heeft nooit de voorkeur van de docenten. De mentor vraagt bij een meisje een stemming aan. We moeten individueel onze keuze laten weten: zitten blijven of doorgaan met het risico op een te grote achterstand. Er is een regelement en dat zegt : met twee keer een vier geen overgang. Toch wordt ons om een stemming gevraagd. Het meisje blijft zitten. Zielig, maar het is niet anders.
Een rapportvergadering heeft een formeel karakter. Er wordt tempo gemaakt. We zijn snel klaar.
Ik spreek de docent tekenen. Hij is ook beeldhouwer. Heeft een mooi beeld van een meisje gemaakt met grote laarzen, dat bij Edam op een dijk staat. Ik laat mijn eigen tekeningen zien. Hij is onder de indruk. Hij is gelukkig met zijn beeld Veenus, maar nog gelukkiger met het feit dat zijn geliefde weer beter is.
Buiten. De zon brandt hard. De hoogste stand is aangezet. Ik spreek een bouwvakker. ‘Ja,’ zegt hij, ‘op de steiger is het wel heel warm mijnheer.’ Hij moet de nieuwe klimaatbeheersing ophangen en eerst dikke gaten boren in de schoolmuur.
Op het station zie ik een paar leerlingen met hun fatbikes. Ze spreken me aan. Ze gaan met de fiets naar Castricum. Best pittige gasten in de klas. Ik zeg dat we hun rapporten hebben besproken. Ze zeggen niets te vrezen. Ze willen instappen, maar de conducteur doet moeilijk. Ze moeten er weer uit. Luid protesterend.
De schatjes. Nu moeten ze fietsen, maar ja, ze zijn sterk en ik ben trots op ze.
Het GVB staat voor Gemeentelijk Vervoer Bedrijf. Een heel oud bedrijf met een echte Amsterdamse cultuur, hoewel de meeste bestuurders van de trams innmiddels in Almere en Purmerend wonen. Rond het millennium trad ik in dienst en werd ambtenaar, commies B.
De jongeman met krulletjes en een studentikoos brilletje, wees mij op mijn nieuwe werkplek. Ik zag een bureautje bedolven door papier en rommel. Daarachter school een piepklein verstoft computertje dat misschien al een jaar niet was gebruikt. Onder het bureau lag een stapel vieze borden en kopjes. Ik begon direct met opruimen. Mijn werkplek grensde aan het bureau van een piepkleine secretaresse die de opdracht had om data van formulieren over te tikken. Ze deed het zonder klagen. Haar bureau is volgebouwd met een spiegel en knuffelbeesten. De secretaresse was vaak nogal uitdagend gekleed, viel me op. Ze was wel aardig en ze keek soms heel verdrietig en vermoeid.
We zaten in een enorm grote kamer met ongeveer 15 bureaus. De omlijsting van de stoffige ramen waren donkerbruine balken. Er speelde doorlopend een jengelende radio. Het was de tijd van de milleniumbug. Shania Twain zong: That don’t impress me much. De jonge vrouw tegenover me steekt haar rode nagels uit. ‘Kijk eens nieuw kleurtje!’ kirt ze. ‘A. vindt ze ook mooi!’ Ik knik schaapachtig terwijl ik een stap paperassen bestudeerde die ik moest optellen of zo.
Plotseling werd de afdeling stil. De dikke man die achterin zat, die met de vissenogen, hield een formulier omhoog. Hij moest controleren voor het werk van de medewerkers in het systeem verdween. ‘Welke lul hep dit gedaon?’ riep hij hard. Iedereen zweeg. Maar een andere medewerker krijste terug: ‘Wil je geen woorden in de mond nemen die je in de hand moet houden?’
Zelf hield de medewerker zich bezig tijdens werktijd met de handel in aandelen. Hij deed dit met medewerking van zijn vrouw. Hij belde haar en als ze het niet goed deed, riep hij hoorbaar: ‘Wat ben je aan het doen, zuignap?’
De studentikoze leidinggevende kondigde aan dat hij met vakantie ging. De week daarna zochten we een stuk voor de verwerking van de data. Iemand zei dat het in de kast van de baas moest liggen. We vonden een sleutel en openden de deur. Er schoof een lawine aan opgeopende brieven naar buiten.
Het leek de dames van de afdeling leuk om sushi te maken op de afdeling. De chef gaf altijd het goede voorbeeld door in de week voor kerst zijn fonduepan mee te nemen. Op de vensterbank stond de koffiepot eeuwig te pruttelen. Dat mocht niet, maar we deden het toch. Op een dag lagen er formulieren te dobberen in de koffiedrab, want hij had gelekt.
