Mijnheer Oplawaai en het spook

kunstwerk uit depot museum Boijmans van Beuningen Rotterdam 2022

Mijnheer Oplawaai was een nuchter man met een degelijke blik op

de dingen. Zo liep hij over straat, zo was hij thuis als hij aan het

klussen was. Hij hield van klussen en vogelhuisjes timmeren. Vandaag

was hij er eentje aan het verven. Het dak kreeg een mooie rode kleur.

Hij werkte ook nog weleens laat door, in zijn werkruimte. Zijn zieke

vrouw lag dan op bed en ze had er geen moeite mee dat hij zo’n

nachtuil was.

Zo ook vandaag. Mijnheer Oplawaai voelde zich goed. Hij dacht aan

Xandra, die hem een warme blik had gegund. De radio speelde een

zacht liedje.

Het was al donker buiten. Plotseling zag hij een schaduw op de muur

die zijn tuin omringde. Hij legde zijn kwast neer en opende de

deur.Het was een warme, stille avond. Hij stapte naar buiten en

zag de schaduw weer. Die schaduw had het silhouet van een mens.

Gezien de lengte en de randen van het hoofd en haar, zou het een

vrouw of een kind kunnen zijn. Mijnheer Oplawaai riep hard: ‘Hallo!’

Maar niemand antwoordde. De schaduw bewoog over de muur,

dansend. Hij kon nu armen en benen onderscheiden. Het was een

magisch gezicht, maar ook huiveringwekkend. Hij keek omhoog of

iemand schaduwen aan het maken was. Boven hem was niets te zien.

Alleen het dak en donkere ramen.

Mijnheer Oplawaai liep naar de muur en betastte het steen . De

schaduw was verdwenen. Maar toen hij zich omdraaide, zag hij van

buitenaf, in zijn werkruimte, een vrouw in een bruidsjurk staan. Ze

was, blond, jong en ze leek precies op zijn vrouw, toen die jong was.

Ze zag hem niet, maar schikte haar haren. Irene was betoverend

mooi.

Hij rende de ruimte binnen, maar ze was al weg. Mijnheer Oplawaai

zocht de gehele werkplek na. Hij opende kasten en keek onder de

tafel, maar hij zag niets. In ieder geval geen spook.

Wel ontdekte hij op de tafel een ring van goud. Een trouwring. Toen

hij in de ring keek, stokte zijn adem, want het was zijn trouwring. De

ring die hij zeker al veertig jaar geleden was kwijtgeraakt, vlak na de

huwelijksreis. ‘Irene’ stond erin. Hij kreeg het warm.

Hij hijgde de trap op naar boven en maakte zijn Irene wakker. ‘Kijk

eens wat ik gevonden heb!’riep hij. Zij keek slaperig om haar heen.

‘O, je trouwring,’ zei ze. ‘Waar kwam die nou vandaan?’ ‘Lag in mijn

werkschuur.’

‘En dat al veertig jaar,’ zei ze. ‘Veertig jaar geleden woonden we hier

nog niet,’ bromde hij.

En ze hield zijn hand vast en schoof de ring om zijn vinger. Een koude

tochtstroom ging door de kamer en deed de zware gordijnen zachtjes

wiegen. De verlichting knipperde en het fotoportret van zijn

overleden moeder stortte met een klap van de muur.

‘Je moeder dondert naar beneden,’ lachte ze. Hij raapte het fotootje

op. Op de foto keek ze nog strenger dan in werkelijkheid. ‘Ik ben blij

dat ik niet naar haar geluisterd heb en gewoon met jou gegaan ben,’

fluisterde hij.

En ze kusten als twee jonge geliefden.

Herfst in Enkhuizen

Licht gaat al aan

in de huizen

van Enkhuizen.

Herfst in Enkhuizen

de zeilen van de boten zijn gevouwen

de mensen al wekenlang verkouden.

Dikke jassen, harde wind,

weet waar je aan begint,

hap een haring bij de kar,

met je haren in de war.

En als dat niet waar is, hoor

de klokken van de Drommedaris.

In de Drie Groene Eikels, in de Hoerejacht, Hennegat en Vette Knol, Tussen hel en vagevuur,

in de stegen van de stad, na het het vallen van de avond ritselt ereen rat

ruik je de rook van de paling en de vis die is er duur

lijven ongewassen met uitjes en met zuur

dit is de duisternis na het luiden van de klok en alle stoute kippen gaan weer van hun stok.

Als het maar droog wordt,

want het regent

druppels in mijn nek,

op mijn bril een mistige vlek.

Alles voor jou, zomer en winter,

warmte en kou.

Ik zit op de leugenbank

aan het IJsselmeer

water speelt met schuim

jij bent al lang niet hier,

ik ben aan mijn tiende bier,

Sophie.

In de Drie Groene Eikels, in de Hoerejacht, Hennegat en Vette Knol, Tussen hel en vagevuur,

in de stegen van de stad, na het het vallen van de avond ritselt ereen rat

ruik je de rook van de paling en de vis die is er duur

lijven ongewassen met uitjes en met zuur

dit is de duisternis na het luiden van de klok en alle stoute kippen gaan weer van hun stok

Herfst in Enkhuizen

licht gaat al aan in de huizen van Enkhuizen

’t carillon van de Zuidertoren galmt over het water.

Het wordt donker en snel later

brandweer raast naar de brand,

in Sprookjeswonderland.

Sophie, je nam de boot naar Stavoren

vijftig jaar geleden, een foto van twee bij drie

dat is wat ik van je heb, Sophie,

vergeeld als de bladeren aan de bomen.

Enkhuizen in oktober,

om van jou te dromen.

In de Drie Groene Eikels, in de Hoerejacht, Hennegat en Vette Knol, Tussen hel en vagevuur,

in de stegen van de stad, na het het vallen van de avond ritselt ereen rat

ruik je de rook van de paling en de vis die is er duur

lijven ongewassen met uitjes en met zuur

dit is de duisternis na het luiden van de klok en alle stoute kippen gaan weer van hun stok

Bij vishandel van der Veen

staat een reiger op één been

te wachten op zijn snack

brutale ogen, grote bek.