De dames die aan mijn blok zaten, schaamden zich nergens voor. Op een warme middag bespraken zij wanneer en hoe ze hun hoogtepunten beleefden. ‘Ik kom heel moeilijk,’ zei de secretaresse. De kleding werd ook steeds schaarser. Een gast die ik aan mijn tafel uitnodigde zette grote ogen op: ’Sjeezus Sjoerd, waar zit jij naast?’
Als het betaaldag was, werd het spannend. Ik nam op: ‘U heeft een probleem,’ zei een donkere stem, zonder zich voor te stellen. Ik had veel te maken met ene J. een werkleider op de afdeling metro. Hij begreep meestal niet waar mijn vraag over ging. Hij keek depressief.
Ons raam keek uit op de Prins Hendrikkade. Achter me zat een jonge vrouw die zich nogal ouwelijk en tuttig kleedde. Ze had een vent bij het bedrijf die minstens 30 jaar ouder was. Nou ja, als ze maar gelukkig was. Ze deed naar en zelfs agressief tegen me. Bedreigen was normaal van uit het personeel naar ons. ‘Ik neem straks Clyde mee,’ zei een bestuurder door de telefoon. “En dan kom ik naar je blauwe ogen kijken.’
Een collega stelde voor om onze open deur te blokkeren met een lage kast. Dat leek de chef een goed plan. Rechts van mij waren de postvakjes. Ik wierp er zaken die volgens mij onoplosbaar waren en waar ik al heel veel tijd in had gestoken om erachter te komen wat ik er mee moest.
Op een dag kwam de chef van de chef op de afdeling. Met plechtige en driftige stem zei hij dat hij de secretaresse liet overplaatsen omdat ze niet op de juiste manier haar particuliere ziektekostenverzekering had opgegeven. Volgens hem fraude. Ik twijfel daar tot op de dag van vandaag aan. Ik denk niet dat de secretaresse daar toe in staat was. Ik nam af en toe jus d’orange voor haar mee, die ik kocht bij een bakkerij op de Nieuwmarkt. Ze zag zo bleek en vaal. Ik had met haar te doen.
Een man hield me even tegen terwijl ik onderweg was naar de gefabriekte balie. ‘Je moet even kijken naar mijn nieuwe huis.’ Hij vouwde een kaart uit waarop hij aan het tekenen was. Dat dit tijdens werktijd was, was me al vaker opgevallen. ‘Hier komt de douche,’wees hij en ‘hier de trap.’ Ik knikte en zorgde snel dat ik wegkwam.
Er belde een man waar ik stiekem om moest lachen. Hij had het steeds over de slipjes, in plaats van over de loonstroken.
Als het payday was, ontplofte de telefoon. Dan gingen er minstens vijf lampen op mijn toestel branden. Soms, voor dat de balie er was, stonden er soms mensen naast mijn bureau.
De chef nam nog twee jonge meiden aan. De ene was een Braziliaanse, erg mooi, maar erg lui en de ander was blond en knap. Ze maakte zeker tien keer per dag de grap: ’Je hebt kleine beren, grote beren en masturberen.’
Ik maakte soms een wandeling door het gebouw om aan de heftige werkdruk te ontsnappen.Ergens beneden zat een boekhouder met zijn benen op tafel. Soms moest ik naar hem toe om een voorschot rechtstreeks te laten boeken. Hij keek dan echt misdadig of ik een verkeerd voorstel deed. In het gebouw waren veel deuren. Achter die deuren onzichtbare medewerkers. Sommigen wandelden graag met papier onder hun arm op de gangen. Ook een functionaris bij ons op de afdeling deed dat. Zijn vrouw was bij het bedrijf integriteitsfunctionaris. Maar op een ochtend zag ik zijn grote hand toch echt op de mooie strakke billen van de Braziliaanse rusten.
De chef bleek toch erg lief te zijn. Hij vertelde hoe hij gehuild had toen ereen hond onder zijn bus kwam. Hij was voorheen chauffeur. Op een middag voor kerst, toen het zachtjes sneeuwde kwam er een telefoontje van een mevrouw die geen geld had ontvangen. Daar bleek zij wel recht op te hebben. Niemand kon haar helpen, iedereen was weg. De chef wist geld uit een kluis te kletsen bij een achtergebleven functionaris. Een prima actie.
Ik kreeg een vreemde brief in handen. Waarschijnlijk niet voor mij bedoeld. Een veroordeelde medewerker werd weer in dienst genomen. Hij had een vakantiehuis in Italië en voor de verbouwing daarvan had hij spullen uit het metrodepot meegenomen, onder andere een armleuning, zoals die in de metrogangen zitten. Uit de muur geschroefd.
Soms gingen we met de afdeling tussen de middag saotosoep eten op de Zeedijk. Dat duurde natuurlijk veel langer dan een half uur, maar niemand die dat een probleem vond. Je krijgt je poen toch op je rekening? Amsterdamse humor: ik kwam eens binnen met een overhemd met ruitjes toen iemand zei: ‘Ga je glazen wassen?’
Toen ik pas binnen het bedrijf was, hebben we een zeker mijnheer Vos met overlijden gemeld. Dat was de verkeerde mijnheer Vos. ‘Dat is die dooie!’ riep de oudste medewerker. Na twee jaar raar en onfatsoenlijk gedrag te hebben getolereerd stortte ik in. Ik diende mijn ontslag in. Het was teveel geweest. Uit schaamte heb ik hier 25 jaar lang over gezwegen.
Lang geleden. Mijn vader zit naast me en haalt een oud boek uit de kast. ‘Dit is Dik Trom,’ zegt hij. Hij sloeg het open en las een stukje voor. Het ging over een dik, stout jongetje.Op het plaatje zat het kereltje achterstevoren op een ezeltje.
Ik was wel nieuwsgierig naar de ervaringen en probeerde op school zo goed mogelijk de les te volgen. Thuis oefende ik ook op de letters. Tot verbazing van mijn moeder kon ik al heel snel lezen.
Ze nam me mee naar een boekwinkel. Ze gaf me een boekje dat: In de soete suikerbol heette. Het ging over een bakker die een oliebol moest bakken voor een koning. Als ik het uithad, mocht ik een nieuw deeltje uitzoeken.
Mijn ouders waren, zonder dat ze zich er echt bewust van waren, ambassadeurs van het lezen voor de kinderen. Ze sleepten boeken aan die ze zelf gelezen hadden. Ze lazen voor en mijn vader viel dan vaak in slaap tijdens het lezen.
Maar hoe dan ook, het lezen werd een prettige, leuke belevenis. Daarom ben ik ook op latere leeftijd een lezer gebleven. Omdat het plezierig was en bleef.
Nu we in een tijd van ontlezing leven, wil ik dan ook de nadruk leggen op het plezier van lezen voor leerlingen in de klas. Als ze er plezier aan beleven, gaan ze misschien zelf eens een boek pakken. Een boek dat bij ze past, bij hun leeftijd, hun wereld, hun overtuiging.
Ik wil de verplichte leeslijst niet helemaal afschaffen. Die vind ik belangrijk voor cultuuroverdracht. We kunnen vertellen over boeken, moeilijke boeken van nu en die van gister of van lang geleden. We kunnen er stukken uit lezen of voorlezen, maar we moeten oppassen dat we onze lezers niet kwijtraken.
Ooit heb ik meegedaan aan project namen en nummers. Dit is een herdenkingsprogramma voor holocaustslachtoffers. Je kunt het vinden op www.namenennummers.nl. Ik schilderde een bordje voor een meisje uit de gemeente Alkmaar. Zij heette Engeltje en is met haar familie in 1943 weggevoerd naar kamp Sobibor en daar op de dag van aankomst vermoord.
Engeltje woonde in een rustige straat in het centrum van Alkmaar. Voor de deur liggen nu vijf herdenkingsstenen. Eentje voor haar vader en eentje haar moeder, een voor haar zelf en twee voor haar broers.
Ik heb ter herinnering een gedicht over de familie geschreven dat ik hieronder zal plaatsen.
Op 27 april 2010 sloten we ons huwelijk in het kerkje van Groet. We kenden elkaar toen drie jaar en het waren drie jaren met een lach en een traan. Daarom dacht ik dat het misschien een goed idee zou zijn om een mooi feestje te gaan vieren. Omdat we voor de grap vaak tegen elkaar zeiden: ‘later als we groot zijn, gaan we trouwen’, gaf ik Anja op Valentijnsdag, 14 februari 2009, een kaart waarop stond: ‘zullen we volgend jaar groot zijn?’
Ik hoefde niet lang te wachten op een antwoord. En ruim een jaar later was het zover. Ik koos voor 27 april aan de hand van een heiligenkalender. Op die dag stierf de heilige Luca. Ik ben in het geheel niet rooms, maar het verhaal van Luca die streed voor de armen, sprak me aan. We besloten ook naar Toscane te gaan na de bruiloft, naar het dorpje waar Luca vandaan kwam.
Het was een stralende, zonnige dag. Nog wel fris, maar de lucht was blauw. Zoals het hoort op een trouwdag. In alle vroegte verliet ik het huis om in mijn kostuum te worden geholpen. Het was de laatste keer dat ik een pak droeg, besef ik nu. Mijn moeder hielp me met de verschillende onderdelen. De stropdas, het hemd, de knopen. Ga er maar aan staan. Mijn lief werd op hetzelfde moment in haar oogverblindende witte jurk geholpen.