Toeristen zijn allang verdwenen

en ik heb dikke zware benen.

Ik wacht op het wonder

van je thuiskomst, Sophie,

hier in de haven, dicht bij mij.

Ik heb een huis aan de Noorderkade,

kom terug, neem me in genade

je vindt me in café de Bok,

voor een allerlaatste slok.

Herfst in Enkhuizen,

gelach klinkt uit een kroeg

de mensen gaan naar bed, ook al is het nog te vroeg.

Maar het is kil en nat

en een eikel

heeft mijn portemonnee gejat.

Herfst in Enkhuizen,

het licht gaat uit

in de huizen van Enkhuizen

de netten van de vissers van de EH2 zijn binnen

een ieder gaat beminnen

zoals jij en ik. Sophie.

Ik mis je.

In de Drie Groene Eikels, in de Hoerejacht, Hennegat en Vette Knol, Tussen hel en vagevuur,

in de stegen van de stad, na het het vallen van de avond ritselt ereen rat

ruik je de rook van de paling en de vis die is er duur

lijven ongewassen met uitjes en met zuur

dit is de duisternis na het luiden van de klok en alle stoute kippen gaan weer van hun stok.

Thuiskomen in een vrij land

Deze week was het nat ende vochtig. Op woensdag leverde ik mijn zoon af bij de pingpong en dook de bibliotheek in, want als het donker en druilerig is, is de bieb een aangename literaire herberg zonder de verplichting van de consumptie. Het zaaltje was vrijwel verlaten en er waren enige medewerkers aan het overleggen voor een bijeenkomst met tieners. ‘Welke film zullen we nemen?’ hoorde ik een jonge vrouw vragen. Ik pakte ondertussen op goed geluk wat boeken uit de rekken. Een daarvan bleek een werk van Auke Kok met de titel: 1936. Het vertelde over atleten die naar een sportwedstrijd dachten te gaan, maar ongewild in Hitler’s propagandamachine terechtkwamen. De bokser Ben Bril bleef thuis. De foto’s lieten de trotse führer zien die als een pauw over de sintelbaan paradeerde. Nu had een van de sporters toe kunnen slaan. Bijvoorbeeld met een speer, een kogel, een discusschijf. Het had een ongeluk kunnen lijken. ‘Sorry, ik had de speer niet onder controle.’ Maar niemand deed iets. Zo jammer voor de geschiedenis en de wereld dat die kwaadaardige geesten hun verderfelijke gang konden gaan.

Toen ik de bladzijde omsloeg, viel er een blaadje uit. Het was een oude boardingpass. Vlucht HV…..  met stoel 25 F.  Naar Barcelona. De naam stond op die van ene mevrouw LW.  

Had mevrouw LW dit boek mee op haar trip naar Spanje? Op internet had ik haar in twee seconden gevonden. De foto toonde een vrolijke jonge vrouw aan een strand. Maar kennelijk las ze daar ook over de misschien wel donkerste Olympiade uit de wereldgeschiedenis.

Ik keek naar buiten, het water gutste van de biebramen, zoals het hoort bij een avondje in de bibliotheek. Ik wandelde de trap op naar boven en daar was het druk. Er werden taalcursussen gegeven.

Dat was me teveel lawaai. Het moet stil zijn in de leeszaal. Als in een klooster. Ik liep naar buiten en hoorde zacht iets vallen. Later bleek dat dat de sleutel was van het slot waar ik de fiets van mijn zoon mee aan het hek had vastgemaakt, waardoor wij nogmaals door de nattigheid terug moesten fietsen. Naar de bibliotheek. En ja, een medewerker, een jongeman, had de sleutel gevonden en in een laatje gestopt. Oef. Opluchting.

Dus mijn zoon achterop de fiets en ik stevig trappen. Onderwijl dacht ik aan de jonge vrolijke vrouw met haar sombere boek. Kun je op een vrolijk strand onder een stralende hemel lezen over nazi’s en hun holocaust? En hoe beleef je plezier aan een verhaal over oorlog, oorlogsdreiging en ethische dilemma’s zoals wel of niet verschijnen op het fuifje van de tiran?

Dat kan, zeker. Juist, omdat je je dan extra goed realiseert hoe prettig het is onbekommerd in de zee te kunnen duiken, je te bewegen waar je wilt, te denken wat je wilt, onder de Spaanse zon. Het donker geeft het licht een extra perspectief.

En zo is het ook met thuiskomen met de verloren sleutel na een tergend zeiknatte tocht door het duister. Pas dan is thuiskomen heel erg heerlijk. Net als thuiskomen in een vrij land.

Ogenblik

Mijnheer Oplawaai ging rechtstreeks van zijn kantoor naar de repetitie van de harmonie, waar zijn saxofoon op hem wachtte. Hij keek elke week uit naar de oefening, hoewel hij het repertoire de laatste jaren minder vond worden. Teveel gekozen op succes, omdat de kas gevuld moest worden.

Tussen kantoor en oefenruimte stond hij even stil bij zijn favoriete eethuisje Egypt Eat. Het was een rustige plek en hij herkende Joesoef, de eigenaar. Hij bestelde een bord falafel met frietjes. ‘Alstoeblief,’ zei Joesoef en hij stak een kaars aan met zijn aansteker. ‘Knokloof bij?’ Hij keek droevig naar buiten. Donkerbruine ogen boven een zwarte druipsnor. ‘Regen, is nie goe nie.’ Mijnheer Oplawaai keek met hem mee. De straat was gehuld in dikke regenslierten. ‘Goed voor de natuur,’ dacht hij, maar hij zei niks. Ook niet over de knokloof.

Een uurtje later zat mijnheer Oplawaai bij de harmonie tussen de muzikanten. Gewone mensen, bakker Henk, slager Jeroen (maakte goeie worsten) en meester Emiel.