Mijn vader haalde het bruidsboeket op bij de bloemist. Maar terwijl hij dit deed, probeerden twee mannen op een scooter de naastgelegen ING bank te beroven. En terwijl hij stond te wachten op het boeket, werd hij onder schot gehouden met de armen in de lucht. De bloemist was ook erg van slag door dit gebeuren en daarom hing er één bloem enigszins half buiten het boeket. Op de trouwfoto’s is dit goed te zien.
Toch stapten we opgelucht in de witte, open kever en lieten ons als filmsterren fotograferen. In de Hekelstraat en op het Kooltuintje. Dit grenst aan de beruchte Achterdam en daarom zijn op sommige foto’s rode gordijnen van de dames te zien.
Door naar het strand van Egmond. Wind in de haren. Andere schoenen aan. Naar de branding. We werden omringd door Duitse toeristen die ons fotografeerden.
Op een zeker moment kwam er een bekende Egmonder met een donker paard aan. Het paard hapte naar het toch al gehavende boeket. ‘Dat vindt hij lekker!’ riep de fotograaf.
Op onze tocht werden we vergezeld door mijn nichtje Isa, ze was toen zes jaar en droeg een wit jurkje.
De reis ging verder naar het dorpje Groet voor de ceremonie in het Witte Kerkje. We zijn getrouwd voor de gemeente Bergen. Die heeft nog meer aan ons verdiend door een flitspaal die langs de weg van Schoorl naar Bergen stond. Veel van onze gasten zijn daar al voortijdig op de foto gegaan.
Om een uur of een gaven we het ‘ja-woord’. Dat was uiteraard een ontroerend moment.
De trouwerij die ik eerst in mijn hoofd had, was klein. Het werd echter steeds groter, compleet met pak, feest en bruidstaart. Die taart werd tijdens de middag niet naar restaurant de Bokkesprong gebracht, maar naar een kerkje in Bergen aan Zee. Er gaat weleens iets niet zo als gepland. Toch kwam het gebak uiteindelijk weer op de juiste plek.
Na de plechtigheid vertrokken we naar restaurant de Bokkesprong in Groet. Wij uiteraard in onze luxe kever. Het gezelschap over een duinpad met mul zand naar het dorp. Niet geschikt voor nette schoenen eigenlijk.
Die avond hebben we daar van een diner genoten.
Nu heeft de dag, de 27e april, een koningsdagkleur. De roodwitblauwe vlaggen hangen dan uit en ik heb altijd het gevoel dat ze ook voor ons uithangen. Het geluk van die dag is altijd in ons huwelijk gebleven.
In Scheveningen staat een gevangenis. De bijnaam van deze gevangenis was: het Oranjehotel. In de Tweede Wereldoorlog werden hier door de Duitse bezetter verzetsmensen, Joden en communisten opgesloten en gemarteld.
We schuifelen door de gang van de gevangenis. Langs de kruizen van de executieplek.
De meeste deuren van de strafinrichting zijn dicht. Door een luikje kun je naar binnen kijken. Het zijn kleine hokken, van beton. Hoge lichtvensters, traliewerk.
Het drama is weggestuct. Geen teksten meer te zien. Glanzende witte muren.
De artiest Drs. P. zat hier ook. Had een onschuldige grap over Hitler gemaakt.
Extreemrechtsen hebben moeite met geintjes.
Cel 601 is nog zoals het was. De originele cel.
Een bed, een tafeltje. Op dat bed mocht de terdoodveroordeelde niet zitten. Aan het tafeltje
mocht hij een afscheidsbrief aan de familie schrijven.
Hoe lang kun je wachten op je eigen dood?
De wanhoop klopt op de muur.
In de ochtend zijn er harde stemmen gekomen.
De veroordeelde wakker geslagen. Door de gang geschopt.
Naar het poortje.
Het poortje dat er nog is. Een groene poort.
De poort is de toegang naar de dood. Naar de Waalsdorpervlakte, de executieplaats in de duinen.
Dit alles is zo afschuwelijk en onrechtvaardig dat het schrijven erover bemoeilijkt wordt.
Toch wil ik dit naar buiten brengen. Tegen onrecht, tegen ongenuanceerd denken,
tegen humorloosheid.
Als je voor de poort staat en je draait een kwartslag naar rechts, kijk je naar de duinen, naar de zee, naar de oneindige wolken, de horizon, waar vrijheid en liefde spiegelen boven het water.