Ze speelden alweer Sweet Caroline. Een fanfarenummer, hij zocht iets beters. Toch pakte hij zijn sax, sloeg het muziekstuk open en blies het riedeltje. De dirigent sloeg af. ‘Te langzaam,’ sprak hij met gespeelde ergernis. Hij tikte en daar speelden ze weer. Snel was het pauze.

Hij dronk zijn koffie en meester Emiel stak een verhaal tegen hem af over de jeugd van tegenwoordig. Mijnheer Oplawaai deed niet eens of hij luisterde. Hij roerde de melk in zijn kopje en keek langs de grote kolenschoppen van Emiel. Zijn ogen dwaalden door de zaal en hielden stil bij die van Xandra, de nieuwe slagwerkster. Vanachter haar drumstel keek ze hem lang aan. Hun blikken troffen elkaar op zeker tien meter afstand. Zij lachte er niet bij en mijnheer Oplawaai lachte er ook niet bij. Het was liefde in de verte. Liefde zonder een woord te zeggen, liefde zonder een wenkbrauwspier te verrekken of maar een vinger op te steken. Mijnheer Oplawaai was volkomen verrast door hun intieme oogcontact. ‘Vind je ook niet?’ hoorde hij Emiel zeggen. ‘Ja, ja,’ zei hij. ‘De jeugd, dat is niet normaal zeg.’

Ze speelden weer verder. Mijnheer Oplawaai durfde niet naar het slagwerk te kijken. Hij nam een biertje na de repetitie en zag Xandra vertrekken. Ze droeg een lange staart en een kort geruiten blauwe jas. Hij nam ook de bus en in de kringen stoom op de ruiten zag hij keer op keer haar donkere ogen verschijnen.

Mijnheer Oplawaai voelde zich gevleid, want hij was een enigszins mollige heer, een kantoorpiefje, met een grijze baard die zijn pensioen naderde en Xandra een enthousiaste ritmische vrouw nog halverwege de dertig. Was zij getrouwd? Hij had geen enkel idee.

Hij stapte uit en nam zich voor Irene niets over het voorval te vertellen. Ze was de laatste maanden ziek en het ging niet goed met haar.

Toen hij binnenkwam lag ze op de bank. Haar gezicht was spierwit. Naast de bank stond een emmer. ‘Had je een leuke avond?’ vroeg ze. Hij knikte. ‘Ik moest aan je denken,’ zei hij. ‘Maar dat hoeft toch niet?’ Mijnheer Oplawaai zuchtte. ‘Het gebeurde, ik dacht aan toen wij elkaar ontmoetten, weet je nog?’ ‘Jij durfde mij niet te vragen,’ lachte ze plagerig. ‘Nee, jij durfde mij niet te vragen.’  Ze zwegen. Dachten aan die ontmoeting bij de botsauto’s. Naast de schiettent.

‘Hoe kwam het dan dat je daar allemaal aan dacht?’ 

‘Zomaar,’ zei hij. ‘Misschien door de muziek. Sweet Caroline.’  Zij begon te zingen en het klonk vals en ze lachten allebei hard. En ze kusten.

Vandaag in ROdi media een stukje over mijn boek over IJSbrand nobel, Alkmaars piraat

ALKMAAR/HEILOO – De regio Alkmaar is rijk aan verhalen uit het verleden. Historische gebeurtenissen waar veel mensen geen weet van hebben. Schurkenstreken die zo boeiend zijn, dat ze wel móeten worden verteld. Zo gebeurde vier eeuwen terug in en rond Alkmaar ook iets heftigs. IJsbrand Nobel werd in 1628 geëxecuteerd wegens het overvallen van kasteel Ypestein en een boerderij in Heiloo. Deze meedogenloze piraat woonde destijds op Verdronkenoord 100. De Alkmaarse auteur Sjoerd van Berkel wijdde er een boek aan. Welgeteld twee, want er is nu ook een manuscript van een fictieve toevoeging.

Door Arjan Hoogvorst

Vanzelfsprekend is de afspraak voor interview en foto dan ook voor datzelfde historische pand, waar talloze passanten dagelijks nietsvermoedend langsgaan. “Ooit sierde zelfs een gevelsteen de voorpui, maar concrete aanwijzingen daarvoor zijn in de archieven niet terug te vinden”, begint Sjoerd van Berkel. De belezen Alkmaarder is drie dagen per week leraar Nederlands in Amsterdam en wijdt een groot deel van zijn vrije tijd aan regionale geschiedschrijving. Op een terras iets verderop verhaalt hij vol bezieling over zijn schrijverspassie.

Landverraad

“De Nederlandse taal en historie hebben mij altijd al gefascineerd, vandaar dat ik al eens een boekje heb geschreven over Hilde, bekend van het gelijknamige archeologische museum in Castricum. Via hun Heilooër collega’s van Baduhenna belandde ik op het spoor van IJsbrand Nobel. Deze rond 1598 geboren piraat sloot zich in 1628 aan bij de Duinkerkerkapers, met wie hij meerdere vissers op de Noordzee overviel.”

Daar bleef het niet bij wat Nobels dadendrang betreft, want de man maakte zich tevens schuldig aan landverraad dat hem uiteindelijk letterlijk de kop kostte.

Zware dobber

“Samen met enkele mensen van Baduhenna diepte ik in het Nationaal Archief in Den Haag historische documenten uit, die vooral juridische stukken bevatten. Die mag je alleen inzien en fotograferen, want alle documentatie mag daar het pand niet verlaten. De archieven daar zijn enorm uitgebreid dus is het zaak je te focussen op concrete feiten, wil je niet verzanden in allerlei randzaken.”

Een gebed zonder end werd het uiteindelijk evengoed wel voor Sjoerd, want geschiedschrijving vormt mede door het haast eindeloze onderzoekswerk een zware dobber. “Al heb ik inmiddels twee historische werken en een fictief verhaal op mijn naam, begin ik er niet zo snel maar aan. Het is monnikenwerk, kan ik je zeggen.”

Spanjaarden

Geholpen door enkele bevlogen hobbyisten die het Oudnederlandse schrift wisten te ontcijferen, werd het Sjoerd stukje bij beetje duidelijk wat IJsbrand Nobel rond die tijd had uitgespookt. “De Spanjaarden wilden destijds maar wat graag Nederlanders die bij hen in dienst kwamen als kapers. Zo was er sprake van een soort gelegaliseerde roof. Zo’n Nederlander was ook Nobel, die met andere piraten schepen veroverde. Daar bleef het echter niet bij…”

Moord en brand

In die dagen hield belangrijk jurist en landheer Bardes kantoor aan het Hofje van Sonoy. Een typische welgestelde, die het zich kon veroorloven een buitenverblijf te betrekken in Heiloo. Nobel kreeg samen met zijn kornuiten het idee om Bardes daar in zijn kasteel Ypestein te ontvoeren. Zodoende meerden de mannen aan in Egmond aan Zee, trokken verder over land naar Heiloo en bestormden het buitenverblijf. Niemand thuis…

“Het was oktober en Bardes bleek al lang en breed weer in Alkmaar te vertoeven. Uit ellende bezochten Nobel en zijn maten een kroeg nabij Ypestein, om hun teleurstelling weg te drinken. Eenmaal ladderzat overvielen ze dan maar de boerderij van echtpaar Dop. Die mensen schreeuwden moord en brand en vooral het enorme gekrijs van mevrouw trok de aandacht, waarna Nobel en handlangers in de kraag werden gevat.”

De rest is geschiedenis. Het heeft bijna vierhonderd jaar later geleid tot de uitgave van ‘IJsbrand Nobel’, een letterlijke hertaling van het uiteindelijke vonnis op naam van Sjoerd van Berkel.

Maria Tesselschade

Daar bleef het echter niet bij. Sjoerd zat helemaal in het verhaal, dat in zijn hoofd allerlei zijwegen vormde. Hij móest er meer mee doen, het een vervolg geven. Aldus geschiedde. “Met het manuscript ‘Nobel’ dat er nu ligt, heb ik er een ander fictief verhaal aan gekoppeld. Beleefd door een jongedame, door wiens ogen de lezer naar het monster kijkt.”

Het draait om de zeventienjarige dochter van Maria Tesselschade, die ooit aan de Alkmaarse Langestraat woonde. “Ietwat gebaseerd op haar verhalen. Die dochter heb ik gekoppeld aan IJsbrand en zo het verhaal in gekregen. Bloedstollend is het, zeer filmisch. Hopelijk krijg ik het uitgegeven…”

Mijnheer Oplawaai op de Prinsengracht

Mijnheer Oplawaai wandelde over de Prinsengracht. Het weer was mooi, de zon scheen, het was half augustus, tegen de avond. Hij kon zich niet gelukkiger voelen dan op deze plek, op dit tijdstip. Er zaten twee gebruinde mannen voor hun deur en die groette hij. Er lieten twee honden een meisje uit en die groette hij ook. Een man die zat te schrijven aan een tafeltje, liet hij met rust.  “Wie schrijft, die blijft, ” dacht hij. Het carillon van de Westertoren riedelde.

Mijnheer Oplawaai betrad de hoofdstedelijke bibliotheek en vroeg naar het werk van Anne Frank, want dat had hij nog nooit gelezen.

“Het dagboek?” vroeg de medewerker.

“Eh..”  zei Oplawaai geschrokken, want hij wist nog niet dat er veel over Anne Frank geschreven was. “Ja,” zei hij beschaamd. “Het dagboek alstublieft..”

Toen hij terugliep met het boek in de tas, zag hij een verzameling mensen opgewonden voor de deur staan. Het waren meest buitenlandse toeristen. Het Anne Frank huis stond er vredig bij. Gewoon een huis net als alle andere huizen. Niet overdreven een symbool tegen vervolging. “Dan heeft het boek toch een grotere functie en een groter bereik,” dacht hij.

“Waar ben je geweest?” vroeg zijn vrouw bezorgd.

“Ik heb een boek geleend..  Anne Frank.. je weet wel.. de onderduikster,” antwoordde hij.

“O Anne Frank,” zei zij. “Was dat niet die zangeres die voor de oorlog zulke grote successen had?’ ‘Je moet het maar eens lezen,” zuchtte mijnheer Oplawaai diep.

Geschreven 16-8-1999

Het verloren telefoonnummer

De boomlange, keurig geklede jongeman stapte uit de laatste trein op Nijverdal. Nu was het nog een stukje fietsen naar zijn afgelegen woning. Het werd al donker, het was eind september. De jongeman wist toen nog niet dat zijn mobiele telefoon was blijven liggen in de trein. Naast de fietsenstalling stond een slank meisje met lang, blond krullend haar.

Ze was een jaar of zestien of zeventien en ze keek geschrokken. Ze wees naar een rek. ‘Hier stond mijn scooter,’ huilde ze. ‘Gejat, gvd!’ De jongeman merkte haar op. Hoewel hij niet een bijzonder inlevend persoon was, bood hij haar direct een lift aan . ‘De banden zijn wel zacht,’ verontschuldigde hij zich.

Toch nam ze het aanbod vloekend aan en ze slingerden weg, langs het spoor.

II

Zij zou hem vertellen hoe hij moest rijden. De tocht ging door een tunneltje en daarna een stukje door een donker naaldbos.  De weg was zanderig en hobbelig.

 ‘Hier links,’ zei ze en ze kwamen langs een heideveld. Hij was daar nog nooit in het donker  geweest, maar vond het nog niet spannend.  Ze reden langs het Buitencentrum van Staatsbosbeheer en langs de schaapskooi. Maar schapen zagen ze niet. Hij vroeg zich af of de wolven hier in de buurt zouden zijn.

Dan de Paltheweg. Rechtsaf naar de Bergweg naar Haarle. Over de hei en landgoed de Noetselenberg. Naar de Grote Koningsbelt.  Dan rechtsaf de Sprokkelweg. En weer naar rechts  de Nijverdalseweg op, richting het dorp Holten. 

Ze reden door en passeerden een schuilhut voor vogelliefhebbers. Het regende zacht. ‘Hier rechts,’ zei ze. ‘Hier bij dit vennetje is heel lang geleden een priester vermoord. Op zijn kop geslagen.’ Ze pauzeerden even. Ze nam een sigaret en stak hem aan. Hij weigerde. Hij vroeg waar ze vandaan kwam. Ze zei: ‘Uit Zwolle, maar nu woon ik tijdelijk in Holten. Tijdelijk.’

Ze reden verder. Hij moest flink trappen. Ze wees een half vermolmde boom aan op een kruising. ‘Een vriend van me heeft hier een einde aan zijn leven gemaakt. Met een touw,’ zei ze. ‘Hij vroeg me nog of ik ook mee wilde doen.’

Er dreef mist over de heuvels en de landerijen. In de donkere lucht klonk het

krijsende geluid van een jagende roofvogel.

Het meisje kletste vrolijk over haar judo en haar blessures en haar telefoon die kapot  was en dat ze een nieuwe zou krijgen.

‘Ik woon in Zwolle, want ik studeer daar civiele techniek.’

‘Echt?’

‘Ja, ik ben het enige meisje.’

‘Is dat niet lastig?’

‘Nee, hoor, dat is prima. En ik hou ervan. Ik heb eerst een technische opleiding MBO gedaan.’

‘Wat voor opleiding?’

‘Weg en waterbouw. Heerlijk vak.’

‘En nu HBO?’

‘Ja, maar ik woon nu in Holten bij een vriendin.’

‘O, is er iets gebeurd?’

‘Het werd me teveel. Dat studeren is best zwaar en ik heb twee ouders waar ik voor moet zorgen.’

‘Zijn ze niet gezond?’

‘Nee, mijn vader is licht dementerend en mijn moeder kan heel slecht lopen.’

Hij vroeg even niet verder. Het trappen kostte hem veel energie.

‘Ik ben junior accountant,’ zei hij. ‘Ik controleer bedrijven of ze aan alle regels voldoen, maar ik geef ook adviezen. Het is een saaie, vervelende baan en dat past bij me

want ik ben ook saai en vervelend. En ik heb een dikke pukkel op mijn neus.’

‘Woon je alleen?’ ging ze verder zonder in te gaan op die pukkel.

‘Ja, ik woon in Nijverdal, alleen, met twee katten.’ Dat was niet waar, het was slechts een kat en een vriendin.

‘O, katten, ik ben gek op katten. Maar:  je rijdt dus nu de verkeerde kant uit?’

‘Ja.’

‘Dus dat doe je voor mij?’

‘Ja, ik laat een vrouw niet alleen staan, want..’

‘Want?’

‘Het is moeilijk te zeggen. Maar een familielid,

een nichtje van me, is op een nacht omgebracht

door een rare kerel.’

‘Zo hee.’

‘Vertrouw je mij wel?’

‘Ja.’

‘Hoe weet je zo zeker dat ik ook niet zo iemand ben?’

‘O, dat zag ik meteen aan je neus en aan je pukkel. Ik doe aan judo en ik leg straatjes aan

bij mensen, als bijbaan.’

‘Je bent sterk.’

‘Dat kun je wel zeggen,’ lachte ze. ‘En ik zag aan jou dat jij geen man bent met harde spieren. Ik zag je handen en ik dacht: daar kun je geen meisje pijn mee doen.’

‘Ik kan wel een mes bij me hebben, of een pistool en een stuk touw.’

‘Dat heb je niet. En dan nog: ik kan heel hard gillen. En ik heb een baco in mijn rugzak. Een zwaar stuk gereedschap. Daar sla ik mee voor je kanis.’

‘Wat is een baco?’

‘Een moersleutel, dat je dat niet weet.’

‘Wie gaat je hier horen meisje? Hoe heet je eigenlijk?’

‘Ik heet Strigida, weet je wat dat betekent?’

‘Nee.’

‘Dat betekent: uil.’

‘Ik heet Meles. Weet je wat dat betekent?’

‘Neuh.’

‘Dat betekent: das. Een diertje dat vooral ’s nachts leeft.’

‘En klopt dat?’

‘Ja, dat klopt aardig. En ik graaf gangen, vind ik leuk.’

‘Ik klauw mijn nagels in de tegenstanders. En in mannen die niet leuk zijn. En dan scheur ik ze aan stukken.’

‘Dus ik moet voor jou oppassen?’

‘Ja.’ Ze grinnikte.

‘Ik vecht ook graag met andere meisjes. Gisteren nog met een lelijk wijf in een dancing. Ze stond op mijn tenen. Expres! Dan ben ik niet zo aardig als nu. Dus ze had een blauw oog en een hersenschudding. Jammer dat ze toen mijn telefoon tegen de muur heeft gegooid. Helemaal verrot. Klere heks.’

En zo spraken zij verder terwijl hij dapper doortrapte en af en toe spijt had van zijn edelmoedige aanbod. Zij klaagde erover dat hij vieze winden liet. Hij zei dat dat kwam omdat hij uiensoep genomen had en dat hij dat niet had moeten doen.

En net toen zij naar zijn darmklachten wilde vragen, kwamen zij bij een open landschap, met een enkele knoestige eik en heidestruiken. Het begon harder te regenen.

Op een splitsing van vier wegen zag Meles een grote boom met drie ferme takken die uit de stam kronkelden als slangen. Achter de boom rees tot zijn verbazing een schaduw op van een briesend paard. Daarop zat een vrouw die een pijl en boog op hen richtte. Zij droeg een lange witte jurk en haar haar werd bijeen gehouden door een doek. Haar gezicht was scherp en strak en zij had een forse neus. Zij keek treurig. Zij zei niets, keek hen aan.

III

Meles, erg geschrokken van de verschijning, wist dat zij nu niets hadden aan de bravour van Strigidae. Wat konden zij doen tegen zo’n pijl? Niets. Hij deed zijn handen in de lucht en riep: ‘Ik geef me over!’

Ook Strigida deed hetzelfde. Maar de vrouw zei niets en het paard brieste. Meles hield niet van paarden. De vrouw liet na enige seconden haar boog zakken en klakte met haar tong.

‘Goodbye!’ zei ze en ze trok aan de teugels. Het paard draaide en zij galoppeerden weg.

Minutenlang stonden de jongeman en het meisje geschrokken naast elkaar. ‘Wie was dat?’ vroeg ze bibberig. ‘Geen idee,’ zei hij. Ik ben me rot geschrokken.’

‘God, ik leef nog,’ zei hij en vouwde zijn handen.

‘Wat doe jij nou?’ vroeg ze.

‘Stil, ik bid,’ zei hij. ‘God bedanken voor de redding.’

‘Schei uit met die flauwekul,’ zei ze hard. ‘God bestaat niet.’

Toen hoorde zij een kermend, piepend geluid als van een gewond dier. Ze stak haar vinger

op. ‘Stil eens! Ik hoor iets vreemds.’  Hij staakte zijn gebeden. Nu hoorde hij het ook. 

Het kwam van links, van achter de boom met de drie takken. Ze liepen er op hun tenen

heen. Het water sopte in zijn schoenen. Ze zagen op ongeveer tien meter daarachter

een waterput. De put was van oude, verbrokkelde stenen. Een meter boven de

stenen ronding was een afdak gemaakt, van hout en bekleed met scheve dakpannen. Aan

het dak hing in het midden een rafelig touw. Het geluid werd sterker. Ze tuurden over de

rand. Er viel niet veel te zien. Wel konden ze de omtrek van een emmertje zien dat aan het

uiteinde van het touw zat. Er kwam gehuil uit het emmertje.

‘We moeten zien wat erin zit,’ zei hij stoer.

‘Hoe dan?’ vroeg zij. 

‘Ik ga over de rand en jij houdt mijn benen vast.’

‘Vind je vriendin het niet vervelend dat een vreemde vrouw je benen pakt.’

‘Ik heb geen vriendin,’ loog hij en hij liet zich over de rand zakken. Zij pakte zijn

onderstel en droeg hem met haar sterk geworden schouders. Hij hing op zijn kop in de

put.

‘Zie je iets?’ vroeg ze desondanks haar moeilijke toestand.

‘Nee.’

Ze steunde. ‘Duurt het nog lang?’

Hij stak zijn lange boomtakken in de emmer.

‘Ik heb iets!’ riep hij. ‘Loop achteruit.’

Ze liep achteruit en trok het lange lijf met al haar kracht naar boven. Het was zwaarder

dan welke judomatch ze eerder had gedaan.  Ze kreunde en trok zijn broek

van zijn magere achterwerk.

De man riep: ‘Los!’  en hij lag vertwijfeld naast de put en had iets in zijn armen.

Het huilde. Ze hoefde niet lang te kijken: het was een baby, een hele kleine baby, ingepakt

in een of ander vies kleedje.

Ademloos staarde ze naar het kindje. Wat was het: een jongen of een meisje?

‘Een baby,’ hijgde ze. ‘Je hebt een baby gered.’

‘Jij ook,’ zei hij zacht. ‘Jij ook.’

En daarna dachten beiden even na. Het regende nog steeds. De maan verdween

achter een wolk.

‘Hoelang ligt ze of hij  al in die emmer?’ vroeg ze. ‘Ik denk kort,’ sprak hij. ‘Die vrouw van

daarnet..’

‘Dat is de moeder.’

‘Wat een vreselijke trut om zomaar je kind te dumpen.’ Ze pakte de baby op en drukte die tegen zich aan.

‘Misschien was ze in de war,’ zei hij. ‘Dat gebeurt wel meer dat mensen wanhopig zijn.’

Hij hoorde aan zijn stem dat het hem niet koud liet.

‘Ik ga 112 bellen,’ zei hij. Hij zocht in zijn jaszak, in zijn tas, maar de telefoon was

nergens. ‘Fuck,’ vloekte hij. ‘In de trein laten liggen.’

‘Wat nu?’   

‘Ik weet het niet,’ hij haalde zijn schouders op. ‘We moeten het kind ergens onderbrengen.

Zo snel mogelijk.’

IV

‘Laten we doorfietsen naar jouw huis.’

‘Als we eerder iets zien, moeten we daar hulp vragen.’

Ze ging voorzichtig achterop de fiets zitten met de baby  dicht tegen haar aan.

En zo reden ze door de nacht. Bij de actie was hij zijn schoenen verloren, dus hij reed in zijn ondergoed en op zijn sokken. Hij dacht aan de gevolgen van het vinden. De politie zou willen weten wat hij midden in de nacht deed op de hei met een onbekend meisje en een baby. En eerlijk gezegd had hij daar geen goede verklaring voor. Als hij daar aan zou toevoegen dat hij een vreemde vrouw op een paard had gezien, met een pijl en een boog zouden ze hem waarschijnlijk opsluiten.

V

Maar het werd nog gekker, want een kilometer verderop stond het paard. Groot en machtig. Het hief zijn hoofd op en snoof. De manen wapperden. Ze bleven  voorzichtig staan.

‘Shit,’ zei het meisje.

‘Wat nu weer?’

Naast het paard lag de vrouw. Haar armen lagen over haar hoofd gevouwen alsof ze zich

wilde beschermen tegen slagen. Ze ademde wel. En ze snikte zachtjes.

‘Ook dat nog,’ zei de man. Hij knielde bij de vrouw. Die sprak een onverstaanbare zin

maar de betekenis was hem duidelijk: ‘wegwezen!’

‘Is ze dood?’ vroeg  Strigida.

‘Nee.’

‘Kom, we gaan.’ Hij wees naar de horizon waar een  persoon stond die langzaam dichterbij leek te komen. ‘Dat is de man die haar heeft willen vermoorden. Natuurlijk haar ex. Hij is er achter gekomen dat ze hun kind heeft gedropt in de put en heeft wraak genomen.’

‘Je kijkt teveel Netflix,’ zei hij grimmig. ‘Stap op, we moeten snel door.’

En ze reden verder door de nacht die steeds weer met nieuwe verrassingen leek aan te

komen. Zij besloot snel haar rijbewijs te gaan halen en hij nam zich voor zijn motorfiets 

op te laten knappen. Al was zijn vriendin daar tegen.

 VI

In de verte, boven de toppen van in de wind zwiepende bomen, rees een toren van een kasteel op. Hij nam het waar en meende zich iets te herinneren. Hij stopte.

‘Is hier niet ergens een museum in een kasteel gevestigd?’

‘Ik ga nooit naar een museum.’

Hij zuchtte. ‘Als het een museum is, is er ook meestal een nachtwaker. We kunnen het

proberen. Eens?’ Ze knikte en beefde. Ze had het koud. ‘De band is lek,’ zei ze. ‘Het is beter te gaan lopen.’

Ze liepen verder en merkten niet dat de man die ze eerder hadden opgemerkt, steeds dichterbij kwam. Het rommelde boven hun hoofden en lichtflitsen schoten fel langs hun hoofden en boorden zich krakend zonder erbarmen in de natte grond. Het pas was smal en verlaten.

‘Een boom kan omvallen,’ zei zij.

‘Jij doet toch judo,’ zei hij. ‘Dan vang jij hem op.’  

Eindelijk kwamen ze aan bij kasteel Nijhuis dat een museum voor moderne kunst herbergde. Het had vier torentjes en een slotgracht. Recht voor de ingang was een rond grasveld met in het midden een onduidelijk kunstwerk. Uit een van de ramen naast de entree viel een streep licht. Een schaduw daarachter bewoog: een bewaker haalde een kopje koffie. 

En hoewel Jeff helemaal geen zin meer had in de baan als nachtwaker, was hij wel nog betrokken bij zijn werk en lette hij op als er verdachte zaken voorbijkwamen. En dat leek nu te gebeuren, want hij meende meerdere personen te zien bij de ingang. Maar een inbreker zou het niet zijn, want die zou zeker niet de hoofdingang nemen. Tot zijn verbazing  begonnen de individuen wild te zwaaien en te roepen. Alsof zij in nood waren. Het zou een valstrik kunnen zijn, dacht Jeff, maar zijn intuïtie sprak hem tegen. Voorzichtig opende hij de deur nadat hij eerst het alarm had afgezet. Meles en Strigida stormden binnen met de baby.

‘We hebben een baby gevonden!’ Ze riepen door elkaar en het was moeilijk voor Jeff om precies te weten te komen wat er was gebeurd.

 VII

En terwijl ze daar bezig waren met de baby, verscheen een man. Achter zich sleepte hij

een kanon uit de Franse tijd. En het was schietklaar en hij vuurde op het gebouw. Twee daverende explosies galmden langs de wanden van het oude kasteel. Kalk en stenen brokkelden naar beneden.

‘Geef mijn kind!’ brulde de man. ‘Mijn kind!’ Jeff scheen met zijn lantaarn naar buiten. Ze

zagen dat de  waanzinnige man jong was, en lang haar had dat half over zijn gezicht viel. Hij was ongeveer een meter zestig. Een Jerommeke. Achter hem dook daarna een vrouw op.

‘De vrouw van de pijl en boog!’ riep Strigida angstig. Ze tuurden maar zagen geen paard.

Jeff wilde naar buiten. Hij durfde niet.

De volgende seconde richtte de vrouw de boog op haar man. Maar helaas tot haar

ongeluk, brak de boog en was zij ongewapend.

Weer een seconde later stormde de onbekende man op haar af. Hij had iets in zijn

hand, het glom in het donker. Strigida realiseerde zich dat dit een mes zou

kunnen zijn. Zij zag nog maar één oplossing, een gevaarlijke, maar dat leek haar beter dan

getuige te zijn van een zinloze moord. Zij rende de regen in, met grote passen. In

vier seconden was zij bij hem. In die korte tijd had zij besloten met welke techniek zij de

aanvaller zou vloeren. Een Uki-Goshi leek haar het beste: een heupworp.

Zij pakte de man bij zijn rechterarm en draaide haar rug naar zijn buik. Met een geweldige zwaai vloog de man naar de aarde. Zijn hoofd raakte  de sokkel van het beeld en hij verloor het bewustzijn. Even was hij uitgeschakeld.  Zij liep naar de vrouw om te vragen hoe het ging, toen de aanvaller opstond en  in haar richting kwam. Hoewel ze nu ook weer een techniek had kunnen inzetten, vond ze het nu beter om het op een lopen te zetten.

‘Kom!’ riep Meles en hij wees op een bootje dat in de gracht lag afgemeerd.

Zij nam een aanloop en sprong in het vaartuig. Meles roeide met een kracht die hij nog niet

van zichzelf kende. Zijn handen deden pijn van het trekken aan de spanen.

Ze konden zien dat de vrouw van het paard het museum in rende. De man vloekte hemel

en aarde bij elkaar aan de waterkant. En zo roeiden zij naar de overkant. ‘Hier nemen wij afscheid,’ zei Strigida. 

‘Hoezo?’ vroeg hij verbluft. ‘Je bent nog lang niet thuis.’

‘Ik kom verder wel alleen thuis hoor,’ zei ze en ze stopte een klein stukje papier in zijn hand. Daarna rende ze weg in de richting van het bos. Ze verdween voor altijd voor hij iets had kunnen zeggen. Aan de kant van het kasteel zag hij blauwe zwaailichten.

VIII

Zijn therapeut was gekleed in een blauw mantelpakje volgens de laatste mode  en heette Bokita. Ze had rode nagels. En Meles was haar klant.

‘Ik kan niets meer,’ zei hij.

‘Waarom niet?’ Ze tuitte haar lippen.

‘Omdat ik ..die baby.. ik droom er elke nacht over. Het was vreselijk.’

‘Maar je hebt die baby toch gered?’

‘Ik voel me verscheurd en ik ben woedend, hoe kan iemand zoiets doen?’

‘Heb je er met andere mensen over gesproken?’

‘Nee. Dat kan ik niet en ze zouden me niet geloven.’

‘Heb je er met dat meisje over gesproken?’

‘Ik ben haar telefoonnummer kwijtgeraakt.’

‘Je had haar nummer?’ Ze was oprecht verbaasd.

‘Ja, op een klein briefje. Maar dat is weg. Kwijtgeraakt.’

‘Je zei dat ze een judoka was.’

‘Ja, dat zei ze, maar ik heb haar niet kunnen vinden, niet in Holten of op internet. En ik heb de judobond gebeld en die kenden geen Strigida.’

‘Ze heeft die naam verzonnen?’

‘Ja, strigida betekent uil en dat kan geen echte naam zijn.’

‘Je hoort tegenwoordig wel gekkere namen.’

‘Ja.’

‘En toch: ze heeft die man met een heupworp gevloerd. Dat was echte judo.’

‘Heb je geprobeerd iets te weten te komen over de baby?’

‘Ik heb onder een valse naam gebeld met de politie, maar die mochten niets zeggen.’

‘Joh, wat vreselijk.’

‘Ik keek rond bij het station. Ik ben door Holten gereden, diverse malen, maar ze is er niet.’

‘Je moet kijken wat je er van geleerd hebt,’ zei de therapeut. ‘Dat is belangrijker.’

‘Ik heb een heldhaftige daad verricht,’ zei hij. ‘Maar ik ben er niet gelukkiger van geworden.’

‘En ik heb heftige dingen meegemaakt. Die gek heeft met twee zware kogels geschoten

en een behoorlijke deuk in het gebouw gemaakt, maar het had ook mijn hoofd

kunnen zijn.’ ‘Neem de tijd om het op te schrijven,’ zei de therapeute en maak een lijstje van dingen die jou gelukkig maken. Ik zie je volgende week.’

Hij hoorde het aan en knikte braaf. Achter hem werd de deur op slot gedraaid.

Een eekhoorn daalde uit een dennenboom naar beneden, wreef tussen zijn pootjes en

keek hem lang aan. Het was een prachtig schepsel, met een vlammend rode staart.

Hij wist dat hij de spookgeschiedenis niet kon veranderen, dat deze vast verankerd was in

de krochten van zijn brein. Het avontuur had zijn leven op zijn grondvesten doen trillen. Toen hij midden in de nacht was thuisgekomen, zonder broek, was zijn vriendin zeer boos geworden en ze had hem het huis uitgeworpen.

Sinds dit alles kon hij niet goed meer slapen, maakte door de vermoeidheid fouten op zijn

werk en verloor zijn baan. Hij deed nu wat eenvoudiger werk in de lokale supermarkt.

Toen hij op een zomerse avond nog even door een park liep, meende hij Strigida in de

verte te zien spelen met een kind. Ja, dat moest haar zijn. Zijn hart veerde op. Dat moest

haar zijn. Even lang, even blond, even sterk. Ze tilde het meisje op en zwaaide het rond.

Hij keek nog eens. Nee, ze was het niet. Hij liep door. Hij  hoorde niet dat de jonge vrouw zacht in het oor van het kind fluisterde: ‘Zwaai maar naar mijnheer Meles, hij is een lieve mijnheer, maar je mag het nooit tegen hem zeggen. Afgesproken?’

Je weet waar ik woon

Je weet waar ik woon

Ik leef niet in een droom

Ik leef ergens op de wereld

Ik ben zomaar ooit eens aan komen drijven

Lag tussen de blaadjes van een bloem

Dat is lang geleden

Nu ben ik wereldburger

Ik kan overal tevreden leven

Misschien woon ik vandaag in Shanghai

En morgen in Montreal

Misschien in het zand van Addis Abbeba

Ik heb een paspoort

Maar wat moet ik er mee?

Landen bestaan niet, zijn gemaakt

Soms draag ik een lange jas

Soms alleen een hemd

Maar vrienden herkennen me overal

Omdat ze weten waar ik woon

Het is geen geheim.

Maar een beschermde plek

Is meer dan je huis

Meer dan je sloten op je deur

Meer dan de tralies op je raam

Meer dan de waakhond en het alarm

Meer dan het wantrouwen naar je donkere buurman

Een beschermde plek is je zelfrespect

Die als een schaduw met je meereist

En over de hoge gemetselde muren glijdt

Maar om kort te zijn:

Ik verhuis nooit

Blijf altijd dezelfde

Op dezelfde plaats

In dezelfde straat.

En vergeten doe ik niemand

Dus als je aanbelt

Dan weet je nu waar ik woon.  

Het wonder van de heide

De heide bij Nijverdal

De heide, rust

in grote stilte,

maar in de struiken gonzen de insecten,

op zoek naar honing,

allemaal of het vanzelfsprekend is,

en nou ja,  dat is het ook wel,

maar het is ook een mysterie,

want je ziet vrijwel geen dier,

maar ze zien jou wel.

Dassen, konijnen, wilde zwijnen,

waar zijn jullie?

Buizerd, uil, hermelijn?  

Mensen zijn er wel,

in een oudemensen karretje,

op gymschoenen,

of slaperig onder een oude eik.

Het is warm, zand kleeft in mijn schoenen,

en een beest stak me onder mijn trui.

Als het maar geen teek is.

Met twee jeukbulten rijker, loop ik verder

over de heuvels.